Liquid Journalism

In December 2005 the magazine De Helling (published by Dutch left-progressive political party Groen Links) printed the following essay of mine on the impact of the individualized society on the practice of journalism. The essay is in Dutch, unfortunately, but will be republished in a longer, more scholarly version in English in the first issue of 2006 of the Political Communication Report under the title Liquid Journalism (direct link). Comments are, as always, much appreciated.

UPDATE (1): an extended (Dutch) version of this essay, with much more theory, examples and probably redundancy has been posted on the site of POPUP - which is the book Dagblad van het Noorden editor Henk Blanken and I are writing online about the future of media. On the open weblog of Dutch national newspaper De Volkskrant I've also put up a post on these issues.

UPDATE (2): well, this essay obviously connected to an ongoing debate among journalists (both professionals and amateurs) in The Netherlands. I've received a lot of interesting feedback, and carried on the discussion on at least three other blogs: De Nieuwe Reporter, Mediablog and the Volkskrantblog. Dutch public broadcaster VPRO also invited me to debate these issues in their radio show "De Ochtenden", and De Volkskrant (newspaper) as well as NOVA (television) expressed interest in doing something with the essay. Of course that is gratifying to me as an academic who likes to make a difference, yet I am pretty sure this has not so much to do with the content of the essay, but perhaps rather with an increasing "interinstitutional coherence" (quoting Michael Schudson) of the news media industry - that wat cultural studies scholars like John Fiske refer to as the intertextuality of the media.

UPDATE (3): On Saturday January 28 Dutch national newspaper Trouw ran this story (featuring interviews with several people including me) on related issues, in particular on whether or not group blogs (like the Dutch GeenStijl) can be considered journalism.

Media tend to refer to each other, and we tend to give meaning to media by linking our experiences with different media (genres, shows, actors, items, devices) together. It all becomes a rather self-referential system, which in turn ties in with the feverishly 'reflective' phase of liquid modernity, where we increasingly make sense of things not on the basis of what some expert (like an academic, a politician, a father or a journalist) said, but on how what different people are saying meshes with our existing belief system. Meanings thus become part of collective (and sometimes collaborative) negotiation, and thus will forever be 'up for grabs'...

Artikel in De Helling, december 2005

Iedereen is Journalist

In de media heeft de burger de boel al overgenomen. De grenzen tussen maker en gebruiker en tussen journalist en amateur zijn vervaagd. Individualisering vraagt om personalisering van het algemene, waardoor het gebruik van massamedia evolueert tot 1-op-1-dialoog.

Door Mark Deuze

Vanochtend was er een felle discussie gaande over de scheiding van kerk en staat. Mag een rechter het verplicht bidden op school of in een bedrijf verbieden? Ook spraken mensen over het bezoek van Charles en Camilla aan de Verenigde Staten, waarin iemand onthulde dat dit bezoek al lang gepland was, maar na '9-11' telkens werd uitgesteld omdat Charles publiekelijk te pro-Islam zou zijn. Het meestgelezen nieuwsbericht van de dag was de uitkomst van een stemming over de bouw van een nieuwe school, waaruit bleek dat alle zwarte burgers vóór en alle blanke buurtbewoners tegen hadden gestemd. Dit alles klinkt als de normale gang van zaken in een lokale nieuwsorganisatie zoals een regionaal dagblad of plaatselijke omroep. Niets is minder waar. Dit was een gewone dag op de website en in de gratis krant Bluffton Today, sinds april 2005 gepubliceerd door de Morris Publishing Group in Bluffton en omstreken. Bluffton is een snelgroeiende gemeenschap aan de Atlantische kust van de Amerikaanse staat South Carolina. In korte tijd vestigden zich hier meer dan tienduizend gezinnen. De krant heeft een circulatie van ongeveer 17.000 exemplaren en de website blufftontoday.com wordt elke maand gemiddeld 36 keer per gezin bezocht. Wat de krant en de site zo bijzonder maakt, is dat het nieuws en alle andere inhoud – zoals foto’s, weblogs, verkeersinformatie, cultuuragenda en wat dies meer zij – door (geregistreerde) gebruikers verzorgd wordt. Sommige van deze gebruikers zijn professionele journalisten. Verreweg de meeste van de ruim tweeduizend gebruikers zijn buurtbewoners zelf. Interessant is dat 70 procent van alle gebruikers vrouwen is (tegen een gemiddeld percentage van 20 procent vrouwen werkzaam in de dagbladsector van de journalistiek; zie cijfers in Amerika en Nederland bijvoorbeeld).

Prosumeren

Het Amerikaanse voorbeeld van Bluffton Today staat niet op zichzelf. In Nederland laat het Dagblad van het Noorden buurtbewoners hun eigen nieuws maken via Nieuwslokaal.net, opende het vernieuwde Algemeen Dagblad onlangs de online-rubriek ‘Uw Nieuws’ en experimenteert De Volkskrant met een lezersblog. Ook in andere landen maken nieuwsorganisaties zich steeds sterker voor bijdragen van iedereen. Internet- en omroepbedrijven deden dit veelal als eerste, maar nu is ook de statige gedrukte media-industrie zover: het Franse Le Monde, het Zuid-Afrikaanse Mail & Guardian en het Duitse Rheinische Post deinzen al geruime tijd niet meer terug voor ‘lezersnieuws’ op hun websites.

Deze voortschrijdende vertroebeling van de grenzen tussen maker en gebruiker, tussen producent en consument, en tussen professional en amateur in de journalistiek is niet echt nieuw of revolutionair. We kennen sinds het midden van de 20ste eeuw voorbeelden van piraatradio en muurkranten en het gebruik van de kopieermachine als the people’s printing press. Toch hebben de genoemde voorbeelden een heus eigentijds karakter, namelijk de mate waarin eigen productie het tegenwoordig wint van massale consumptie, de snelheid waarmee de technologie en de markt zich aan dit individuele mediamakersgedrag aanpast en de wereldwijde zichtbaarheid hiervan. Je zou kunnen zeggen dat in het tijdperk van massamedia, de 20ste eeuw, ons individuele mediagedrag nagenoeg onzichtbaar bleef – die tijd lijkt nu, met meer dan 25 miljoen weblogs wereldwijd voorgoed voorbij.

Een in november 2004 uitgevoerd survey onder Amerikaanse tieners wijst uit dat de overgrote meerderheid (57 procent) eigen media maakt, mixt en uitwisselt. Mediagebruik is voor jongeren vandaag de dag synoniem met media maken. Dat media maken betekent niet alleen dat we bijdragen leveren aan burgerjournalistieke websites. Steeds meer mensen nemen ook de stap naar het prosumeren (mediagedrag waarin productie en consumptie samengaat): we maken onze eigen computerspellen (zie bijvoorbeeld Garagegames.com) of passen deze naar eigen wensen aan (zogenaamde ‘mods’), we maken onze eigen encyclopedie (Wikipedia), onze eigen politiek (MoveOn.org), onze eigen televisie (Current.TV) en ons eigen nieuws (in Nederland zie bijvoorbeeld Nieuwszicht, Kidstoday, Opinie Online, Fok!, Spunk en Nieuws Voor Mij. Dit eigengereide gedrag zien we terug in alle andere domeinen van het dagelijkse leven; het is de doorgeslagen personalisering van het alledaagse, waarvan de nieuwe media niet de oorzaak, hooguit de aanjagers zijn. Zoals het volk in de Monty Python-film Life of Brian eensgezind uitkraait: “yes, we are all individuals!”

Lekker single

De hedendaagse westerse samenleving is tot op het bot geïndividualiseerd, waarbij de manier waarop individuen hun eigen problemen definiëren en proberen op te lossen het kader wordt om naar de publieke zaak te kijken. Individualisering is geen keuze, maar een onvermijdelijkheid. Soms is er zelfs sprake van ‘hyperindividualisering’, waarmee verwezen wordt naar ons lidmaatschap van de global village als volstrekte eenlingen, die zich veelal verschuilen achter laptop, modem en mobiele telefoon (ik verwijs bijvoorbeeld naar de uiterst succesvolle LekkerSingle-site van De Volkskrant). In de verbrokkeling van het sociale cement van zuil, moskee, staat, school, huwelijk en gezin is nagenoeg volstrekte zelfredzaamheid en een uniform beroep op de ‘eigen’ zaak te zien.

Dat brede lagen van de bevolking zich afkeren van traditionele sociale instanties – met name van de politiek en de journalistiek – en het heft in eigen handen nemen, moeten we zien als logisch exponent van die brede culturele ontwikkeling van individualisering. Die zien we ook terug in de manier waarop we met media omgaan. Het meest recente onderzoek naar het mediagebruik van de gemiddelde Amerikaan of (jonge) Nederlander toont aan dat we het merendeel van onze tijd besteden met media: van de wekkerradio, keukentelevisie en gratis forenzenkrant, via de e-mail op het werk en het mobieltje op school tot de soap op prime time, het uurtje avondsurfen en een nachtelijk zaprondje langs alle zenders. Daar komt nu dus de culturele convergentie van mediaconsumeren en -produceren bij. Het is niet meer dan vanzelfsprekend dat de grotendeels door commerciële belangen gedreven massamedia zich hierop aanpassen. In de journalistiek betekent dit dat de nieuwsinhoud in toenemende mate tot stand komt aan de hand van afstemming op individuele interesses. In de praktijk blijft de journalistiek in haar interpretatie van de personalisering van het alledaagse veelal steken in een instrumentele benadering. Dit betekent: oppervlakkige en opgeleukte berichtgeving voor een snel verdwijnende massa, in plaats van 1-op-1 dialoog. De journalistieke uitleg krijgt nu het karakter van een kakofonie van columnisten in plaats een adequate en respectvolle weergave van de discussie die de samenleving met zichzelf heeft.

Onnozele abonnees

In een samenleving waarin steeds meer aspecten van het dagelijkse leven bepaald worden door ons eigenbelang, is het voor op gemeenschapszin gebaseerde sociale systemen – en ik herhaal: dit zijn vooral de (landelijke) politiek en journalistiek – steeds lastiger een geldig antwoord te vinden op de vraag: waarom bestaan wij? Onderzoek onder journalisten wijst steevast uit dat de meeste redacteuren weliswaar hun best doen om 'het publiek' te dienen, maar dat dit publiek toch in hoog tempo verdwijnt: door vergrijzing (naar schatting is de gemiddelde leeftijd van een dagbladlezer vijftig jaar en televisienieuwskijker zestig jaar, en aan de onderkant van de leeftijdspiramide komt er bijna niemand bij), door het niet serieus nemen van 'nieuwe' doelgroepen (zoals vrouwen, etnische minderheden en jongeren), en door disintermediëring: het passeren van traditionele poortwachters, zoals journalisten en politici, door individuele burgers in hun zoektocht naar informatie.

In de eigentijdse kenniseconomie ofwel informatiesamenleving is het daarbij steeds meer noodzaak voor elke burger om zélf journalist te zijn: we leven in een 'redactionele' maatschappij waarin ons overleven afhankelijk is van het effectief en doelmatig vinden, evalueren, bewerken, aanpassen en doorsturen van informatie – vaardigheden die we traditioneel vooral toedichten aan het journaille. De journalistiek legitimeert haar bestaansrecht sinds jaar en dag met het argument dat professionele schifting vanwege information overload noodzakelijk is. Daarbij vergeet men gemakshalve dat we steeds beter in staat zijn om dit zelf te doen – en dat de gemiddelde wereldburger niet alleen informatie verwerkt, maar juist ook produceert. Dit alles kan, in de context van een samenleving die tegelijkertijd verkleint (individualisering) en vergroot (globalisering), leiden tot oncontroleerbare versnippering, welke ontwikkeling door beleidsmakers en verslaggevers graag wordt aangegrepen als argument voor hun alleenrecht op het bepalen van de collectieve agenda en publieke zaak. Wederom blinkt een dergelijk standpunt uit door het niet verder dan de grenzen van de eigen professie willen zien: in de door en door gepersonaliseerde samenleving zijn we meer met elkaar en de rest van de wereld verbonden dan ooit tevoren. Genetwerkte individualisering is de nieuwe vorm van sociale cohesie en bestaat steeds meer onafhankelijk van tijd, plaats, afstand en landsgrenzen. Aangezien de journalistiek geen collectief platform weet te bieden voor onze individuele behoefte aan expressie, erkenning en dialoog, keren mensen zich van massamedia (en massapolitiek) af en worden bewindsvoerder en hoofdredacteur van zichzelf.

Journalistiek lijkt niet meer nodig omdat iedereen journalist is. De journalistiek lijkt overbodig omdat de samenleving steeds meer een redactioneel karakter krijgt, waar iedereen voortdurend met elkaar in nieuwsvergadering zit om te besluiten wat de meest belangrijke en relevante informatie van de dag, het uur of het moment is. Desondanks laat vooral het voorbeeld van het Amerikaanse Bluffton Today zien dat de journalistiek wel degelijk bestaansrecht heeft – ten minste als het er in slaagt om het gesprek dat de samenleving met zichzelf heeft te versterken en er aan deel te nemen als gelijke. Voor politici, intellectuelen en journalisten die zich zorgen maken over de doorgeschoten individualisering en popularisering van de nieuwsmedia geldt de waarschuwing dat hun cultuurpessimisme en de situatie waarnaar zij terugverlangen afhankelijk was van structurele maatschappelijke ongelijkheid: de discriminatie van vrouwen en allochtonen, het niet hoeven luisteren naar burgers of consumenten, en het behandelen van het volk als onmondig stemvee dan wel onnozel abonneebestand dat eens in de zoveel tijd naar de slachtbank van het politiek en journalistiek bedrijf geleid werd. De samenleving krijgt steeds meer het karakter van een (wereldwijd) gesprek. Dat is wellicht niet altijd even prettig, handig, of mooi – maar het is onvermijdelijk. En misschien is het ook wel beter zo.