Naar een goed leven in media

Mediapaniek is van alle tijden. Op weg naar een goed leven in media

Deze blogpost verscheen eerder op de website van Mediawijzer.net. Het boek, Leven In Media, verschijnt op 8 december bij Amsterdam University Press. Een boekpresentatie, tentoonstelling en debat vindt plaats op vrijdagavond 8 december in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Het is nogal wat, ons leven in media. Vicepremier Ollongren schrijft in haar Kamerbrief van 13 november over de “digitale dreiging” die van media uitgaat. Zowat alle partijen in de Tweede Kamer maken zich eveneens zorgen en roepen op tot “digitale weerbaarheid.” In het kersverse regeringsakkoord staat dat er in het onderwijs meer aandacht moet komen voor “digitale geletterdheid”. In de journalistiek en de populaire literatuur doen al enige tijd allerlei doemverhalen de rondte over de rol die media spelen in de samenleving. 

Als we dit soort onheilvoorspellers geloven maakt een leven in media mensen digiziek, leidt dit tot enge aandoeningen als infobesitas en reduceert het ons tot informatiejunks en mediaverslaafden. Van alles en nog wat wordt aan media toegeschreven: asocialiteit bij kinderen, zelfmoord onder tieners, eetstoornissen bij jongeren, apathie onder volwassenen en depressie bij ouderen. Met de regelmaat van de klok publiceren kwaliteitsmedia artikelen en reportages over hoe een bepaald medium – meestal de smartphone of een populair online platform zoals Facebook – de samenleving en democratie ten gronde richt.

Je zou er bijna hopeloos van worden. Machteloos, zelfs, want we lijken te staan tegenover een overmacht van superslimme technologie, manipulatieve megacorporaties en alomtegenwoordige algoritmen. Hoe houden we stand? En wat te doen? In mijn publieksboek “Leven in media” (in december 2017 uitgegeven door Amsterdam University Press) probeer ik vanuit mijn wetenschappelijke disciplines – de communicatiewetenschap (waarin ik promoveerde) en mediastudies (waarbij ik hoogleraar ben) – een antwoord te geven op de vraag hoe een mooi en goed leven in media eruit kan zien. Gesteund door het onderzoek naar de rol en invloed van media in ons leven kan ik met een gerust hart stellen dat er heus geen crisis is. Dat betekent niet dat alles vanzelf goed zal gaan en het allemaal wel meevalt, het wil vooral zeggen dat de huidige zorgen of zelfs paniek over media van alle tijden is, dat we er goed aan doen om te begrijpen waarom we zo dol op onze media zijn, en dat er genoeg middelen en kennis voorhanden zijn om samen al het moois uit media te halen wat erin zit.

In media komt onze menselijkheid tot uitdrukking

Allereerst is het belangrijk om te erkennen dat we niet meer met media, maar in media leven. Tegenwoordig besteden we zowat alle onderdelen van ons leven deels of geheel uit aan media. Ons liefdesleven verloopt via datingapps, onze vriendschappen en professionele netwerken via sociale media, we vinden de weg via een kaart op de computer of smartphone, we regelen ons eten en vermaak online en wat we van de wereld weten ontdekten we eerst in media.

Vanuit het perspectief van ons leven in media is het noodzakelijk om een speelse en creatieve manier van denken over media te ontwikkelen, waarbij we media zien als een verlengstuk van onszelf. In media komt onze menselijkheid tot uitdrukking, waarbij ik media liever zie als gereedschap waarmee we (samen) werken dan als een prothese waarvan we (individueel) afhankelijk zijn.

Zo’n houding voorkomt dat we media als iets engs zien dat van buitenaf allerlei invloed op ons uitoefent. Ons mediagedrag – elkaar in media opzoeken en contact maken, ontdekken wie we zijn en waar we bij horen, onszelf informeren en vermaken – is oermenselijk gedrag. Dat betekent ook dat we moeten leren onszelf en elkaar te vergeven voor de soms overenthousiaste manier waarop we ons overgeven aan, en soms zelfs even verliezen in, media.

Bij de soms heftige discussies die we met elkaar voeren over de invloed van media is het goed om na te gaan hoe in het verleden met media werd omgegaan. Enig historisch besef bij deze discussie kan enorm helpen anders tegen media aan te kijken. De meeste zorgen die wij nu hebben, zijn vaak dezelfde als die we honderden jaren geleden hadden. Ze gaan over echt en nep, over surveillance en privacy, over de enorme hoeveelheid informatie die op ons afkomt, over de losbandigheid van vooral jongeren, zelfs over seks met robots. Van een creatieve, gemeenschappelijke en op sámen leven en oplossen gerichte houding ten opzichte van media is meer te verwachten dan van een meer individualistische en argwanende instelling die ons dwingt onszelf te wapenen ‘tegen’ media.

Media als magische zwarte doos

Media zijn moeilijk. Ook dat is een belangrijke stap op weg naar een goed medialeven: erkennen dat we in feite weinig tot niets begrijpen van de ingewikkelde technologie die we in handen hebben als we een smartphone aanzetten of een e-mailtje versturen. Media zijn voor ons een zwarte doos waar we opdrachten invoeren en waar als bij toverslag resultaten uitkomen. Er is veel te weinig respect voor de magie van media. Juist door media voor lief te nemen, maken we de apparatuur en programmatuur machtiger dan wijzelf zijn.

Het kost echt moeite om goed in media te leven. Om bij te houden wat er op technologisch gebied allemaal mogelijk is. Om in te zien hoe je in de gaten gehouden wordt en hoe je daar zelf elke minuut van de dag aan meewerkt. Om kwaliteitsjournalistiek te vinden en te waarderen, om jezelf breed te informeren, om mensen die wat minder goed overweg kunnen met media niet met onbegrip of ongeduld te bejegenen, maar met een uitgestrekte hand en een behulpzame druk op de juiste knop.

Het kost ook moeite om te erkennen dat in media ik, noch iets of iemand anders, de regie in handen heeft. En dat dit ons niet machteloos maakt, vooropgesteld dat we voor onze communicatiemacht niet weglopen of vluchten, dan wel in de angst en verdediging schieten. De toekomst van ons leven in media kan er een zijn waarin we alomtegenwoordige media inzetten om beter naar elkaar te luisteren, leren om met verschil en diversiteit om te gaan, en samen gaan werken aan een betere, schonere en eerlijke wereld. Dat kan allemaal – ook in media.

Op 8 december is er ook een event bij Pakhuis de Zwijger over Leven in Media. Tip: speciaal voor de bezoekers via Mediawijzer.net heeft uitgeverij Amsterdam University Press een kortingscode beschikbaar gesteld voor het boek. Gebruik de code ‘mediawijzer’ om het boek zonder verzendkosten te bestellen.

Speaking Tour Fall 2017/Spring 2018

[updated: 24.10.17] Just listing a couple of places and dates for my current speaking tour. With sincere thanks to colleagues and friends in Australia, Spain, Scotland, Sweden, Germany, Finland and the United States for inviting me over! Generally these are public talks, so if you're around please drop by and say hi.

  • 11 December 2017

1130-1300 Invited speaker at the Universität der Bundeswehr München, Germany.

  • 12 December 2017

10-1200: Guest lecture at the Department of Communication Studies and Media Research, LMU Munich.

  • 23 January 2018

9-1100: Research seminar at the Department of Media Studies at Stockholm University, Sweden.

Afternoon: research seminar the Department of Media & Communication Studies, Södertörn University.

  • 25 January 2018

Invited speaker at a Music Innovation Network Inner Scandinavia seminar at Karlstad University, Sweden.

  • 1 February 2018

noon-13:30: Roundtable at the Department of Communication at Stanford University, Palo Alto, USA.

  • 2-4 February 2018

Invited participant at the Social Science Foo Camp of Facebook, O'Reilly Media and SAGE at Facebook HQ, Menlo Park, USA.

  • 10 March 2018

Keynote speaker at Edinburgh University's Institute for Advanced Studies in the Humanities, Scotland.

  • 23 March 2018

Invited speaker at a national journalism conference at Tampere University in Tampere, Finland.

  • 6-9 May 2018

Paper presenter (with Oscar Westlund) at the World Media Economics and Management Conference in Cape Town, South Africa.

The Media Are To Blame

The number of books in recent years documenting the downfall of civilization due to media - whether smartphones, social media, robots, algorithms or just 'the' media altogether - is astounding. Generally speaking, these are books not written by media scholars, but by concerned citizens, often 40+ years old affluent white authors lamenting what media are doing to, well, the stupid masses and particularly the YOUNG.

Okay. Here it is, from a media scholar: do media have effects on people? Hell yeah. Are these effects the same for everyone? No. Are these effects always there? No. Are these effects one-dimensional and one-directional? No. Is there ANYTHING particular to today's media effects as compared to, say, the invention of the printing press? Hell no.

In a nutshell: some people are affected by some media under some circumstances some of the time in some way.

Generally, though, we're fine and we will be alright. So what is the deal with all these books and their relative success? Three things: fear of young people, projection onto machines, and disrespect regarding nuance and complexity.

1. Ephebiphobia: fear of youth. We are scared shitless of the people we put on this earth to replace us, so we project all our fears about dying and having lived an utterly replaceable life onto the next generations with their silly gadgets and dumb behavior and irresponsible whatever. Get over it: once you're over forty, you're on your way out, and that is a good thing. Deal with it. I am way over 40.

2. The Influencing Machine: Ever since the mechanical evolution coinciding and correlating with the Enlightenment, we have projected all our own vulnerabilities and anxieties onto the machines of our time. Today its Facebook and an iPhone, in the 50s and 60s it was the TV set, in the early 1900s factory machines, and so on. Projection is so much easier than taking responsibility, because it makes us feel SUPERIOR and that is nice.

3. Media and Communication Scholarship: people who lament the impact of media and mediated communication on (other) people and society generally read a lot, EXCEPT the dedicated and sustained research done by scholars who study and understand media and (mass) communication. If they would, they would learn that filter bubbles - if these exist at all - tend to be temporary, that people - kids and teenagers alike - have complicated and creative and interesting relationships with their media but are definitely not programmed by them, and that the MAIN REASON why people are upset about powerful media is that these technologies enable those outside the mainstream (that is: youths and all minorities) to threaten and challenge the SOCIAL ORDER of things. That last insight is the legacy of the late and great Denis McQuail, one of the founding scholars of media and (mass) communication research in the world.

But hey, why would you deal with history and scholarship and critical self-reflection when you can blame machines, Silicon Valley and (your) kids for everything that is wrong in the world?


Sexual Favors in Media Work

The disgusting case of Harvey Weinstein's decades long history of bullying, pestering, abusing and thereby controlling (young) women in the US film industry is, as the fabulous Emma Thompson and other media workers have testified to, the tip of the iceberg of sexual harassment and abuse of power by (old, white) men at the top of the pyramid of the media industries toward (young, male and female) workers trying to get a break. It is important to realize that this is not just an element of toxic masculinity - it a direct consequence of the way media work is managed and organized.

Ten years ago I wrote about this in my book Media Work on the ways in which media professionals 'make it work' in the games, news, advertising, film and television industries. Below is a snipped specific to this issue. Looking back, I realize I should have spent much more time and space to articulating the complexity of gender dynamics and power relationships across all these industries, which tend to be run and organized and financed by old white men yet at the bottom end overpopulated by eager and exploitable young men and (primarily) women, creating a perfect breeding ground for predators such as Weinstein and a culture of mutual dependency that makes people keep their mouth shut instead of speaking out and risking losing all chances for future employment.

Excerpt from Media Work:


Thomas Borcherding and Darren Filson suggest that the risky, project-based, extremely uncertain yet completely hit-driven nature of the business “creates an environment that can lead to exchanges of sexual favors of newcomers” (2000, p.26), hinting at the so-called ‘casting couch’ problem of alleged sexual exploitation of young men and women entering the movie industry. 

The authors however conclude that with the breakup of the large studio-system and the death of long-term contracts tying certain employees to these companies, their power to make or break the careers of newcomers has diminished. However, as there are many more people wanting to get in to the film and television business than that there are jobs available, tension runs high in finding, keeping and consolidating jobs and, ultimately, a career. 

Scattered evidence from recent lawsuits in the entertainment industry (such as a long-running case in the U.S. ending in February 2006 against the writers of the popular television series Friends), suggest that the courts are sympathetic to arguments from industry lawyers that because of the particular nature of media work a pervasive sexual atmosphere can be necessary for the creative process of producing adult entertainment in general, and comedy in particular.

Helen Blair is among those who warn against both an overtly romantic view of the glamorous nature of working in film and television, as well as against the notion that in these industries everything is unpredictable and uncertain. Blair(2001) considers the film and television industries to be in a state of “precarious stability.” 

Leven in Media: Hoofdstuk I (Samenvatting)

Eind 2017 verschijnt bij Amsterdam University Press mijn nieuwe boek Leven In Media. Op deze blog, via Twitter hashtag #leveninmedia, en op de speciale openbare Facebookpagina Leven In Media post ik regelmatig 'work in progress', nieuws en andere updates. 'Like' die pagina om op de hoogte te blijven!

PS: eerste zin van het boek: 

Door media hebben we steeds minder zin in seks.




Hoofdstuk I: In Media (Samenvatting)

Hierin een korte uitleg over waarom het beter is te spreken van leven ‘in’ media in plaats van leven ‘met’ media. Ontwikkeling van het argument waarom we niet meer kunnen praten over media die effecten op ons hebben maar het eerder moeten hebben over hoe wij en onze media samen evolueren en welke rol wij daarbij spelen. Inclusief een werkbare definitie van media als:
  1. de apparaten die we elke dag gebruiken;
  2. de manier waarop we deze apparaten gebruiken om te communiceren en alledaagse beslissingen nemen, en 
  3. hoe we media integreren in ons dagelijks leven en daarmee een sturende rol geven in de wijze waarop we onszelf en de wereld om ons heen zien en begrijpen. 
Uiteindelijk is het belangrijk om over de rol van media in ons leven te denken voorbij termen als 'goed' of 'slecht' – hoe verleidelijk dat ook is. De focus verschuift van wat media met ons doen naar wat wij in media kunnen doen: hoe kunnen we op een zowel ethische als esthetische wijze verantwoordelijkheid voor ons leven in media nemen?


Leven in Media: Samenvatting

Eind 2017 verschijnt bij Amsterdam University Press mijn nieuwe boek Leven In Media. Op deze blog, via Twitter hashtag #leveninmedia, en op Facebook post ik regelmatig 'work in progress', nieuws en andere updates. 


Leven in Media

Samenvatting

Media zijn voor ons als wat water is voor vissen. Dit betekent niet dat we willoos aan media zijn overgeleverd en we daarbij onszelf – onze eigenheid als mensheid – gaandeweg verliezen. Het wil ook niet zeggen dat we in media uiteindelijk allemaal met elkaar vredig verbonden zijn. De realiteit van ons leven in media geeft ons macht om samen iets aan onze werkelijkheid te doen. De voorwaarde is, dat we daarbij ophouden om aan onszelf, als individu dan wel als mensheid, te denken als uniek, speciaal of bijzonder. Wat bijzonder is, zijn de relaties die ons verbinden. En die connecties worden nu eindelijk zichtbaar, in principe voor iedereen, via onze media. De vraag is nu – in het tijdperk van allesdoordringende sociale media, van big data, surveillance, nepnieuws, filterbubbels en algoritmes die bepalen wat we horen, lezen en zien - wat we met deze gedeelde verantwoordelijkheid gaan doen.

Dit boek gaat niet over wat media met ons doen, maar wat wij in media kunnen doen.


Speaking Engagements on Beyond Journalism and Media Life in Summer/Fall 2017

Excited to be going back on the road again after a hiatus for almost a year... I will be presenting research from our ongoing project on Beyond Journalism, as well as new insights related to a Dutch-language book project and follow-up to Media Life. Both of these books are scheduled to appear in 2018! Hope to catch you at one of these places and dates:

19 May 2017
Keynote at the ECREA Media Education 'Trial and Error' conference of 18/19 May in Tilburg, The Netherlands.

24-28 May 2017
Several presentations at the ICA Annual Conference (and Preconference) of 24-29 May in San Diego, USA.

3 July 2017
Keynote at the International congress about new narratives of the Universidad Autonoma in Barcelona, Spain.

14/5 September 2017
Presentation at the Future of Journalism conference at Cardiff University in Cardiff, UK.

12 October 2017
Presentation at the AllWeb conference in Tirana, Albania.
 
16-17 November 2017
Invited speaker at the postgraduate program in Journalism at the University of Malaga, Spain.

(date TBC) January 25, 2018
Invited speaker at a Music Innovation Network Inner Scandinavia seminar at Karlstad University, Sweden.



Women in Journalism

Let's not pretend that the sexual harassment cases at Fox News of Roger Ailes and Bill O'Reilly are particular to those men or that network. These are high profile examples of a fundamental feature of media work, where a generally informal office culture masks a deeply hierarchical, competitive, and emotionally charged working environment. These features of media work both inspire creativity and camaraderie, as they lead to all kinds of abuse - which in historically male-dominated professions tend to manifest most profoundly in workplace sexism and misogyny.

From my own research on the working cultures in the media industry - with a specific focus on the experiences of women in journalism - it seems such workplace sexism overall is getting less overt and conspicuous, but it is still there. It also seems to be done less particularly by men to women, and more by people in charge or otherwise in positions of power (that sometimes include women) to those dependent on them.

The trickiness of the current situation is that the informality and intimacy throughout the cultural sector (including, but not limited to journalism) are both necessary ingredients for creativity to blossom as they are part of why there is a persistent problem with 'the Isms' such as sexism, racism, and ageism throughout the media sector - both onscreen and offscreen.

This year, the Dutch professional association for women in journalism, Vrouw & Media, celebrates its 35th anniversary. I am proud to participate in their work by contributing an essay -in Dutch- written with Vrouw & Media chairwoman Klaske Tameling on what the current state of research has to say about the role and position and experience of women in journalism in the Netherlands. The piece, copied below, appeared in Villamedia magazine (April 2, 2017).


Vrouw & Media na 35 jaar nog altijd onmisbaar

Door Klaske Tameling en Mark Deuze

De krant is een meneer en de journalistiek is een mannenberoep. Zo concludeerden de onderzoekers in het boek ‘Voor Zover Plaats aan de Perstafel’ uit 1986 waarin de positie van vrouwen in de journalistiek in kaart werd gebracht. Sindsdien is – een enkele uitzondering daargelaten – geen fundamenteel onderzoek meer verricht over de rol, positie en ervaring van vrouwen in het vak. Wie vandaag rondloopt op een nieuwsredactie in Nederland zal concluderen: aan vrouwen geen gebrek. Ook tijdens bijeenkomsten van belangenorganisaties en borrels voor freelancers zijn vrouwen zelfs vaak in de meerderheid.

Het lijkt daarom overbodig om nog steeds dezelfde vragen te stellen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw courant waren: hebben vrouwen wel een plek aan de perstafel, zijn zij aanwezig bij de redactievergadering, worden ze serieus genomen als collega? Het antwoord op al die vragen is: ja. Dat zou kunnen suggereren dat tegenwoordig geen sprake meer is van ongelijkheid op basis van sekse of gender. Het tegenovergestelde is helaas het geval. In de hele nieuwsindustrie is anno 2017 nog steeds sprake van een glazen plafond, een loonkloof, seksisme op de werkvloer en een draaideur-effect. Het werk van een aparte belangenorganisatie voor vrouwelijke journalisten is juist van groot belang – vooral nu de meerderheid van alle nieuwe journalisten vrouw is.

Vrouwen zijn in de beeldvorming nog altijd ondervertegenwoordigd. Ook de meest recente inhoudsanalyses tonen consequent aan dat vrouwen in verhouding met mannen minder zichtbaar zijn in het nieuws. Daarbij zijn vrouwen vooral te zien in ‘zachte’ nieuwsthema’s zoals cultuur en welzijn, terwijl ze consequent minder het woord krijgen bij dominante journalistieke thema’s zoals politiek en economie. Eind 2016 deed masterstudente Melanie Zierse een inhoudsanalyse bij het NOS Journaal en bij RTL Nieuws. Ruim driekwart van de items werden gepresenteerd door mannelijke verslaggevers, daarbij in respectievelijk 65 en 71 procent van de items gebruik makend van mannelijke bronnen.

Geconfronteerd met de resultaten van haar onderzoek reageerden de RTL-redacteuren verrast. “Op de redacties wordt bijna nooit gesproken over de scheve verhoudingen bij verslaggevers en bronnen. Het wordt niet als probleem gezien,” concludeert de onderzoeker. Ook in journalistieke talkshows op de Nederlandse televisie ontbreken vrouwen. Onderzoeksbureau Motivaction analyseerde in 2016 in totaal  164 uitzendingen van De Wereld Draait Door, Pauw afgewisseld met Jinek, Nieuwsuur en RTL Late Night. uit een totaal aantal van 936 tafelgasten was slechts 30 procent vrouw.

Naast deze inhoudelijke verschillen is ook de samenstelling van de beroepsgroep eerder ongelijk dan volwaardig geëmancipeerd. Zo zijn hoofdredacties van de belangrijkste landelijke en regionale nieuwsmedia bijna volledig samengesteld uit (blanke) heren en is de managementlaag van de sector eveneens nagenoeg uitsluitend een herenclub. Ook al neemt het aandeel vrouwen in de journalistieke beroepsgroep gestaag toe, er zijn ook zorgelijke ontwikkelingen als we dieper in de cijfers duiken.

Onderzoek toont aan dat het aandeel vrouwelijke journalisten de laatste decennia aanzienlijk gestegen is. In 1899 was drie procent van alle journalisten in Nederland vrouw en in 1968 was dit vijf procent. Bij de oprichting van de Stichting Vrouw & Media in 1982 was ongeveer tien procent van alle journalisten in Nederland vrouw; in 1993 steeg dat percentage naar 20 en in 1999 maakten vrouwen 34 procent uit van de journalistiek als beroep. Tien jaar later, bij de laatste representatieve telling, bleef dit getal voor het eerst nagenoeg hetzelfde: 35 procent. De vervrouwelijking van de journalistiek zet zich voort, maar vertraagt de laatste jaren daar waar het gaat om redacteuren in vaste dienst.

Bij de meest recente trends is iets interessants aan de hand. In de eerste plaats doet de vervrouwelijking van de journalistiek zich vooral voor onder nieuwkomers: in 1999 was in Nederland de man-vrouw verhouding onder jongere journalisten (jonger dan 35 jaar) precies gelijk; in 2010 was het aandeel vrouwen in deze leeftijdscategorie 62 procent. Van de afgestudeerden van Nederlandse opleidingen journalistiek (zowel HBO als Master) is volgens cijfers van het CBS en enquêtes onder studenten bijna tweederde vrouw. In de serie jaarlijkse surveys van onderzoeksbureau Pyrrhula onder zelfstandigen blijkt dat een vergelijkbare meerderheid van de freelancers jonger dan 35 jaar vrouw is.

Parallel met deze instroom van vooral jonge vrouwen in de journalistiek zijn de arbeidsomstandigheden ingrijpend veranderd. Verreweg de meeste nieuwkomers gaan freelance of in allerlei impermanente constructies (zoals werkervaringsplaatsen, verlengde stages, invalbeurten en op projectbasis) aan de slag. Het beeld van nieuwkomers in de journalistiek als jong, vrouw, hoog opgeleid en zelfstandig werkend sluit aan bij internationaal vergelijkend onderzoek onder journalisten. Vrouwen die in het verleden in de journalistiek - meer dan mannen - kozen (of gedwongen werden te kiezen) voor tijdelijke of anderszins flexibele dienstverbanden zijn nu overwegend werkzaam als zelfstandige.

De positie van freelancers – en daarmee van een grote groep vrouwen - is zorgelijk. Freelancers hebben te maken met grote arbeidsonzekerheid en ongunstige werkvoorwaarden. Onderzoek in binnen- en buitenland toont aan dat freelancers geconfronteerd worden met een hogere werkdruk en een hoger risico op burn-out dan journalisten onder contract. Daarbij zijn de tarieven voor freelancers de laatste tien jaar flink gedaald en bijna de helft van journalistieke zelfstandigen zegt niet of amper rond te kunnen komen van freelance journalistiek werk.

De structurele verschillen tussen mannen en vrouwen – ondanks alle sociale en culturele transformaties van de laatste decennia – blijven niet beperkt tot de representativiteit van de nieuwsinhoud, het management, de redacties en beroepsgroep. Uit een aantal deelstudies tussen 2015 en 2017 van Lisa Koetsenruijter, Marjon op de Woerd, Charlot Verlouw en Hatixhe Raba, die onderzoek deden op de redacties van NRC, Trouw, NOS Journaal, RTL Nieuws en onder freelancers, blijkt dat vrouwen zich – dikwijls onbewust – nog steeds aanpassen aan een van oorsprong mannelijke redactiecultuur.

Wat zij aan de hand van enquêtes, focus-groepen en diepte-interviews vaststellen, is dat journalisten aan de ene kant opmerken dat promotiekansen en redactionele beslissingen niet aan seksisme of discriminatie onderhevig zijn. Eenmaal geconfronteerd met het ontbreken van vrouwen aan de top, onder verslaggevers en als nieuwsbron of expert, wijten vrouwelijke journalisten dit aan zichzelf: ze zouden te weinig ambitie hebben of denken dat ze niet geschikt zijn. Zoals een journaliste opmerkte bij een interview: “Ik ben een keer eerder gevraagd voor een plek in de hoofdredactie. Toen heb ik nee gezegd omdat ik vond dat ik het niet kon.” Dezelfde zelfkritiek wordt toegepast bij de verklaring van de loonkloof tussen mannelijke en vrouwelijke journalisten: vrouwen zouden niet goed zijn in onderhandelingen.

Bij de oorspronkelijke mannelijke redactiecultuur hoorde seksisme jegens vrouwen. Dat soort gedrag is vandaag niet verdwenen: van rokkenjagers en haantjesgedrag op redacties is nog altijd sprake, zo blijkt uit interviews. Seksisme is veelal niet meer zo openlijk. Veel geïnterviewden zeggen in eerste instantie dat ze er zich niks bij kunnen voorstellen. Bij doorvragen blijkt echter dat voornamelijk oudere collega’s nog wel eens opmerkingen maken. “Nou, er zijn wel een paar collega's die heel erg naar je borsten kijken. Dat vind ik een beetje sneu.” Los van dit soort ervaringen merken de geïnterviewde journalisten op dat ze aan de ene kant steeds meer (of zelfs vooral) vrouwen om zich heen zien, maar dat de wereld van de journalistiek daarmee niet verandert: de concurrentie is hoog, salaris en tarieven laag en de werkdruk groot. Vrouwen geven aan dolblij te zijn om in de journalistiek werkzaam te zijn en nemen de ‘mannelijke’ omstandigheden voor lief. Journalistieke omgangs- en werkvormen, conventies, tradities en praktijken komen voort uit een professionele cultuur die tot voor kort gedomineerd en daarmee bepaald werd door mannen, en wordt – getuige bijvoorbeeld de zelfkritiek - geïnternaliseerd.

Doet het er eigenlijk toe wie journalist is? Maakt het uit of de beroepsgroep vrouwen op alle niveaus telt, of er sprake is van evenwicht qua diversiteit in achtergrond, perspectief en traditie? Het antwoord op deze vraag is een volmondig ‘nee’ als bovenstaande condities van de journalistiek niet aantoonbaar ongelijk zouden zijn.



Aanmelden voor de Master Journalistiek en Media


Elk jaar tonen honderden studenten belangstelling voor onze duale masteropleiding Journalistiek en Media (aan de Universiteit van Amsterdam) en melden zich velen (steeds rond de 120) aan. We lezen de dossiers, bespreken de studenten en nodigen ongeveer zestig kandidaten uit voor interviews - uiteindelijk nemen we maximaal 32 mensen aan. Meer info over onze opleiding:



De sollicitatie en selectieprocedure is een nauwgezet proces. De concurrentie is groot, de opleiding intensief - en het aantal banen aan het eind van de rit beperkt, ook al is er werk genoeg in de journalistiek. De vraag is: welke aanmeldingen en dossiers maken de meeste kans om door ons geselecteerd te worden? Hierbij een stappenplan op basis van wat elk jaar weer opvalt.

Allereerst blijkt uit veel sollicitaties een groot gebrek aan kennis en besef over de stand van zaken in de (Nederlandse) journalistiek. Niet alleen vertellen de meeste studenten niet eens wat hen journalistiek inspireert (als in: welke titels, wat voor nieuws, voorbeeld van journalisten/programmamakers), er wordt weinig gereflecteerd op de eigen rol in het journalistieke veld.

We leven in een volledig gemediatiseerde samenleving waarin de journalistiek een cruciale (en zeker niet onproblematische) rol vervult. Het helpt je sollicitatie enorm als je daar al wat gedachten over ontwikkeld hebt. Belangrijke tip: mensen die niet meer over de relatie met journalistiek kunnen vertellen dan dat ze 'graag willen schrijven' (of anderszins schrijven 'zo leuk' vinden) maken geen kans.

Ook zijn er nog steeds sollicitanten die nog helemaal niets aan of met journalistiek hebben gedaan - hetgeen in een tijdperk van Medium, weblogs, YouTube en wat dies meer zij opvallend is. Enige ervaring - opgedaan door zelf uit puur enthousiasme media te maken, door stages te lopen of zelfs al te werken in de journalistiek - is onmisbaar. Dat geldt niet alleen bij de aanmelding en het sollicitatiegesprek, maar ook over je kans van slagen gedurende de opleiding. Onze opleiding is erg intensief, bijna al onze onderwijsvormen hebben het karakter van een redactiewerkplaats of pressure cooker, waarbij je permanent produceert en voortdurend bezig bent het onderste uit de kan te halen. Als je daarvoor alleen nog de collegebanken gewend bent, kan deze overgang zwaar vallen.

Hoewel studies op het gebied van talen, cultuur, media, communicatie en aanverwante thema's waardevol zijn, is het goed te beseffen dat meer dan driekwart van de aanmelders een dergelijk profiel heeft (en daarnaast ook nog eens bijna allemaal in Utrecht of Amsterdam studeerde). De vraag is dus: wat maakt jouw profiel origineel, uitzonderlijk, opmerkelijk?

De journalistiek heeft een diversiteitsprobleem - qua sociale klasse, culturele achtergrond, politieke perspectieven, maatschappelijke ervaring, creativiteit, rolopvattingen - en de oplossing daarvoor ligt voor een wezenlijk deel bij de opleidingen journalistiek. Als je hiervoor iets gedaan hebt in de wereld van kunst, design en theater, of in kunstmatige intelligentie of programmeren, dan wel geneeskunde of landbouw, rechten, business en economie... Prachtig, meld je aan!

Wij zoeken ambitieuze jonge mensen met brede maatschappelijke en wetenschappelijke ervaring, met ijzersterke motivatie en een grote mate van zelfstandigheid, uit verschillende delen van het land en de wereld. We zijn nadrukkelijk op zoek naar diversiteit: in perspectieven, in achtergronden, in opvattingen over de samenleving, in visies op de journalistiek.

Hopelijk informeert en inspireert dit je! Kijk ook zeker naar de andere uitstekende masteropleidingen journalistiek in Nederland, zoals in Groningen, aan de Vrije Universiteit Amsterdam, in Leiden en Rotterdam



Everyone is a Media Organization


Writing in the Columbia Journalism Review, Emily Bell argues that Donald Trump is a media organization.

The new US President's behavior, according to Bell, can best be compared to that of a "loud, competitive, digitally attuned, populist media organization." During the campaign, numerous media outlets, pundits and commentators suggested that the key motive for Trump to be running for President was to set up his own media empire afterwards.

This may all be true, but it perhaps fails to grasp the significance of the near-complete mediatization of the lifeworld of everyone - not just high-profile people like Donald Trump. We do not live with media anymore - we live in media (and have been for quite a while now).

In media life, everyone is a media organization.

In order to effectively participate in society, we constantly have to market and upgrade ourselves - we have become commodities. In media, we are products catching the attention and attracting demand and customers on a global marketplace where we are "simultaneously, promoters of commodities and the commodities they promote” (Zygmunt Bauman in Consuming Life, page 6). No consumer unless a commodity. And the only way to be successful as a commodity, we have to perform upgraded versions of ourselves in perpetuity - in media.

Our homes become mediatized and mediated through AirBnB, our cars via Uber, our bodies through Tinder, our skills with Amazon Mechanical Turk. We publicize the music we listen to via Spotify, the people we talk to through Facebook's news feed, the information we ingest on Twitter and Tumblr, the things we see on Instagram, and the places we visit by checking in - everywhere. 

In doing so - whether voluntary or not - we participate in a near-perfect Panoptic prison, where omnoptic surveillance (Bauman would say: Liquid Surveillance) as everyone monitors everyone else is the benchmark for being.
We are all media organizations.

The thing is, Trump is just one of billions of media. And, like all of us, his spot in the flashlights is all too temporary. Sure, he can do more damage than most of us. But we all have Communication Power too. The question is not how to fight this, to unplug, or to surrender. At issue is how we will be (in) media both ethically and aesthetically.

For me, this is a renewed take on media literacy - one where we learn to love media, to come to terms with our desires and passions in media, and make sure those feelings contribute to a better, more just world.

One way to do so is to become a zombie (or embrace the fact that we already are), that is:

- Stop caring (and telling stories about) yourself, but focus on the collective, the social.

- Stop looking at society in terms of categories (such as used in the census) in order to compare and contrast, instead consider each other in terms of similarity, remixed and remixable.


- Embrace your passions (just let no authority, whether economic or political, ever exploit you for doing what you love) while accepting they may lead to nothing. Perhaps they are truly worthwhile only of they lead to nothing.


This is what zombies do: they do not care about categories - there are no distinctions between young and old zombies, black or white zombies, rich or poor zombies. Heck, zombies do not even recognize leaders or hierarchies. Zombies have a unique kind of zombie sociality, where they both are in it for themselves yet always seek out others to tag along and team up with. And finally: zombies are undeniably passionately driven at what they do. And when they are done and have won - zombies will always win out in the end - what do they do? Nothing. 

The solution for a world where we are all media organizations now is not an all-out war against fake news, post-truth politics, and fact-free journalism. Sure, all of these wars are noble endeavors.

However, our reality is now a media reality - one that we are all authors of. So perhaps it is not so much a renewed reliance on society's expert truth-tellers (such as quality news media, librarians and educators) that we should strive for, but rather a particular set of skills (that we should acquire and hone over a long career) that make us a nightmare to people like Donald Trump: skills to tell different, and better stories.


Advies voor Eerstejaars Studenten

[in Dutch] Graag commentaar en feedback op het volgende... Dit wil ik opnemen in mijn eerstejaars-syllabus. Een en ander is geïnspireerd door filosoof Keith Parsons' essay "Message to My Freshman Students" op Huffington Post.

Binnenkort begint het collegejaar weer. Voor veel studenten is dit de eerste kennismaking met het studeren aan een universiteit na de middelbare school. De ervaring van een universitaire studie is in veel opzichten radicaal anders. Daarom hiereen paar opmerkingen over zaken die belangrijk zijn voor het succes van een student aan de universiteit:

• Op de universiteit werken geen leraren, maar (universitair) docenten en hoogleraren. Het is niet hun taak studenten te vertellen wat ze precies moeten doen om een voldoende te halen, wel om je te helpen kritische vaardigheden te ontwikkelen om zelf aan de slag te gaan met kennis, onderzoek en analyses.

• Een academische docent is er om je te begeleiden op weg naar het ontdekken en je eigen maken van kennis en inzichten. Vaak wordt je daarbij geconfronteerd met verschillende en tegenstrijdige visies op hetzelfde onderwerp of thema. Verwacht niet dat je uitsluitsel krijgt over de enige ‘juiste’ opvatting – want die bestaat niet.

• Het doel van een universitaire studie is dat je, aan het eind van de rit (dat kan een vak zijn, een module of een diploma) in staat bent zelfstandige analyses te ontwikkelen op basis van gedegen literatuurkennis en eigen onderzoek.

• Wat je zelf doet bepaalt in grote mate je succes op de universiteit. Het staat je helemaal vrij colleges te gebruiken om bij te slapen, je tijd te besteden aan chatten en texten met vrienden of te surfen naar sociale media. Sterker nog: je hoeft helemaal niet op te dagen. Punt is: jij bent als enige verantwoordelijk voor je succes op de universiteit. Zorg voor structuur in de manier waarop je met je studie om gaat en aarzel niet om hulp te vragen (van tutoren, docenten en mede-studenten) als dit lastig voor je is.

• Op school was je onderdeel van een min of meer hechte gemeenschap die je elke dag weer tegen kwam. De universiteit is daarentegen een nogal anonieme en soms zelfs nogal kille leeromgeving, waarin je makkelijk kunt verdwijnen of verzuipen. De beste manier om daarmee om te gaan is om actief mensen te leren kennen: de studenten om je heen tijdens colleges, de docenten die het onderwijs verzorgen, en de tutoren die er zijn om je studievoortgang met je te bespreken. Maak afspraken, vertel wat je bezig houdt en stel vragen. Word lid van een studievereniging of richt er zelf een op. Als je Mediastudies doet, zoek studenten op waarmee je samen media kunt maken - dat is de beste en snelste manier om te leren wat zo bijzonder en mooi aan media is.

• Een paar handige tips voor hoorcolleges, waarvan je er veel zult meemaken de komende jaren (ook al beweren talloze experts dat het tijdperk van het hoorcollege voorbij is): lees je in voordat je gaat; maak kritische notities en stel vragen; doe mee aan groepsdiscussies; ga naar het spreekuur van de docent, ook als je denkt dat alles gesmeerd loopt; praat over wat je hoort en leert met je vrienden; en voor alles: stel nog meer vragen.

• Tot slot: kiezen voor een studierichting die lijkt te leiden tot een snel diploma en een goed verdienende baan lijkt logisch, maar werkt in de prakijk niet. De economie is wispelturig, de banenmarkt grillig; de universiteit is daarentegen ouderwets traditioneel. Studeer niet wat je denkt te moeten leren voor een baan, studeer niet wat je ouders zeggen dat je moet leren – studeer iets waarvan je enthousiast, blij en gelukkig wordt. Dan zijn alle opmerkingen hiervoor overbodig.

Journalistiek en Diversiteit

Journalistiek en Diversiteit

Inleiding voor het symposium 2015 van de UvA master Journalistiek en Media.

“Alle nieuwsmakers lijken op elkaar” kopte NRC Handelsblad op 3 februari 2015. Die kop klopt.

In 2000 had 2% van alle journalisten in Nederland een migrantenachtergrond. Bij de laatste telling, uit 2010, was dat percentage hetzelfde. Op dit moment is 35% van de journalisten vrouw en dat percentage was tien jaar geleden nagenoeg identiek: 34%. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist in 2010 was 50 jaar, ten opzichte van 42 jaar tien jaar daarvoor. In 2000 omschreef een overgrote meerderheid van journalisten (79%) zichzelf politiek gezien als ‘links’ dan wel ‘links van het midden’ (ten opzichte van 1% die zich ‘rechts’ noemde), welke percentages in 2010 niet wezenlijk verschilden (respectievelijk 70% om 2%).

Wat vooral opvalt in deze cijfers is het gegeven, dat de samenstelling van de journalistieke beroepsgroep niet wezenlijk verandert, ondanks bijvoorbeeld het gegeven dat er steeds meer allochtonen een journalistenopleiding hebben (5% van de afgestudeerden in 2013), vrouwen op deze opleidingen sinds het begin van deze eeuw tenminste twee derde van de studentenpopulatie vormen en dat jongeren er een hele gemiddelde politieke oriëntatie op nahouden.

Een belangrijke verklaring voor de stagnatie van de groei van bijvoorbeeld vrouwen en allochtonen in de journalistiek gedurende de jaren negentig (in 1993 was 20% vrouw en registreerden onderzoekers geen allochtone journalisten) is de economisch precaire positie van de journalistiek aan de ene kant en een verhoogde drempel om het beroep binnen te treden aan de andere kant. Sinds het begin van deze eeuw kenmerkt de nieuwsindustrie zich vooral door een niet aflatende reeks (massa-) ontslagen, vacaturestops en redactionele bezuinigingen. De helft van alle journalisten in Nederland werkt inmiddels als zelfstandige (ten opzichte van 21% in 2000). 

Vroeger kon iedereen journalist worden; je leerde het vak op de redactie. Op zich kan dat nog steeds – het vak kent geen formele toegangseis. In de praktijk is een beroepsopleiding tegenwoordig een minimale vereiste en letten werkgevers – vooral bij de landelijke media – op het diploma van een afgeronde master. De studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is qua tijdsduur ingekort of wordt omgezet in een lening. 

Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als zelfstandige journalist. Uit onderzoek van de beroepsorganisaties (NVJ, Lira, FLA en FF) in 2013 blijkt dat de tarieven voor freelancers sinds 2003 structureel gedaald zijn. Bijna de helft van de Nederlandse zelfstandigen is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon

Op sommige redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro netto per maand (van 2015 tot 2016 kunnen maximaal 100 journalisten gebruik maken van een ‘kennismakingsregeling’ bij dagbladen, publieks- en opiniebladen en vaktijdschriften tegen een vergoeding van ongeveer 2.100 Euro bruto per maand). 

Door deze ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds meer een beroep dat je je moet kunnen veroorloven.
In de hele mediasector, inclusief de journalistiek, is ‘wie je kent’ op z’n minst net zo belangrijk als ‘wat je kunt’ daar waar het gaat om het verkrijgen van werk of opdrachten. Het hebben en onderhouden van een persoonlijk netwerk met contacten in de journalistiek vereist actieve deelname aan (en ervaring met) voornamelijk witte, mannelijke bolwerken. 

Ook studies naar het bronnengebruik van journalisten en de samenstelling van opiniemakers in de nieuwsmedia (zoals panelleden, columnisten en hoofdredacties) tonen een groep van bijna uitsluitend witte mannen van rond de vijftig, afkomstig uit dezelfde hoogopgeleide maatschappelijke middenklasse.

De conclusie lijkt hiermee gerechtvaardigd dat de Nederlandse journalistiek, daar waar het gaat om diversiteit op het gebied van leeftijd, gender, etniciteit, maatschappelijke klasse en politieke voorkeur niet alleen weinig divers is, maar dat dit gebrek aan diversiteit over tijd structureel blijft. Dit ondanks het gegeven dat de Nederlandse samenleving steeds meer divers en gelijk wordt als het bijvoorbeeld gaat om de doorstroom van vrouwen in van oudsher door mannen gedomineerde beroepsgroepen, het stijgende opleidingsniveau van allochtone jongens en (vooral) meisjes, en het stemgedrag van de gemiddelde Nederlander.

De vraag is, of de discrepantie tussen journalistiek en samenleving belangrijk is. Als journalisten zich committeren hun werk professioneel en neutraal te doen zou het er niet toe doen wie journalist is. Los daarvan is er niet zoiets als ‘de’ journalistiek; de Nederlandse mediamarkt bestaat uit een steeds toenemende veelheid aan titels, omroepen en platformen, waarbij nagenoeg elke doelgroep en niche effectief bediend wordt. Met hooguit de publieke omroep als uitzondering heeft geen enkel nieuwsmedium de opdracht om nieuws te maken voor (of door) iedereen. 

In de praktijk maakt het wel degelijk uit wie het nieuws maakt. Onderzoek naar de berichtgeving in Nederlandse en Vlaamse dagbladen en op televisie over minderheden toont ondubbelzinnig aan dat deze bevolkingsgroepen weliswaar in het nieuws voorkomen, maar dan veelal op een stereotyperende wijze: hetzij in de context van problemen (zoals criminaliteit, werkloosheid en verondersteld onevenredig gebruik van sociale voorzieningen), dan wel in het kader van nieuws over feestdagen, klederdracht, voedsel, lifestyle en anderszins schouwspelachtige observaties die uit gaan van hoe ‘wij’ (dat wil zeggen: de maatschappelijk dominante groep) kijken naar ‘zij’ (iedereen die van deze sociale norm afwijkt). 

Het gebrek aan diversiteit in de journalistiek raakt ook aan de beroepsopvattingen van journalisten, aangezien de meerderheid van de journalisten in Nederland buitengewoon ambitieus is in de visie op het vak. Maar liefst 94% van Nederlandse journalisten vindt het vertalen van ingewikkelde informatie voor het publiek (zeer) belangrijk voor hun werk, net zoals dat 80% het ontwikkelen van maatschappelijke belangstelling bij het publiek een wezenlijk aspect van het journalistieke werk acht. In de praktijk lijken deze bewonderenswaardige ambities niet aan de sluiten bij de manier waarop de journalistiek daadwerkelijk om gaat met het publiek. 

Los van de beroepsambitie van journalisten verwacht de samenleving van alles van de journalistiek. Onderzoek naar wat het publiek precies wil van de journalistiek is net zo schaars als onderzoek naar de diversiteit onder journalisten, maar wat we weten is dat de gemiddelde burger over het algemeen naar andere genres en onderwerpen op zoek is dan de journalist. Onderzoek naar de verschillen in nieuwsvoorkeuren van journalisten en dagbladlezers in zeven landen (Mexico, Argentinië, Brazilië, Duitsland, Engeland, Spanje en de Verenigde Staten) suggereert bijvoorbeeld dat er een heuse ‘nieuwskloof’ bestaat. 

Waar journalisten liefst lange stukken schrijven over de politiek, internationale relaties en de economie, wil het publiek liefst korte en bondige artikelen over wat speelt hun directe leefomgeving. Onder jongeren in Nederland bestaat een vergelijkbare voorliefde voor ‘snacknieuws’: korte overzichten waarin in één oogopslag het belangrijkste nieuws te zien is. Volgens recent onderzoek waarderen Nederlandse jongeren langere verhalen en achtergronden alleen als het gaat om persoonlijke verhalen van mensen. 

Zo ontstaat een beeld van de journalistiek als beroep waarin min of meer dezelfde soort mensen met goede bedoelingen en hoge ambities hard werken om verslag te doen over een samenleving waar ze steeds minder met beide benen in staat. De aansluiting tussen journalistiek en samenleving loopt scheef.

Tot slot een enkele opmerking over wat we aan deze situatie zou kunnen doen – als we het er over eens worden over de eventuele noodzaak om de journalistiek beter aan te laten sluiten bij de samenleving. Los van de economische realiteit van de journalistiek vallen de oplossingen uiteen in drie delen: kennis, representatie en verantwoordelijkheid.

Op het gebied van kennis is het essentieel dat we meer van elkaar te weten (willen) komen. Wat weet de journalist van de Islam? Van wat het betekent om als alleenstaande moeder rond te komen van een minimumloon? Van hoe ouderen deelnemen aan onze samenleving? 

Op het gebied van representatie moet er stelselmatig aandacht zijn voor de manier waarop zowel beroepsopleidingen als mediabedrijven mensen uitnodigen en selecteren. Hoe kleurenblind zijn onze kwaliteits- en selectiecriteria? Hoe serieus nemen we kandidaten die niet lijken op onszelf dan wel op de meesten van onze collega’s? Hoe begeleiden we nieuwkomers en hoeveel ruimte is er in de klas of op de redactie voor andersdenkenden? 

Daarnaast moet de samenstelling van nieuwsbronnen en nieuwsselectie een onderwerp van voortdurende kritische (zelf-)beschouwing zijn. Wie wordt uitgesloten, welke stemmen worden niet gehoord, hoezeer leunen we als beroepsgroep op steeds dezelfde kaartenbak met namen en nummers? 

Tot slot, op het gebied van sociale verantwoordelijkheid, is het zaak elkaar steevast aan te spreken op onze maatschappelijke rol. Als we er samen vanuit gaan dat de onafhankelijke kwaliteitsjournalistiek een fundamentele rol als waakhond van onze democratie te spelen heeft, moeten we nooit aarzelen om elkaar als journalisten dan wel de journalistiek als publiek daarop aan te spreken.


Comments for Debate on the Media and the Charlie Hebdo Murders

On Tuesday February 10 (2015) I will participate in a debate with researchers Marieke de Goede, Francesco Ragazzi, Jolle Demmers, and Julien Jeandesboz to discuss the role of the media, Islamophobia and the temptation of vigilantism in Europe in the aftermath of murders at Charlie Hebdo in Paris on January 7th of 2015. The debate takes place at SPUI25 in downtown Amsterdam, The Netherlands (this is a debate center operated by the University of Amsterdam).

My contribution to this debate focuses on two particular issues: the attacks on journalists as exemplary of the mediatization of society, and the problems  white, middle-class Western news media have covering an increasingly diverse, complex global culture in their societies. 


The Charlie Hebdo attacks signal the significance of singling out media in general, and individual media professionals in particular, as victims. See also the horrific beheading videos featuring freelance journalists by jihadist groups (since 2002). This fits in a broader 'mediatization' of society, where media as institutions have become central to the way we live our lives and, in particular, how we see ourselves and each other live. As Zygmunt Bauman commented after the Hebdo attacks: "In our media-dominated information society people employed in constructing and distributing information moved or have been moved to the centre of the scene on which the drama of human coexistence is staged and seen to be played."

A second observation deals specifically with the role of journalists covering such events: the problems western media have effectively (and with nuance and credibility) covering topics such as religion (in general, Islam in particular), minorities, migration, and class struggle. As a report by the Dutch NRC Handelsblad on February 3, 2015 showed, Dutch newsrooms employ almost no minority reporters and are otherwise extremely homogeneous, failing to address and reflect the complexities of today's society.


Looking forward to the debate and seeing you there.

Als Niemand Meer Luistert


Op donderdag 12 februari 2015 mag ik de jaarlijkse Van Markenlezing uitspreken. Deze eervolle gelegenheid wordt georganiseerd door Logeion, de beroepsorganisatie voor communicatieprofessionals in Nederland.

Deze lezing wil ik graag aangrijpen om een aantal onderzoekslijnen uit mijn werk in het heden en verleden bij elkaar te brengen, met name de idee van ons leven in media en het management van mediawerk.

Ook al ben ik al sinds 2007 bezig met het Media Life project, juist in onze hedendaagse tijd zien we hoe ons leven zich in, en niet met, media af speelt. Zoals Zygmunt Bauman het onlangs stelde, het is geen toeval dat juist mediawerkers tegenwoordig het doelwit zijn van terroristen - zoals bij de misselijkmakende onthoofdingen van freelance journalisten in Syrië en de moorden op redacteuren van een satirisch magazine in Frankrijk. In de woorden van Bauman:
"In our media-dominated information society people employed in constructing and distributing information moved or have been moved to the centre of the scene on which the drama of human coexistence is staged and seen to be played."
Met deze uitspraak en de recente gebeurtenissen in Parijs zal mijn Van Markenlezing beginnen. Waar ik de lezing ook voor zal gebruiken, is om de eerste, weliswaar zeer prille, resultaten te presenteren van een grootschalig onderzoek dat ik samen met collega Tamara Witschge (Universiteit Groningen) en studenten van de masteropleiding Journalistiek van de Universiteit van Amsterdam uitvoer.

Dit onderzoek richt zich middels een uitgebreide serie van case studies op nieuwe ondernemingsvormen in de journalistiek en media. We werken daarbij ook samen met het MultipleJournalism.org project van Bregtje van der Haak (VPRO Tegenlicht). Voor de Van Markenlezing zal ik de eerste resultaten presenteren van case studies naar bijzondere journalistieke startups in Nederland, Frankrijk, Italië, Colombia, Brazilië, Iran en de Verenigde Staten.

Op basis van deze combinatie van projecten, nieuw onderzoeksmateriaal en laatste inzichten hoop ik iets zinnigs te kunnen zeggen over de overlevingsstrategie voor mensen (die zenden) in de journalistiek, media en communicatie in een samenleving waarin niemand meer luistert.

De lezing is open toegankelijk (ook al zit er een stevig prijskaartje aan vast), donderdag 12 februari 2015 van 15:00 uur tot 18:00 uur in De Nieuwe Energie te Leiden. De organisatie belooft vuurwerk; ik beloof kruit, lont en lucifers. 

The Journalistic Drama


The Journalistic Drama 
English version (translated by Simon van Woerden)
This essay has been edited and updated from the original Dutchversion which appeared Saturday, December 27th, 2014 in the Dutch daily newspaper NRC Handelsblad. In this op-ed piece I discuss the case of Perdiep Ramesar, a journalist of another Dutch Daily, Trouw, who was laid off in November after his colleagues and an external review board found that in at least 10% of his stories sources were unverifiable. This unfortunate incident – quite similar to the situation The New York Times faced in 2003 when Jayson Blair resigned over plagiarizing and faking some of his stories. In my opinion editorial I put the Ramesar case in a broad social context: namely that of journalism as an almost exclusively 'white' profession in an otherwise colorful multicultural society.

The opinion editor of the NRC had requested the piece earlier in the week - asking for my thoughts on the problematic issue of diversity within journalism (something I myself had hinted at in an interview with Trouw on 22 December).

In brief, my opinion - which I render below in the version I originally submitted, translated and slightly edited by freelance reporter Simon van Woerden - considers journalists as well-meaning, hard-working and ambitious professionals - functioning within a journalism that is the domain of a limited social elite, who by their own homogeneity no longer thoroughly criticize themselves and each other. This is mainly reflected in the often spasmodic way journalism deals with the multicultural society - both in the newsroom and in the news. In this manner I attempt to raise the issue of privilege, as obtained by socioeconomic class (within which white skin color is a form of capital). This was not to attack journalists, but to remind them of their social responsibility. Awareness can lead to useful self-criticism and more empathy for others - be it a colleague or a news source.

The many reactions to this piece, which came via email, my blog (where the piece got over two thousand hits), Facebook, and Twitter, can be divided into two groups. On one hand there were those who stated enthusiastically that all this finally needed to be told, it was "heartfelt", "striking", "clear" and "very strong." On the other hand, I received responses, generally from (white, male) working journalists, who accused me of writing "colossal crap", "nonsense", "bullshit" and "bar banter."

These strong responses point to the still going strong success of an opinion section of a newspaper: it gives people the opportunity to stake their claim in a high-profile debate. On the other hand it is a pity that people do not look for arguments and evidence in the content, but directly move to battle positions. That's understandable - and as the author of a newspaper article, I am also not so naive to think that I could effectively encapsulate in 800 words an uncomfortable analysis pointing people to their privileged context.

Apart from this, I should, if I respect the implications of my own analysis, note that these reactions would not have existed - or would have been quite different - if I were someone other than the highly educated old white guy I am. The question is even if I had not been that old, white man, would I have been asked to write the piece? I may have a say now, because of my position in the field and the capital that comes with it. My field, the university, is of course also a domain that is not exactly burdened with a wealth of diversity.

Many critical comments on my article took issue with my characterization of journalists as being part of the 'upper class' or an 'elite' within society. That sounds simplistic (and indeed it is - it is after all a newspaper op-ed, not a scholarly publication). Why is this characterization still correct? First of all, by 'upper middle class' I mean to say that journalists are part of a "professional-managerial class" as elaborated in the studies of Andre Gorz and Barbara and John Ehrenreich. This class is similar to the top layer of society: highly educated, shaped by (and giving shape to) the dominant culture, in terms of values and expectations of self-realization and achievement belonging to the middle class. At the same time, these professionals also have one foot in the working class because they themselves have no control over the means of production of the industry in which they work. Access to this class is open in theory - these are professions where often no formal barriers to entry exist, or to which the entrance requirement seems neutral (such as obtaining a degree in a program for which student grants and loans are available): journalism, science, education, the arts, film and television, the advertising world.

In practice, for the creative industries in general, work in the media in particular and journalism even more specifically, it holds true that these occupations have become less and less accessible over the past twenty years. Previously, these modes of work were already fairly exclusive - until the beginning of the nineties of the twentieth century they were all sectors dominated by white men. This changed later on: there was more space for women, and later for journalists with minority backgrounds. Through the coalescence of several factors - technological innovation, commercial decline, a defensive management culture and the emergence of university level master's degrees as an alternative to the journalistic trade schools - this progression has now come to a halt. The growth of women and minorities in the creative industries has stagnated. Permanent jobs have almost disappeared from the profession, and generally unpaid internships and other forms of free labor now determine access.

All this is accompanied by rising cost of entry into journalism: a trade school diploma is a bare minimum - for jobs in the national quality newsmedia, in practice a high-level university education is required. Student grants have been uniformly cut, their duration has been shortened and they have been converted into loans (in The Netherlands these did not used to be loans, unlike in many other countrie. The vast majority of newcomers in the profession start as a freelancer or otherwise independent journalist. For them, tariffs have declined structurally over the past decade. In The Netherlands in particular, almost half of freelancer journalists depend on the income of their partner, and 60% have monthly earnings well below the minimum wage. Newsrooms are still creating positions, but more often than not these  are temporary structures designed as more or less informal internships, often with little or no pay (particularly in broadcasting and new media). These developments are not unique to journalism. In the US, where I worked from 2003 to 2013, most students andnewcomers (in journalism and other professions) have not been paid a dime for their internships - while an internship is virtually the only way to enter the profession.
These developments makes journalism less accessible to everyone. In fact, it is now the playing field of a wealthy class: those who can afford to work for years or even for the majority of their careers below or around the minimum wage; those who, as a young person, can maintain themselves on an income of a few hundred Euros/Dollars per month (while living and working in the largest and therefore most expensive cities, as this is where the main news media organizations are located).

In my earlier studies among media professionals in journalism, advertising, film,television and video games in countries as varied as the United States, South Africa and New Zealand, I noticed something that I now see in Dutch journalism: journalists are increasingly being exploited by an industry that no longer invests in them. Access to the profession is thus becoming more exclusive. It is becoming impossible, particularly for people in the lower socioeconomic echelons of society, to participate in such professions. In England and elsewhere, this "elitism in the professions" is a source of justified concern about decreasing social mobility in society. Worldwide, we also know this phenomenon from the pioneering work of the French economist Thomas Piketty.

In my op-ed piece I attempt to put this social inequality on the map as a macro level context for the Ramesar affair, besides micro level factors (personal considerations and motives) and meso level factors (editorial context). Please contact me if you are interested in the original data sources for my arguments (see also the links under the original Dutch version of this blog).

Op-Ed for NRC Handelsblad (December 27, 2014)

The dismissal of journalist Perdiep Ramesar from Dutch daily newspaper Trouw caused substantial turmoil in Dutch journalism. For years Ramesar wrote stories about the multicultural society based on fabricated sources. Colleagues had suspicions, but did nothing. Guidance was lacking, supervisors alternated rapidly. Besides personal circumstances of the journalist in question which remain inscrutable for now (as he has refused to speak out on the matter), the context of this scandal points to a both classic and dramatic problem for journalism.

On Monday, November 10th, 2014, journalist Perdiep Ramesar was fired from newspaper Trouw after an internal investigation by the editorial board showed that he had regularly committed a cardinal sin of journalism: using fake sources. An external inquiry was set up which committee presented its report on December 10. It confirmed what editors already suspected: a substantial portion of Ramesar's stories could not be verified. On the sidelines of his dismissal and the publication of the investigation report there were immediate references to his Hindu background - although not as a cause of his behavior, but as an explanation of the way his articles and his presence in the newsroom were handled.

In an exemplary reaction, the Green (GroenLinks) politician Tofik Dibi bloggedon December 22 that the twofold explanation for the scandal can be found in the enormous need of Dutch news media for "juicy stories about the multicultural society", and in the fact that Dutch media have an overwhelmingly white editorial staff.

Dibi is right: newsrooms in the Netherlands are white. Representative studies among journalists in the Netherlands show that two percent of staff are of immigrant origin (compared to twenty percent in Dutch society). Less than four percent of all graduating students of journalism in the Netherlands have a non-western background. End of story - or so it seems: there is little or no diversity in the media, forcing the handful of minority colleagues into the almost impossible position of carrying the burden of representation for the entire multicultural society.

However important, the concern for the extremely low number of minority journalists working in Dutch newsrooms represents a limited view on diversity. It uses a mirror principle: the assumption that a newsroom with a composition similar to that of society necessarily produces more diverse news. Although a more diverse editorial staff is indeed necessary when it comes to daily confrontations with diversity, research invariably suggests that a news organization's culture has a much stronger impact on news values and selection processes than whether or not there are minorities such as women, young people or people with minority backgrounds present. This begs the question: what is really going on at Trouw and in journalism at large? How is such a uniform and one-sided culture maintained in a profession that otherwise claims to work in the service of the public? The answer: journalism is (just like other professions in the creative industries, including science) the domain of a relatively small social elite - people who can afford to choose a career in journalism.

At present, editorial vacancies are mostly filled by hiring people on extended internships and work experience contracts for a minimal fee, and by creating temporary contracts (from several months to a year) with no reasonable prospect of a permanent position. The proportion of freelancers in The Netherlands has risen from 13 percent in 1993 to about half of all newsworkers in 2013. Recent research by the Dutch Association of Journalists ("Nederlandse Vereniging voor Journalisten" or NVJ) shows that rates for freelancers have fallen sharply across the board over the last decade. More than half of the independent journalists earn less than minimum wage, according to the Social Economic Council ("Sociaal Economische Raad" or SER).

Newsrooms are furthermore experiencing an accelrating dynamic of reorganizations and reshuffling, buyouts and layoffs, new owners and managers, innovations and budget cuts. No position remains unaffected, people throughout the organization feel the uncertainty about the future. Partly because of this, the profession (much like the arts and the creative industries generally) has become accessible only to highly educated people with their own sources of wealth, rich parents, and no family or friends to take care of.

Just as in society as a whole, the real tragedy that affects journalism is one of rich versus poor: the profession is the playground of a wealthy class of people that share the same above average socioeconomic status. In such a context, no one effectively scrutinizes each other - not in the least because people tend to steer clear from fundamental self-critique. This is evident from the study on the culture of the newsroom at the Trouw newspaper where Ramesar worked: there was "no tradition of deeply questioning each other", and the culture was characterized as ranging "from credulous and obedient to indifferent and apathetic" (quotes directly taken and translated from the formal external report). This, and the exceptional position of a minorty reporters in a completely white newsroom, meant that no one was fundamentally debating one another. And that is exactly what is at stake when one speaks of diversity: not neatly reflecting a mirror of society, but actively experience and perceive the (wonderful) messiness of diversity. Not only in the streets of particular neighbourhoods (poorer communities often formed the decor for the articles leading to Ramesar's demise), but everywhere - including inside the newsroom. 


Het Journalistieke Drama


Op zaterdag 27 december 2014 publiceerde het NRC Handelsblad een kort essay van mij, waarin ik de affaire rondom voormalig Trouw-journalist Perdiep Ramesar in een brede maatschappelijke context plaats - namelijk die van de journalistiek als een nagenoeg exclusief 'wit' beroep in een anderszins kleurrijke, multiculturele samenleving.

De opinieredactie van het NRC had mij eerder die week om het stuk gevraagd - met het verzoek iets meer te zeggen over het probleem dat de journalistiek heeft met diversiteit (zoiets had ik zelf eerder gesuggereerd in een interview met Trouw op 22 december).

In mijn opinie - die ik hieronder in de door mij ingeleverde versie weer geef - stel ik in het kort dat journalisten goedbedoelende, hardwerkende en ambitieuze professionals zijn... maar dat de journalistiek ook het domein van een beperkte maatschappelijke elite is die door de eigen homogeniteit zichzelf en elkaar de maat niet meer neemt. Dit komt vooral tot uitdrukking in de veelal krampachtige manier waarop met de multiculturele samenleving wordt omgegaan - zowel binnen de redactie als in het nieuws. Hiermee wilde ik privilege, zoals verkregen door sociaaleconomische klasse (waarbinnen de blanke huidskleur een vorm van kapitaal is), aan de orde stellen. Dit niet om journalisten aan te vallen, maar om hen te wijzen op hun sociale verantwoordelijkheid. Ik denk dat bewustwording kan leiden tot nuttige zelfkritiek en meer empathie voor de medemens - of dat nu een collega of een nieuwsbron is.

De reacties op dit stuk, welke binnenkwamen via e-mail, Twitter en Facebook, vielen uiteen in twee groepen. Aan de ene kant stonden zij, die enthousiast stelden dat dit alles eindelijk eens gezegd moest worden, het was "uit het hart gegrepen", "treffend", "helder" en zelfs "ijzersterk." Aan de andere kant kreeg ik respons van vooral werkende journalisten die mij verweten van het schrijven van "kolossale kletsika", "onzin", "lulkoek" en "borrelpraat."

Aan de ene kant wijst dit op het succes van een opiniebijlage van een krant: het biedt mensen iets om nadrukkelijk stelling in te nemen. Aan de andere kant is het jammer dat mensen niet inhoudelijk doordenken over argumenten en bewijzen, maar direct naar meningsvorming doorschieten. Dat is te begrijpen - en als schrijver van een stukje in de krant ben ik ook niet zo naïef om te denken dat ik een ongemakkelijke analyse zoals mensen wijzen op hun geprivilegieerde context effectief kan vervatten in 800 woorden.

Los hiervan moet ik, als ik de implicaties van mijn eigen analyse respecteer, ook vaststellen dat deze reacties er niet waren geweest - of nadrukkelijk anders zouden zijn - als ik iemand anders zou zijn dan de hoogopgeleide oude witte man die ik ben. De vraag is zelfs, of ik als ik niet oud, wit en man zou zijn überhaupt voor een opiniebijdrage in het NRC gevraagd zou zijn... Ik mag meepraten vanwege mijn positie in het veld en het kapitaal dat daarmee gepaard gaat. Mijn veld, de wetenschap, is ook een domein dat niet bepaald gebukt gaat onder een weelde van verscheidenheid.

Waar de kritische reacties over struikelden, was mijn typering van journalisten als zijnde een 'gegoede klasse' dan wel een 'elite' in de maatschappij. Dat klinkt ongenuanceerd (en dat is het ook - het is tenslotte een opiniebijdrage in een dagblad, geen wetenschappelijke publicatie). Waarom is deze typering toch juist? Allereerst bedoel ik met 'gegoede klasse' dat journalisten onderdeel uitmaken van een "professional-managerial class" zoals uitgewerkt in de studies van André Gorz en Barbara en John Ehrenreich. Deze klasse lijkt in veel opzichten op de toplaag van de samenleving: hoogopgeleid, onderdeel uitmakend van de dominante cultuur, qua waarden en normen behorend bij de middenklasse. Tegelijkertijd staan deze professionals ook met één been in de arbeidersklasse, omdat ze zelf geen controle hebben over de bedrijfstak waarbinnen ze werkzaam zijn. Toegang tot deze klasse is veelal open in theorie - het gaat om beroepen waar veelal geen formele toegangseis voor bestaat, of waarvoor de toegangseis neutraal lijkt (zoals het behalen van een diploma bij een opleiding waarvoor studiefinanciering beschikbaar is): de journalistiek, de wetenschap, het onderwijs, de kunsten, film en televisie, de reclamewereld.

Voor de creatieve industrie in het algemeen, werk in de media in het bijzonder en specifiek voor de journalistiek geldt, dat deze beroepen de afgelopen twintig jaar in de praktijk steeds minder toegankelijk zijn geworden. Vroeger waren dit al tamelijk exclusieve vormen van arbeid - tot aan het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw waren dit allemaal sectoren gedomineerd door witte mannen (voor de journalistiek, zie hiervoor de studie "Voor zover plaats aan de perstafel" uit 1986). Dat veranderde daarna: er kwam meer ruimte voor vrouwen en later zelfs voor allochtone journalisten (zie mijn eigen onderzoek onder allochtone journalisten uit 2002). Door een samenloop van omstandigheden - technologische innovatie, economische achteruitgang, een defensieve managementcultuur en de opkomst van masteropleidingen als alternatief voor de journalistieke beroepsscholen - is deze progressie tot een halt gekomen. De groei van vrouwen en minderheden is gestagneerd. Vaste banen zijn nagenoeg verdwenen uit het vak.

Dit alles gaat gepaard met stijgende kosten om tot het vak door te dringen: een HBO is wel het minste - voor banen bij de landelijke kwaliteitsmedia is een universitaire opleiding in de praktijk vereist. Studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is ingekort en wordt omgezet in een lening. Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als freelancer c.q. zelfstandige journalist. Voor hen zijn de tarieven de afgelopen tien jaar structureel gedaald (in de fotojournalistiek zijn de tarieven gehalveerd). Bijna de helft van de Nederlandse freelancers is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon. Op redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro per maand. Deze ontwikkelingen zijn niet uniek voor de journalistiek, noch voor Nederland. In Amerika, waar ik tot voor kort werkte, krijgen de meeste studenten en nieuwkomers in de journalistiek helemaal niet betaald voor stages - terwijl een stageplaats toch echt nagenoeg de enige manier is om het beroep binnen te treden.

Door dit soort ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds minder toegankelijk voor iedereen - in feite wordt het hierdoor een speelveld van een gegoede klasse - zij, die het zich kunnen veroorloven om jarenlang of zelfs voor het grootste deel van hun loopbaan onder of rondom het minimumloon te werken; zij, die zich als jongere kunnen handhaven met inkomst van een paar honderd Euro per maand (en daarbij veelal wonend en werkend in de grootste en daardoor duurste steden omdat daar de belangrijkste nieuwsmedia gevestigd zijn).

In mijn eerdere onderzoek onder media professionals in de journalistiek, reclame, film, televisie en videogames merkte ik iets dat ik nu ook in de Nederlandse journalistiek zie: dat journalisten steeds verder uitgebuit worden door een bedrijfstak die niet meer in hen investeert. Dat de toegang tot het vak daardoor steeds exclusiever wordt. Dat hierdoor het met name voor mensen uit de sociaaleconomische onderste regionen van de samenleving onmogelijk is om aan dit soort beroepen deel te nemen. In Engeland wordt dit het "elitism in the professions" genoemd en maakt men zich terecht zorgen over de afnemende sociale mobiliteit in de samenleving. Wereldwijd kennen we dit fenomeen ook uit het baanbrekende werk van de Franse econoom Thomas Piketty.

Met mijn stuk wilde ik deze sociale ongelijkheid op de kaart zetten als macro-context voor de affaire-Ramesar, naast micro-factoren (zijn persoonlijke overwegingen en motieven), en meso-factoren (de redactionele context). Hieronder de bijdrage met daaronder een lijstje met publieke toegankelijke bronnen voor mijn argument. Vanzelfsprekend zijn er ook talrijke wetenschappelijke bronnen - neem bij interesse daarvoor graag contact met mij op.


Opiniebijdrage voor NRC Handelsblad

Het ontslag van journalist Perdiep Ramesar bij dagblad Trouw zorgt voor veel onrust in de journalistiek. Jarenlang schreef hij verhalen over de multiculturele samenleving op basis van verzonnen bronnen. Collega’s hadden vermoedens, maar deden niets. Begeleiding ontbrak, chefs wisselden in hoog tempo af. Naast vooralsnog ondoorgrondelijke persoonlijke omstandigheden van de journalist in kwestie wijst de context van dit schandaal naar een evenzeer klassiek als dramatisch probleem voor de journalistiek.

Op maandag 10 november 2014 werd journalist Perdiep Ramesar ontslagen bij dagblad Trouw na een intern onderzoek van de redactieraad, waaruit bleek dat hij regelmatig een journalistieke doodzonde had begaan: het verzinnen van bronnen. Daarna werd een externe onderzoekscommissie ingesteld die op 10 december haar rapport presenteerde. Daarin werd bevestigd wat de redactie al vermoedde: van een wezenlijk gedeelte van Ramesar’s verhalen kon de waarheid niet geverifieerd worden. Rondom zijn ontslag en de publicatie van het onderzoeksrapport werd direct verwezen naar zijn Hindoestaanse achtergrond – weliswaar niet als oorzaak van zijn gedrag, maar wel als verklaring voor de manier waarop met zijn artikelen en zijn aanwezigheid op de redactie werd omgegaan.

In een exemplarische reactie schreef GroenLinks-politicus Tofik Dibi op 22 december op zijn weblog dat de verklaring voor dit alles gezocht moet worden in de enorme behoefte van Nederlandse nieuwsmedia aan “smeuïge verhalen over de multiculturele samenleving” aan de ene kant en het gegeven dat zij een nagenoeg compleet witte redactie hebben aan de andere.

Dibi heeft gelijk: redacties in Nederland zijn wit. Uit representatieve studies onder journalisten in Nederland blijkt dat twee procent een allochtone herkomst heeft (ten opzichte van ruim twintig procent allochtone Nederlanders). Minder dan vier procent van alle afstuderende studenten journalistiek in Nederland is niet-westers allochtoon. Einde verhaal, zo lijkt het: er is te weinig etnische diversiteit in de media, waardoor de enkele allochtone collega een welhaast onmogelijke positie inneemt, belast als hij is met het gewicht van hele multiculturele samenleving.

Nu is de zorg om het uiterst geringe aantal allochtone journalisten werkzaam op Nederlandse redacties belangrijk, maar ook beperkt. Het gaat uit van een spiegelprincipe: de aanname dat een redactie met een samenstelling gelijk aan de compositie van de samenleving noodzakelijkerwijs meer pluriform nieuws produceert. Hoewel een kleurrijkere redactie wel degelijk noodzakelijk is daar waar het gaat om de dagelijkse confrontatie met diversiteit, suggereert onderzoek steevast dat de cultuur van een nieuwsorganisatie een veel sterkere invloed heeft op nieuwswaarden en -selectieprocessen dan het al dan niet aanwezig zijn van minderheden zoals vrouwen, jongeren of allochtonen. Dit maakt nieuwsgierig: wat is er dan wél aan de hand bij Trouw en in de journalistiek? Hoe wordt zo’n eenvormige en eenkennige cultuur in stand gehouden? Het antwoord: de journalistiek is (net zoals andere beroepen in de creatieve industrie, waaronder ook de wetenschap) het domein van een betrekkelijk kleine maatschappelijke elite – mensen die zich het kunnen veroorloven om voor een carrière in de journalistiek te kiezen.

Redactionele vacatures worden tegenwoordig vooral gevuld met het aannemen van mensen op verlengde stage- en werkervaringsplaatsen tegen een minimale vergoeding en door mensen met tijdelijke contracten (van enkele maanden tot een jaar) zonder redelijk uitzicht op een vaste aanstelling. Het aandeel freelancers is gestegen van 13 procent in 1993 tot ongeveer de helft in 2013. Recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten toont aan dat tarieven voor freelancers over de hele linie de laatste tien jaar scherp gedaald zijn. Meer dan de helft van de zelfstandige journalisten verdient volgens onderzoek van de Sociaal Economische Raad maandelijks netto minder dan het minimuminkomen.

Op de redacties van alle Nederlandse nieuwsmedia is daarnaast sprake van een buitengewoon onrustige dynamiek: ontslagrondes en reorganisaties, nieuwe eigenaren en managers, innovaties en bezuinigingen buitelen over en door elkaar heen. Geen enkele positie blijft onaangetast, iedereen voelt de onzekerheid over de toekomst. Mede hierdoor is het beroep uitsluitend toegankelijk voor hoogopgeleide mensen met eigen vermogen en rijke ouders, zonder de zorg voor gezin of familie.

Net zoals in de samenleving als geheel is het werkelijke drama dat de journalistiek treft die van arm versus rijk: het vak is het speelveld van een gegoede klasse waarbinnen iedereen ongeveer dezelfde bovengemiddelde sociaaleconomische status heeft. In zo’n context neemt niemand elkaar de maat meer – want dat doen mensen meestal niet (zo grondig) met zichzelf. Dat blijkt uit het onderzoeksrapport over de omgangsvormen op de redactie van Trouw: er bestond “geen traditie van elkaar diep bevragen”, waarbij de cultuur omschreven werd “van goedgelovig en braaf naar onverschillig en apathisch.” Dit, en de enorme uitzonderingspositie van een allochtone journalist binnen zo’n witte redactie, zorgde er voor dat niemand fundamenteel met elkaar in debat ging. En dat is precies waar het om draait bij diversiteit: niet om een spiegel van de samenleving, maar om actieve ervaring met en beleving van diversiteit. Niet alleen op straat in de Schilderswijk, maar overal – dus ook in het nieuwsbedrijf.


 
Bronnen (buiten wetenschappelijke literatuur)

- CBS Statline: voor data over samenstelling afgestudeerde studenten journalistiek (van 2000 tot en met 2013);
- Mijn proefschrift uit 2002: onderzoek uit periode 1998-2002 (zie ook het boek "Wat is Journalistiek?" uit 2004) op basis van surveys en expert-interviews met journalisten;
 - onderzoek uit 2010 van Liesbet Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter naar het profiel van de Nederlandse journalist;
- onderzoek uit 2013 van Pyrrhula onder freelancers in Nederland (in opdracht van FLA, NVJ, Lira en FF);
- onderzoek in het buitenland, bijvoorbeeld Engeland, over de kosten van een journalistieke loopbaan en de gevolgen daarvan voor het steeds elitairder worden van creatieve beroepen (waaronder de kunsten en de journalistiek) en de politiek;
- vergelijkbaar onderzoek en analyse in Amerika zoals gerapporteerd in The Economist;
- tot slot, qua persoonlijke waarneming (die niet de basis vormt van mijn bijdrage, maar om verantwoording af te leggen ten opzichte van mijn eigen geprivilegieerde perspectief): ik ken de studenten (en zij, die zich aanmelden) van onze eigen masteropleiding aan de Universiteit van Amsterdam, die van de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media te Leiden waar ik ooit in deeltijd hoogleraar was, van de meeste HBO's in Nederland omdat ik daar vaak kom en docenten van verschillende opleidingen begeleid en van de twee journalistenopleidingen in Amerika (die van USC in LA en van Indiana University in Bloomington) waar ik tussen 2003 en 2013 les gaf. Tot slot: ik kom sinds 1989 regelmatig op redacties in Nederland en wereldwijd en was zelf freelance journalist van 1990 tot en met 1996 in Nederland en Zuid-Afrika.

Tot slot: zeer aanbevelenswaardig in deze context: het werk van Tabe Bergman, wiens politieke economie van de Nederlandse journalistiek de vinger op talrijke pijnlijke plekken van het vak legt. Zie bijvoorbeeld zijn boek "The Dutch Media Monopoly" (2014, VU University Press) en het daarbij horende essay voor OpenDemocracy.

Beyond Journalism Speaking Dates 2015


Per Fall 2014, Tamara Witschge (University of Groningen) and I are engaging in a large-scale project investigating entrepreneurialism in journalism and society. Our project - culminating in a book titled Beyond Journalism which we hope to publish with Polity Press in 2016 or 2017 - in the first wave involves a series of pilot studies (based on the case study research method) of journalism startups around the world. The legwork for this project is partly done by the talented students of our masters program in Journalistiek en Media (Dutch language) at the University of Amsterdam.

Coinciding this project, Tamara and I (sometimes together, sometimes alone) will speak and participate at various conferences and discussions on entrepreneurial journalism. Below are the dates and details of these engagements - updates will follow throughout the year. Please drop by and talk with us about projects of mutual interest and concern!

January 15: Conference on "Leren van scripties" at Leiden University, Leiden, The Netherlands.
January 22: Panel debate on Entrepreneurial Journalism at Windesheim College, Zwolle, The Netherlands.
February 12: Keynote on "De journalist als ondernemer" at the Logeion conference, Leiden, The Netherlands.
February 23: Guest talk on "Media entrepreneurship" at Media & Journalistiek of Erasmus University, Rotterdam, The Netherlands.
February 27: Participants at the Journalism Entrepreneurship Summit at Google Campus, London, UK.
March 13: Participants at the graduation seminar on journalism entrepreneurship at the Journalistiek en Media MA, University of Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands.
March 23-24: Visiting Professor at the Faculty of Social Studies of Masaryk University, Brno, Czech Republic. 
April 10-11: Speaker at the Online Journalism Conference of Northwestern University, Chicago, US.
April 16-18: Speaker on "Startup journalism" at the International Journalism Festival, Perugia, Italy.

More dates and details TBA.


Touring Media Life and Work (2007-2014)

Over the last couple of years, especially since the publications of Media Work (2007) and Media Life (2012), I have had the luxury of being able to go on a lot of trips to talk about my research with students, colleagues, and media professionals around the world.

Some examples of tour dates and places over these years: in 2007 I went back and forth between Europe and the US for media work talks and even had a tour shirt made (because deep down inside I am a failed bass player).... A year later, in 2008, I got a chance to add Australia and New Zealand to the list. After a couple of years of doing a bit less traveling (and spending more time visiting colleagues in the US and Canada), in 2012 and 2013 the schedule intensified with media life presentations all over the place. This year, 2014, has been an amazing year, with more intensive visits - doing seminars and workshops rather than one-off talks for example - in places as a far and wide as Finland, Australia and Brazil, plus some fantastic visits to Mallorca and Croatia.

I've mapped these tourdates using Matador for fun:
Mark Deuze’s Travel Map
Mark Deuze has been to: Australia, Austria, Bangladesh, Belgium, Brazil, Canada, Croatia, Czech Republic, Denmark, Finland, France, Germany, Israel, Italy, Malaysia, Mexico, Mozambique, Namibia, Netherlands, New Zealand, Norway, Portugal, South Africa, Spain, Sweden, Switzerland, Syria, Turkey, United Kingdom, United States, Zambia, Zimbabwe.

Overall, I recognize that my ecological footprint is oversized, and I try to take responsibility for this to be very selective with long-distance travel commitments. I have to admit that I consider these travels and visits an enormous privilege and one of the aspects of an academic career that I deeply appreciate. So at the end of this calendar year, I am looking forward to new opportunities in the near future, as I plan to visit the US, South Africa, the Czech Republic, Sweden and Germany in 2015. Hope to see you all soon...

Journalism, Media Life and The Entrepreneurial Society

Update [27.02.15]: A version of the English-language paper has been published in the Australian Journalism Review.

Update [18.11.14]: An English-language working paper version can be downloaded through ResearchGate as well as Academia; please send me your thoughts and comments!

Excited to announce the publication of a new essay on journalism, media life and the entrepreneurial society (in Portuguese). This essay is part of a special issue on the labor market of journalism of the Brazilian academic journal Parágrafo, edited by Rafael Grohmann and published by the FIAM-FAAM University in São Paulo.

It is the first of what I hope will be many more forthcoming works on linking the concepts of my earlier work (on media work and media life) to an appreciation of precarious life (and work) in a world that has made all of us into 'entrepreneurs': risk-takers without reliable reward structures, pattern-breakers without trustworhty guardians or mentors, people expected to perform and produce on the basis of less-than-vague expectations and living in the illusion of control that a quantified 'everything' entails... 

Link to the entire special issue: Parágrafo 2(2).
Link to the essay: "Ojornalismo, a vida na mídia e a sociedade empreendedor"

At the moment, I am rewriting this piece for a future publication in English; feel free to contact me for more information. This essay is part of a larger project titled "Beyond Journalism" (together with Tamara Witschge); the project, originally conceived in 2007, has been put on hold for a while - to work on the media life project - but is now back in full swing :-)