Interviews Friesch Dagblad & IKON radio

Zondagochtend 20 januari zond de IKON radio een leuk interview uit van verslaggever Wieger Hemmer en mij, dat hij vrijdagmiddag de 18de opnam. Je kan het 20 minuten durende gesprek terugluisteren (en -lezen) op de site van De Andere Wereld van de IKON. Erg tof dat hij de tijd nam om het verhaal over de journalistiek veel breder te trekken.

Op woensdag 16 januari publiceerde het Friesch Dagblad het volgende interview met mij in de krant - helaas niet online. De interviewer stuurde me de volgende tekst, op basis van ons telefoongesprek en de tekst van mijn oratie.

Wetenschapper Mark Deuze over internetcultuur: 'Iedereen zijn eigen uitgever'

Internet maakt zelfexpressie en samenwerking mogelijk, maar veroorzaakt ook narcisme en paranoia. Dat zegt Mark Deuze. Sinds vorig jaar bekleedt hij de leerstoel Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit van Leiden.

Door Jurgen Tiekstra

Hoe groot is volgens u de invloed van de nieuwe media, zoals internet, op het dagelijks leven van de westerse mens?

In mijn werk zie ik de nieuwe media niet zozeer als veroorzaker, maar als aanjager van ontwikkelingen die al bestaan. Of je het nou hebt over internet, mobiele telefonie of iets anders. De belangrijkste sociaalculturele ontwikkelingen van de laatste twintig jaar zijn individualisering en globalisering. In de jaren '70 vond een verschuiving plaats van wat we belangrijk vinden. Het ging van materiële zaken, een dak boven ons hoofd en boter op ons brood, naar postmateriële zaken als zelfexpressie.

De populariteit van weblogs is veelzeggend. In de jaren '70 hadden we die uitlaatklep iet. Je kon een nieuwsberichtje in de buurt verspreiden met het kopieerapparaat van je baas of een piratenzender beginnen. Maar met het einde van de massamedia heeft iedereen zijn eigen medium.

Toen internet in de jaren '90 breed toegankelijk werd, kon u toen al voorspellen hoe groot het zou worden?

De eerste keer dat ik echt met het internet in aanraking kwam was in 1995 in Zuid-Afrika, waar ik onderzoek deed. Op mijn Nederlandse universiteit hadden we e-mail, maar in Zuid-Afrika was iedereen online en was men er met de meest fantastische dingen bezig. Ik was hoofdredacteur van de universiteitskrant. Al tijdens onze eerste vergadering vroeg een jongen: wat gaan we doen met onze website? We probeerden geld, adverteerders en een drukker te vinden voor onze krant. Dat schoot maar niet op. Maar in één weekend hadden we de hele krant op het internet staan. Ik was toen al zeven jaar journalist, maar had die opwinding nooit gevoeld. Die opwinding was vergelijkbaar met iemand die zijn eerste blogpost plaatst, met iemand die voor het eerst iets verkoopt via eBay. Daar kun je als massamedium niet tegen op.

De bottomline is: mensen willen iets terugzeggen tegen de samenleving. Internet maakt de indivualisering heel makkelijk: iedereen is zijn eigen uitgever. Maar wat doet men met die individualisering? Mensen gaan mailen, chatten, Multiplayer Role Games spelen, samen encyclopedieën schrijven; men gaan bij elkaar zitten om dingen te doen. Dat vind ik heel hoopvol.

Internet geeft ook de mogelijkheid om collectief medeleven te tonen. De Hyves-profielen van overleden militairen worden overspoeld door condoleances.


Je bent inderdaad sneller betrokken op elkaar. Wel is die betrokkenheid heel vluchtig. Volgende week is er weer iets anders. Maar dat maakt die betrokkenheid niet minder waardevol. Het is een ándere vorm van betrokkenheid.

Hier in Amerika hebben we nu de 'primaries'. Dat is een mooi voorbeeld. Bij de voorverkiezingen in New Hampshire hadden alle media het met hun voorspelde uitkomst helemaal fout. En niet een klein beetje ook. Die betrokkenheid van mensen was er, want het opkomstpercentage was gigantisch. Maar men besloot pas op het laatste moment wat men ging stemmen.

De rol van de journalistiek wordt hierdoor heel lastig. Dat beroepsmodel is gebaseerd op een statische samenleving, waar netjes verslag van kan worden gedaan. De journalistiek noemt men het sociaal cement van de samenleving. Cement houdt een huis bij elkaar: het voorkomt juist grote veranderingen. Nu is de journalistiek het sociaal cement van een blokkenhuis, een hut in een township in Zuid-Afrika. Daarin kunnen mensen ook wonen.

Maken de nieuwe media ons egoïstisch?

Egoïstisch, dat weet ik niet. Wel stukken narcistischer. Het valt me bijvoorbeeld op dat op discussiefora van krantenwebsites mensen zichzelf zo graag zien praten. Volgens een onderzoek lezen deelnemers aan discussiefora alleen hun eigen posts. Mensen maken steeds hetzelfde punt en gaan niet op elkaar in.

Hier in Amerika heeft men het over kinderen die zijn opgegroeid in de jaren '80. Vóór die tijd werd je opgevoed met de les dat je hard moest leren en later voor je ouders moest zorgen. Maar in de jaren '80 was elk kind een prinsesje. Als ze 18 of 19 zijn denken die kinderen: de wereld draait om mij, ik doe niks verkeerd.

Kijk ook naar de avatars (3D-speelfiguren, red.) in virtuele werelden. Een collega van mij, die hier onderzoek naar doet, zegt: probeer eens een avatar te vinden die dik of lelijk is. Dat zal je heel moeilijk lukken. Dat narcisme zie ik enorm. Mensen zijn verliefd op zichzelf. Ook paranoia komt veel voor.

In de jaren '60 beweerden Franse filosofen: in een wereld die zo vol zit met media bestaat er geen waarheid meer. Alles wordt doorgekakeld en doorgestuurd. Elk gesprek is zonder betekenis, want mensen praten toch langs elkaar heen. Ik denk dat dat nu waar is. Volgens een recent onderzoek vindt men nieuws heel belangrijk. Tegelijk vertrouwt niemand dat nieuws nog. Amerikanen vertrouwen meer op bedrijven dan op journalisten. Dat is op het gekke af als je denkt aan het Enron-schandaal. Die trend bestaat ook in Nederland.

Als narcisme een enge vorm van zelfexpressie is, dan is paranoia een enge vorm van gezonde twijfel.