Advies voor Eerstejaars Studenten

[in Dutch] Graag commentaar en feedback op het volgende... Dit wil ik opnemen in mijn eerstejaars-syllabus. Een en ander is geïnspireerd door filosoof Keith Parsons' essay "Message to My Freshman Students" op Huffington Post.

Binnenkort begint het collegejaar weer. Voor veel studenten is dit de eerste kennismaking met het studeren aan een universiteit na de middelbare school. De ervaring van een universitaire studie is in veel opzichten radicaal anders. Daarom hiereen paar opmerkingen over zaken die belangrijk zijn voor het succes van een student aan de universiteit:

• Op de universiteit werken geen leraren, maar (universitair) docenten en hoogleraren. Het is niet hun taak studenten te vertellen wat ze precies moeten doen om een voldoende te halen, wel om je te helpen kritische vaardigheden te ontwikkelen om zelf aan de slag te gaan met kennis, onderzoek en analyses.

• Een academische docent is er om je te begeleiden op weg naar het ontdekken en je eigen maken van kennis en inzichten. Vaak wordt je daarbij geconfronteerd met verschillende en tegenstrijdige visies op hetzelfde onderwerp of thema. Verwacht niet dat je uitsluitsel krijgt over de enige ‘juiste’ opvatting – want die bestaat niet.

• Het doel van een universitaire studie is dat je, aan het eind van de rit (dat kan een vak zijn, een module of een diploma) in staat bent zelfstandige analyses te ontwikkelen op basis van gedegen literatuurkennis en eigen onderzoek.

• Wat je zelf doet bepaalt in grote mate je succes op de universiteit. Het staat je helemaal vrij colleges te gebruiken om bij te slapen, je tijd te besteden aan chatten en texten met vrienden of te surfen naar sociale media. Sterker nog: je hoeft helemaal niet op te dagen. Punt is: jij bent als enige verantwoordelijk voor je succes op de universiteit. Zorg voor structuur in de manier waarop je met je studie om gaat en aarzel niet om hulp te vragen (van tutoren, docenten en mede-studenten) als dit lastig voor je is.

• Op school was je onderdeel van een min of meer hechte gemeenschap die je elke dag weer tegen kwam. De universiteit is daarentegen een nogal anonieme en soms zelfs nogal kille leeromgeving, waarin je makkelijk kunt verdwijnen of verzuipen. De beste manier om daarmee om te gaan is om actief mensen te leren kennen: de studenten om je heen tijdens colleges, de docenten die het onderwijs verzorgen, en de tutoren die er zijn om je studievoortgang met je te bespreken. Maak afspraken, vertel wat je bezig houdt en stel vragen. Word lid van een studievereniging of richt er zelf een op. Als je Mediastudies doet, zoek studenten op waarmee je samen media kunt maken - dat is de beste en snelste manier om te leren wat zo bijzonder en mooi aan media is.

• Een paar handige tips voor hoorcolleges, waarvan je er veel zult meemaken de komende jaren (ook al beweren talloze experts dat het tijdperk van het hoorcollege voorbij is): lees je in voordat je gaat; maak kritische notities en stel vragen; doe mee aan groepsdiscussies; ga naar het spreekuur van de docent, ook als je denkt dat alles gesmeerd loopt; praat over wat je hoort en leert met je vrienden; en voor alles: stel nog meer vragen.

• Tot slot: kiezen voor een studierichting die lijkt te leiden tot een snel diploma en een goed verdienende baan lijkt logisch, maar werkt in de prakijk niet. De economie is wispelturig, de banenmarkt grillig; de universiteit is daarentegen ouderwets traditioneel. Studeer niet wat je denkt te moeten leren voor een baan, studeer niet wat je ouders zeggen dat je moet leren – studeer iets waarvan je enthousiast, blij en gelukkig wordt. Dan zijn alle opmerkingen hiervoor overbodig.

Voorpublicatie: Oratie 25 april 2014

Vrijdag 25 april 2014 geef ik mijn oratie aan de Universiteit van Amsterdam (om 16:00 uur 's middags in de Aula van de Lutherse Kerk op het Spui te Amsterdam). Hieronder een piepklein stukje uit deze rede, daar waar het gaat over de gevolgen van ons leven in media...


In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of the Year’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Niet alleen schoolkinderen, ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de enigszins twijfelachtige selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking van 2014 alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Al het onderzoek dat mij bekend is over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat we een grote druk ervaren om er daar toch vooral goed op te staan en er niet al te veel scherpe randjes of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Dit gevoel wordt gevoed door ouders, docenten, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. Of we het nu willen of niet, we worden de media ingetrokken en we moeten onszelf op de een of andere manier daarin verhouden. Wat ik wil suggereren is dat we ons individualisme in media in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen moeten zien.

Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘postmateriële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu de meeste mensen in ontwikkelde landen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?

Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Nederland: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.


Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven, hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare, bewerkbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze reageert als we er iets mee doen.

Meedoen of toekijken: de journalist en sociale media

[Dit is een essay ter gelegenheid van het openbaar symposium 'Journalistiek en sociale media: de balans' van de masteropleiding Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam, vrijdag 14 maart 2014]

Brits marktonderzoek, uitgevoerd onder 1.200 mensen in 2014, laat zien dat 59 procent van mensen op Twitter tenminste één journalist of krant volgen. Iets minder dan helft volgt specifiek een journalist; sterker nog: sommige individuele journalisten hebben meer volgers dan de krant waarvoor ze werken. Daar komt bij dat mensen die journalisten op Twitter volgen veel actiever zijn dan anderen – zij versturen bijvoorbeeld twee keer zoveel tweets als de mensen die geen journalisten volgen. Deze bevindingen sluiten aan bij ons internationaal onderzoek (met Leopoldina Fortunati en Federico de Luca in 2013) onder nieuwsconsumenten in Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland en Duitsland. Mensen die het nieuws volgen zijn vaker actief met journalisten en journalistiek online en vice versa. 

Er lijkt voor journalisten een wereld te winnen bij het actief inzetten van sociale media in hun werk. Aan de ene kant zijn er tal van bewijzen dat de journalistiek zich inderdaad steeds nadrukkelijker manifesteert op sociale media. Dat krijgt de vorm van het inzetten van het publiek bij nieuwsgaring en het checken van informatie (zoals bijvoorbeeld bij GuardianWitness), voor het verzamelen van ooggetuigenverslagen en persoonlijke indrukken bij het nieuws (denk aan CNN’s iReport), het publiceren van nieuws (zichtbaar in de 'digital first' strategie zoals aangekondigd bij De Volkskrant) en voor het promoten van het eigen merk als journalist dan wel als nieuwstitel. 

Aan de andere kant wijzen studies onder journalisten op een nogal ambivalente houding ten opzichte van sociale media. Dat is deels zichtbaar door te kijken naar wat journalisten nu eigenlijk precies doen met sociale media – zoals Twitter en Facebook. Hieruit blijkt stelselmatig dat het toch vooral gaat om het zenden van informatie en dat er van daadwerkelijke interactie met het publiek of bronnen betrekkelijk weinig beklijft. 

Hoewel bijna iedereen sociale media belangrijk vindt en verwacht dat de toekomst van het vak niet los gezien kan worden van sociale media, blijkt in de dagelijkse praktijk dat het professioneel toepassen van sociale media soms botst met de belangen van de nieuwsorganisatie aan de ene kant en de persoonlijke visie van de journalist anderzijds. Jaarlijks onderzoek onder een kleine 600 Britse journalisten in 2011, 2012 en 2013 (door wetenschappers van de Canterbury Christ Church University) laat zien dat ze steeds meer gebruik maken van sociale media in hun werk – 42 procent zegt het vak zelfs niet meer zonder te kunnen uitvoeren – en tegelijkertijd zeer ambivalent zijn ten opzichte van de eventuele toegevoegde waarde voor de journalistiek. 

Dat beeld zien we ook in Nederland terug. Jeroen Smit voerde in 2013 samen met Tamara Witschge en Eva Schram een enquête uit onder bijna 600 dagbladjournalisten over hun visie op de toekomst van het vak. De overgrote meerderheid (89 procent) vond dat in de toekomst sociale media moeten worden ingezet bij het vinden van verhalen. Ook merkten de meeste respondenten op dat er in op de redactie nog weinig in online geïnvesteerd wordt. Eerder onderzoek onder ruim duizend Nederlandse journalisten (uitgevoerd door Liesbeth Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter in 2010) liet zien dat de overgrote meerderheid sociale media zoals Facebook of Twitter zelden of nooit gebruikte om contact te onderhouden met relaties of informanten, dan wel om nieuwe contacten op die manier aan te boren – ook al waren diezelfde journalisten bijna unaniem van mening dat internet een nuttig instrument is voor hun journalistieke werk. 

Los van studies op redacties nemen sociale media een dominante rol in bij het werk van freelancers en ZZP’ers in de journalistiek. In een recente survey onder 847 Nederlandse freelance journalisten (uitgevoerd in oktober 2013) vindt de meerderheid (69 procent) dat met de komst van internet zij zich meer van hun collega’s zullen moeten gaan onderscheiden. Het toepassen van sociale media voor het profileren van het eigen merk en specialisme speelt daarbij een cruciale rol. Volgens de laatste telling (uit 2010) werken tenminste 44 procent van alle journalisten in Nederland exclusief als freelancer; dit percentage is meer dan verdubbeld in de laatste tien jaar. 

Hieruit komt een beeld naar voren van een beroepsgroep die – door een breed gedeelde perceptie dan wel effectief gebruik - niet meer buiten sociale media kan en daarbij op zoek is naar een professionele houding in deze netwerken. De zoektocht gaat vooralsnog alle kanten op. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de genoemde ambivalentie ten opzichte van de veronderstelde zegeningen van sociale media en uit het feit dat tal van nieuwsbedrijven en redacties bezig zijn met het ontwikkelen of aanscherpen van formele richtlijnen voor het beroepsmatig gebruik ervan (zoals ook bij onze Zuiderburen). 

Redactionele richtlijnen zijn op zichzelf vaak expressies van de ambivalentie ten opzichte van sociale media, aangezien het veelal een lijst van handelingen betreft die journalisten vooral niet moeten doen. Alexander Pleijter merkt in dit verband op hoe deze codes bevestigen hoe belangrijk sociale media voor journalisten zijn, terwijl ze tegelijkertijd de journalist op allerlei manieren aan banden leggen bij het daadwerkelijk gebruiken van deze middelen. 

De journalistiek zit wat betreft sociale media in een situatie die in veel opzichten lijkt op de patstelling in het schaakspel. Sociale media in alle vrijheid omarmen is met name voor redacteuren die in vast of tijdelijk dienstverband bij nieuwsbedrijven werken geen optie – maar sociale media negeren is eveneens geen legitieme zet. Vaak blijven journalisten en deskundigen in dit debat vast zitten tussen al te naïeve lofzangen op de 'zegeningen' van sociale media en benauwende opsommingen van de 'gevaren' er van. 

Want het klinkt mooi: de journalist op Facebook, Twitter en verwante netwerken kan transparant zijn of haar werk doen, banden met het publiek onderhouden, de aandacht vestigen op publicatie van nieuws en achtergronden, in discussie gaan over de nasleep van verhalen en nieuwe bronnen en informatie aanboren. Aan de andere kant is de kans groot dat hierdoor allerlei voor het functioneren van de beroepsgroep wezenlijke grenzen vervagen: tussen journalist en burger, tussen nieuws en opinie, tussen feiten en meningen, tussen het professionele en het persoonlijke. Deze grensvervaging plaatst de journalist wellicht wat meer in de samenleving en tussen de mensen maar staat haaks op het gezag dat de journalistiek sinds de ontzuiling afgedwongen heeft juist door nadrukkelijk los van maatschappelijke belangen haar beroep uit te oefenen.

Hoewel de pleitbezorgers van een meer open, interactieve en transparante journalistiek – mijzelf incluis - enthousiast zijn over de mogelijkheden van sociale media negeren zij veelal het gegeven dat uit internationaal onderzoek (van Pablo Boczkowski) blijkt dat de gemiddelde nieuwsconsument eigenlijk helemaal niet zit te wachten op al die interactie – men wil gewoon nieuws, niets meer en niets minder. 

De sceptici lijken aan de andere kant uitsluitend uit te gaan van de journalistiek zoals deze in naam van (en in vast dienstverband bij) nieuwsbedrijven wordt gebezigd en onderschatten daarnaast de verwachtingen die in brede delen van de samenleving heersen ten opzichte van een meer responsieve houding van instituties (zoals de journalistiek en de politiek). 

Er zijn hele goede argumenten te maken voor en tegen een al te enthousiast gebruik van sociale media voor professionele journalisten – zo goed zelfs, dat het debat alle kanten op gaat en weinig houvast biedt. Misschien is het goed om een stap terug te doen en te reflecteren op wat sociale media eigenlijk precies zijn. Sociale media zijn het beste te beschouwen als een forse uitvergroting van het gesprek dat (een groot gedeelte van) de samenleving met zichzelf heeft. Er zijn hele goede redenen te bedenken waarom miljoenen mensen in Nederland en biljoenen wereldwijd elke dag weer sociale media bezoeken, bekijken, waarderen, invullen, aanvullen en doorsturen: 

  • Allereerst is er een sterk economisch motief: actief deelnemen aan sociale media heeft voordelen, want je bent op de hoogte van wat er speelt, je komt op het spoor van allerlei nieuwe gegevens, producten en ideeën, je komt er snel achter wat de beste restaurants zijn (op Yelp) en op wie je moet stemmen (via een digitale Stemwijzer). Het deels inleveren van je privacy lijkt daarbij een geringe prijs, met name onder jongeren.
  • Daarnaast is er een sociale reden om je leven (en dat van anderen) te delen in media: het behoort tot onze meest menselijke drijfveren om te zien en gezien te worden. In sociale media vervullen we onze behoefte tot erkenning.
  • Los van deze motieven hebben we ook een sterke psychologische beweegreden voor het actief gebruik van sociale media: de aandacht die we via deze netwerken krijgen werkt min of meer verslavend, zo blijkt uit onderzoek. Elke 'comment', 'like' en 'retweet' geeft ons een kick – ons brein produceert daarbij een klein beetje dopamine. Dat laat ons goed voelen en daardoor gaan we snel op zoek naar meer.
  • Tot slot suggereert werk van onder anderen Judith Donath (MIT) een krachtige biologische reden voor onze deelname aan sociale media: wat we daar doen lijkt nog het meest op de rituelen van primaten zoals elkaar ontvlooien, krabben, kammen, likken, aaien en strelen. Door ons gedrag in sociale media weten we waar we bij horen en hoe de spelregels van onze samenleving in elkaar steken.

Het is belangrijk om online sociale netwerken, hoe mensen zich daarin verhouden en de rol die dit soort netwerken spelen in het dagelijks leven niet als uitzonderlijk of uniek voor (nieuwe) media te zien. Hiermee wil ik aangeven dat het debat over het al dan niet gebruiken van sociale media in de journalistiek in eerste instantie niet zou moeten gaan over technologie, software of de voor- dan wel nadelen van Twitter, Facebook en andere platformen. Het gaat primair om de vraag, hoe je de rol als journalist ziet: als buitenstaander, autonome en neutrale waarnemer van het maatschappelijke veld, of als deelnemer, onlosmakelijk verbonden met de gemeenschap waarover je verslag doet. Dat zijn twee fundamenteel verschillende visies op het vak en voor beide perspectieven valt veel te zeggen. 

De buitenstaander kan op een geheel andere manier om gaan met sociale media als de deelnemer en voor hem of haar geldt daarmee direct een andere aanpak. Voor de journalist als buitenstaander, werkend vanuit een perspectief als objectieve waarnemer van hetgeen zich maatschappelijk manifesteert (of dat nu de prangende actualiteit of het historisch archief is) is het voor te stellen dat sociale media hooguit relevant zijn als bron (een van de velen) en het aankondigen, verspreiden en promoten van gepubliceerd werk. 

Een journalist die zichzelf en het vak veel eerder als deelnemer van het maatschappelijke debat en als onlosmakelijk onderdeel van de samenleving ziet heeft meer aan sociale media als gesprekspartner waarmee de journalistiek een meer 'menselijk' gezicht krijgt. 

Deze fundamentele reflectie op de rol en functie van de journalistiek staat niet op zichzelf en kan ook gevonden worden in de gezondheidszorg, de politiek, de advocatuur en tal van andere beroepen welke zich geconfronteerd zien met een wantrouwige en sceptische burger die online informatie heeft verzameld om het eigen gelijk en belang bevestigd te zien en institutionele autoriteit niet of nauwelijks erkent.

De rol van de journalist in sociale media biedt prachtige kansen tot fundamentele reflectie op wat journalistiek is en hoe journalisten zich beroepshalve tot de samenleving kunnen verhouden. Richtlijnen zijn in dit verband nuttig, maar niet als ze uit gaan van een negatieve grondhouding. Persoonlijke visie is essentieel, als deze maar verantwoordelijkheid voor journalistieke handelingen en gedrag insluit.

Als wetenschapper zie ik alleen voordelen bij het toepassen van sociale media in de journalistiek, al is het maar omdat hierdoor de fragiele en tegelijkertijd wezenlijke grenzen van het vak zichtbaar en bespreekbaar worden.

On The Road 2014

[last updated: February 5, 2014] As always, if you are around these places and times, please do not hesitate to drop by and say hello. Please note these dates are tentative and will get updated as soon as possible.

Check this previous post for PDF versions of (more or less recently published) work that informs many of these presentations, workshops, seminars and guest lectures.

Speaking dates in 2014 (with first some final dates in 2013):

December 12: Talking about media life at the ZEMKI research seminar of the University of Bremen, Germany (from 6-8pm).

December 17: Talking about managing media work at the Hogeschool van Amsterdam, The Netherlands.


January 23-24: On beyond journalism at the Rethinking Journalism II conference of the University of Groningen, The Netherlands.


January 27-31: Seminar on media life as part of the Media and Global Communication program at the University of Helsinki, Finland.


January 28: Guest lecture on media life at Tampere University, Finland.


February 5 - May 7: Every Wednesday evening a lecture on media life for the Institute for Interdisciplinary Studies of the University of Amsterdam, The Netherlands.

March 11: workshop on beyond journalism for the Dutch Publishers Association in Amsterdam, The Netherlands.

March 13: talk on beyond journalism for the annual ROOS conference of regional broadcasting organizations at hotel De Heerlickheijd in Ermelo, The Netherlands.

March 14: workshop "The Future of Journalistic Work" at the Reuters Institute for the Study of Journalism, Oxford University, UK. [postponed]

March 17: guest lecture on media life and beyond journalism at the Erasmus University, Rotterdam, The Netherlands.

March 21: talk on media life at the Labyrinth congress at Leiden University, The Netherlands.

April 25: inaugural lecture (part of my installment as Professor of Media Studies at the University of Amsterdam) in the Aula of the Oude Lutherse Kerk in Amsterdam, The Netherlands.

May 1-2: talk on beyond journalism at the International Summit on Reconstruction of Journalism in 
New York.

May 8: keynote on beyond journalism at the CIR
COM conference of the European Assocation of Regional Television in Cavtat, Croatia.

May 18-20: talk on media life (and zombies) at the "Oh Man Oh Machine" conference of Tel-Aviv University, Israel.

June 5-6: talk on media work at the "Affective Capitalism" symposium of the University of Turku, Finland.

June 26-27: keynote on media work at the 13th International Conference on Research in Advertising (ICORIA) of the European Advertisting Academy in Amsterdam, The Netherlands.

[to be confirmed] August: keynote at the 5º Simpósio de Ciberjornalismo, Brazil.

Media Life: Open University Course in Amsterdam

In the Fall of 2014 The Institute for Interdisciplinary Studies hosts my Media Life course. The course is open to students from any level (Bachelor, Master, PhD) and is free for students and faculty/staff registered or working at all Dutch universities.

Beyond this, the course is also open to the public! The University of Amsterdam charges 70 Euros per study point (ECTS), and the course is ranked at six points (total cost: 420 Euros). As I have tooled the course to be of particular interest to media and communication professionals who want some new inspiration for engaging with digital culture, I am really hopeful folks working in the media - journalists, film and television makers and producers, game developers, advertising creatives, spokespeople (for companies, government agencies, and NGOs), marketing communicators, public relations officers and any other makers, producers and communicators to sign up!

Information on the course (including how to sign up and register) can be found on the site of the IIS. Class sessions are once a week on Wednesday evening in a comfortable venue close to Amsterdam Amstel station, easily accessible from anywhere. Language: English. For reading we will use my Media Life book (Polity Press, 2012).

More info and updates can be found on the course Facebook page and official Twitter channel. The content of the course is best represented by this awesome movie trailer designed and produced by Austin Guevara:

Media Life - Official Trailer [HD] from Austin Guevara on Vimeo.

Let me be clear: this is not a course rehashing the tired debate between public and private life online, about whether online video games are good or bad for your kids, or what is wrong with Facebook's privacy policies... This is a course intended to break through those debates, expose the assumptions, values and idea(l)s behind them, moving forward to discuss not what is or what should be, but what we can do and what can be done.

Finally: please share, forward, and recommend this course to your friends, colleagues, and family - the more the merrier! I promise it will be quite a ride...