Journalistiek en Diversiteit

Journalistiek en Diversiteit

Inleiding voor het symposium 2015 van de UvA master Journalistiek en Media.

“Alle nieuwsmakers lijken op elkaar” kopte NRC Handelsblad op 3 februari 2015. Die kop klopt.

In 2000 had 2% van alle journalisten in Nederland een migrantenachtergrond. Bij de laatste telling, uit 2010, was dat percentage hetzelfde. Op dit moment is 35% van de journalisten vrouw en dat percentage was tien jaar geleden nagenoeg identiek: 34%. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist in 2010 was 50 jaar, ten opzichte van 42 jaar tien jaar daarvoor. In 2000 omschreef een overgrote meerderheid van journalisten (79%) zichzelf politiek gezien als ‘links’ dan wel ‘links van het midden’ (ten opzichte van 1% die zich ‘rechts’ noemde), welke percentages in 2010 niet wezenlijk verschilden (respectievelijk 70% om 2%).

Wat vooral opvalt in deze cijfers is het gegeven, dat de samenstelling van de journalistieke beroepsgroep niet wezenlijk verandert, ondanks bijvoorbeeld het gegeven dat er steeds meer allochtonen een journalistenopleiding hebben (5% van de afgestudeerden in 2013), vrouwen op deze opleidingen sinds het begin van deze eeuw tenminste twee derde van de studentenpopulatie vormen en dat jongeren er een hele gemiddelde politieke oriëntatie op nahouden.

Een belangrijke verklaring voor de stagnatie van de groei van bijvoorbeeld vrouwen en allochtonen in de journalistiek gedurende de jaren negentig (in 1993 was 20% vrouw en registreerden onderzoekers geen allochtone journalisten) is de economisch precaire positie van de journalistiek aan de ene kant en een verhoogde drempel om het beroep binnen te treden aan de andere kant. Sinds het begin van deze eeuw kenmerkt de nieuwsindustrie zich vooral door een niet aflatende reeks (massa-) ontslagen, vacaturestops en redactionele bezuinigingen. De helft van alle journalisten in Nederland werkt inmiddels als zelfstandige (ten opzichte van 21% in 2000). 

Vroeger kon iedereen journalist worden; je leerde het vak op de redactie. Op zich kan dat nog steeds – het vak kent geen formele toegangseis. In de praktijk is een beroepsopleiding tegenwoordig een minimale vereiste en letten werkgevers – vooral bij de landelijke media – op het diploma van een afgeronde master. De studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is qua tijdsduur ingekort of wordt omgezet in een lening. 

Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als zelfstandige journalist. Uit onderzoek van de beroepsorganisaties (NVJ, Lira, FLA en FF) in 2013 blijkt dat de tarieven voor freelancers sinds 2003 structureel gedaald zijn. Bijna de helft van de Nederlandse zelfstandigen is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon

Op sommige redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro netto per maand (van 2015 tot 2016 kunnen maximaal 100 journalisten gebruik maken van een ‘kennismakingsregeling’ bij dagbladen, publieks- en opiniebladen en vaktijdschriften tegen een vergoeding van ongeveer 2.100 Euro bruto per maand). 

Door deze ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds meer een beroep dat je je moet kunnen veroorloven.
In de hele mediasector, inclusief de journalistiek, is ‘wie je kent’ op z’n minst net zo belangrijk als ‘wat je kunt’ daar waar het gaat om het verkrijgen van werk of opdrachten. Het hebben en onderhouden van een persoonlijk netwerk met contacten in de journalistiek vereist actieve deelname aan (en ervaring met) voornamelijk witte, mannelijke bolwerken. 

Ook studies naar het bronnengebruik van journalisten en de samenstelling van opiniemakers in de nieuwsmedia (zoals panelleden, columnisten en hoofdredacties) tonen een groep van bijna uitsluitend witte mannen van rond de vijftig, afkomstig uit dezelfde hoogopgeleide maatschappelijke middenklasse.

De conclusie lijkt hiermee gerechtvaardigd dat de Nederlandse journalistiek, daar waar het gaat om diversiteit op het gebied van leeftijd, gender, etniciteit, maatschappelijke klasse en politieke voorkeur niet alleen weinig divers is, maar dat dit gebrek aan diversiteit over tijd structureel blijft. Dit ondanks het gegeven dat de Nederlandse samenleving steeds meer divers en gelijk wordt als het bijvoorbeeld gaat om de doorstroom van vrouwen in van oudsher door mannen gedomineerde beroepsgroepen, het stijgende opleidingsniveau van allochtone jongens en (vooral) meisjes, en het stemgedrag van de gemiddelde Nederlander.

De vraag is, of de discrepantie tussen journalistiek en samenleving belangrijk is. Als journalisten zich committeren hun werk professioneel en neutraal te doen zou het er niet toe doen wie journalist is. Los daarvan is er niet zoiets als ‘de’ journalistiek; de Nederlandse mediamarkt bestaat uit een steeds toenemende veelheid aan titels, omroepen en platformen, waarbij nagenoeg elke doelgroep en niche effectief bediend wordt. Met hooguit de publieke omroep als uitzondering heeft geen enkel nieuwsmedium de opdracht om nieuws te maken voor (of door) iedereen. 

In de praktijk maakt het wel degelijk uit wie het nieuws maakt. Onderzoek naar de berichtgeving in Nederlandse en Vlaamse dagbladen en op televisie over minderheden toont ondubbelzinnig aan dat deze bevolkingsgroepen weliswaar in het nieuws voorkomen, maar dan veelal op een stereotyperende wijze: hetzij in de context van problemen (zoals criminaliteit, werkloosheid en verondersteld onevenredig gebruik van sociale voorzieningen), dan wel in het kader van nieuws over feestdagen, klederdracht, voedsel, lifestyle en anderszins schouwspelachtige observaties die uit gaan van hoe ‘wij’ (dat wil zeggen: de maatschappelijk dominante groep) kijken naar ‘zij’ (iedereen die van deze sociale norm afwijkt). 

Het gebrek aan diversiteit in de journalistiek raakt ook aan de beroepsopvattingen van journalisten, aangezien de meerderheid van de journalisten in Nederland buitengewoon ambitieus is in de visie op het vak. Maar liefst 94% van Nederlandse journalisten vindt het vertalen van ingewikkelde informatie voor het publiek (zeer) belangrijk voor hun werk, net zoals dat 80% het ontwikkelen van maatschappelijke belangstelling bij het publiek een wezenlijk aspect van het journalistieke werk acht. In de praktijk lijken deze bewonderenswaardige ambities niet aan de sluiten bij de manier waarop de journalistiek daadwerkelijk om gaat met het publiek. 

Los van de beroepsambitie van journalisten verwacht de samenleving van alles van de journalistiek. Onderzoek naar wat het publiek precies wil van de journalistiek is net zo schaars als onderzoek naar de diversiteit onder journalisten, maar wat we weten is dat de gemiddelde burger over het algemeen naar andere genres en onderwerpen op zoek is dan de journalist. Onderzoek naar de verschillen in nieuwsvoorkeuren van journalisten en dagbladlezers in zeven landen (Mexico, Argentinië, Brazilië, Duitsland, Engeland, Spanje en de Verenigde Staten) suggereert bijvoorbeeld dat er een heuse ‘nieuwskloof’ bestaat. 

Waar journalisten liefst lange stukken schrijven over de politiek, internationale relaties en de economie, wil het publiek liefst korte en bondige artikelen over wat speelt hun directe leefomgeving. Onder jongeren in Nederland bestaat een vergelijkbare voorliefde voor ‘snacknieuws’: korte overzichten waarin in één oogopslag het belangrijkste nieuws te zien is. Volgens recent onderzoek waarderen Nederlandse jongeren langere verhalen en achtergronden alleen als het gaat om persoonlijke verhalen van mensen. 

Zo ontstaat een beeld van de journalistiek als beroep waarin min of meer dezelfde soort mensen met goede bedoelingen en hoge ambities hard werken om verslag te doen over een samenleving waar ze steeds minder met beide benen in staat. De aansluiting tussen journalistiek en samenleving loopt scheef.

Tot slot een enkele opmerking over wat we aan deze situatie zou kunnen doen – als we het er over eens worden over de eventuele noodzaak om de journalistiek beter aan te laten sluiten bij de samenleving. Los van de economische realiteit van de journalistiek vallen de oplossingen uiteen in drie delen: kennis, representatie en verantwoordelijkheid.

Op het gebied van kennis is het essentieel dat we meer van elkaar te weten (willen) komen. Wat weet de journalist van de Islam? Van wat het betekent om als alleenstaande moeder rond te komen van een minimumloon? Van hoe ouderen deelnemen aan onze samenleving? 

Op het gebied van representatie moet er stelselmatig aandacht zijn voor de manier waarop zowel beroepsopleidingen als mediabedrijven mensen uitnodigen en selecteren. Hoe kleurenblind zijn onze kwaliteits- en selectiecriteria? Hoe serieus nemen we kandidaten die niet lijken op onszelf dan wel op de meesten van onze collega’s? Hoe begeleiden we nieuwkomers en hoeveel ruimte is er in de klas of op de redactie voor andersdenkenden? 

Daarnaast moet de samenstelling van nieuwsbronnen en nieuwsselectie een onderwerp van voortdurende kritische (zelf-)beschouwing zijn. Wie wordt uitgesloten, welke stemmen worden niet gehoord, hoezeer leunen we als beroepsgroep op steeds dezelfde kaartenbak met namen en nummers? 

Tot slot, op het gebied van sociale verantwoordelijkheid, is het zaak elkaar steevast aan te spreken op onze maatschappelijke rol. Als we er samen vanuit gaan dat de onafhankelijke kwaliteitsjournalistiek een fundamentele rol als waakhond van onze democratie te spelen heeft, moeten we nooit aarzelen om elkaar als journalisten dan wel de journalistiek als publiek daarop aan te spreken.