Voorpublicatie: Oratie 25 april 2014

Vrijdag 25 april 2014 geef ik mijn oratie aan de Universiteit van Amsterdam (om 16:00 uur 's middags in de Aula van de Lutherse Kerk op het Spui te Amsterdam). Hieronder een piepklein stukje uit deze rede, daar waar het gaat over de gevolgen van ons leven in media...


In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of the Year’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Niet alleen schoolkinderen, ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de enigszins twijfelachtige selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking van 2014 alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Al het onderzoek dat mij bekend is over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat we een grote druk ervaren om er daar toch vooral goed op te staan en er niet al te veel scherpe randjes of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Dit gevoel wordt gevoed door ouders, docenten, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. Of we het nu willen of niet, we worden de media ingetrokken en we moeten onszelf op de een of andere manier daarin verhouden. Wat ik wil suggereren is dat we ons individualisme in media in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen moeten zien.

Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘postmateriële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu de meeste mensen in ontwikkelde landen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?

Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Nederland: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.


Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven, hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare, bewerkbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze reageert als we er iets mee doen.