Internet en Burgerschap (eParticipatie 2009)

Onlangs mocht ik een bijdrage leveren aan een bundel over 'eParticipatie' (link naar PDF versie), een uitgave van Burgerlink. Burgerlink is een initiatief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het stuk is een bewerking van een kort essay dat ik eerder (op 20 augusts 2009) mocht schrijven voor dagblad Trouw. Hieronder reproduceer ik de originele tekst, zoals dit in het Burgerlink-rapport verschenen is.

Internet en Burgerschap

10 oktober 2009

Het lijkt overbodig om op te merken, dat iedereen met een internetaansluiting en de kennis om met computers en het Web om te gaan kan meedoen en meepraten in de publieke sfeer. Dat betekent echter niet dat er een ideale dialoog op gang komt tussen burger en politiek. Integendeel, de online discussie is vooral een gesprek dat voorbij traditionele maatschappelijke instellingen en organisaties gaat – of zelfs bewust plaats vindt om democratische instituten (politieke groeperingen, Tweede Kamer en gemeenteraad) te vermijden. Het einde van het partijpolitieke monopolie en andere 'experts' in de landelijke, regionale en lokale overheid lijkt ingeluid door de snelle ontwikkelingen online.

Democratisering

Aan de ene kant suggereert de discussie online een hoogst noodzakelijke democratisering van de publieke sfeer, nu de meerderheid van de bevolking de mogelijkheden heeft om daadwerkelijk deel te nemen aan het gesprek dat een samenleving met zichzelf heeft – een gesprek dat voorheen het min of meer exclusieve domein van de professionele journalistiek en politiek was. Aan de andere kant lijkt er aan die journalistiek of politiek weinig te veranderen. Opkomstpercentages, partijlidmaatschap, dekkingspercentages, kijk- en luistercijfers van het nieuws: de gestage daling van dit soort getallen zette al geruime tijd vóór de popularisering van het wereldwijde Web in. Sommige politici twitteren en hebben een kleurrijk Hyves-profiel, maar onderzoek wijst uit dat dit inhoudelijk weinig toevoegt. Deze observaties sluiten aan bij een cruciaal aspect van het bepalen van een mogelijke impact van nieuwe media (zoals internet) op de samenleving en de democratie: deze technologie veroorzaakt niet, maar jaagt aan. Een wezenlijke vraag aan de zogenaamde e-participatie is wat er precies met onze deelname aan het debate online wordt versterkt en daarmee uitvergroot.

Betrokkenheid

Gegeven de talloze en soms prachtige voorbeelden van debat- en discussiesites online en de ontwikkeling van de democratie in het alledaagse publieke verkeer, valt het op dat formele maatschappelijke betrokkenheid – bijvoorbeeld: het daadwerkelijk stemmen bij verkiezingen, lidmaatschap van politieke partijen, abonnement op dagbladen en opinietijdschriften, collectieve organisatie zoals in het geval van vakbonden – in hoog tempo af neemt. Ofwel: iedereen praat tegenwoordig mee of heeft op z’n minst het gevoel dat de eigen mening telt, maar niemand neemt nog de verantwoordelijkheid om met al die opvattingen daadwerkelijk iets te doen. We maken ons (online) ontzettend druk over van alles en nog wat dat mis is in de samenleving, maar deze deelname lijkt te correleren met een gestage afname aan aktie. Wie gaat er nog straat (laat staan de barricades) op voor zijn of haar idealen? Wie richt er nog een partij of organisatie op, of sluit zich daarbij aan als aktief lid? Wie probeert veranderingen aktief mee vorm te geven? In hoeverre is het democratiserende debat online een uitdrukking van beleden offline activiteit? Kortom: het ziet er naar uit dat we door alle interactiviteit online weliswaar mondiger als consumenten worden, maar daarmee juist tandeloos als burgers zijn.

De correlatie tussen het toenemende debat online en de afnemende participatie offline moet, denk ik, gezien worden in de context van een doorgeslagen individualisering van de maatschappij. We doen met z’n allen wel naar hartelust mee met van alles en nog wat – van vrijwilligerswerk tot Facebook campagnes voor een goed doel – maar deze deelname heeft een strikt persoonlijk en daarmee volledig vrijblijvend karakter. En dat is precies een van de andere essentiële lessen van de rol die nieuwe media in ons leven spelen: we kunnen online op enig moment, wanneer het ons uitkomt, uitloggen. Offline is dat nagenoeg onmogelijk – en dat soort verplichtende betrokkenheid, daar wil bijna niemand meer aan.

Samen Alleen

Onze betrokkenheid in formele zin is aan het afbreken, zoveel lijkt duidelijk. Tegelijkertijd valt het op, dat verreweg de meeste interacties online hoewel pittig meestal cordiaal zijn. Zeker, mensen gaan wel eens virtueel op de vuist, en een scherp woord valt al snel, maar over het algemeen biedt het sociale, collaboratieve en co-creatieve karakter van "cyberspace" een uitnodigende vrijplaats voor het vinden en uitwisselen van oude, nieuwe, vrolijke, en deprimerende opvattingen en ideeen. Dat is op z'n minst opvallend: we zouden bijna denken dat het vrijblijvende en verondersteld anonieme karakter van de e-participatie de deur openzet voor louter onguur. Het tegenovergestelde is (meestal) het geval. Aan de sterk individualistische (en nogal eigengereide) betrokkenheid online zit daarmee een hoopvol sociaal tintje: het netwerk dat ons in staat stelt puur op basis van onze hoogstpersoonlijke interesses te participeren heeft als kern een enorm sociaal en collectief karakter. Internet biedt met andere woorden een universele vorm van het samen kunnen zijn (en samen debatteren, oplossingen vinden, plannen maken) op basis van nagenoeg volstrekte sociale fragmentatie.

We zijn, tot slot, in de mix van offline en online engagement, per definitie altijd samen alleen.

UPDATE [27 December 2009] Van Jan Willem Jongejans kreeg ik een prachtige reactie op dit essay, welk stuk te lang was om door de filters van Blogger te komen. Gelukkig stuurde hij me het hele verhaal, dat ik hieronder reproduceer. De woorden hierna zijn dus van Jan Willem:

Als in de tekst wordt opgemerkt: "het ziet er naar uit dat we door alle interactiviteit online weliswaar mondiger als consumenten worden, maar daarmee juist tandeloos als burgers zijn", dan kan de vraag worden gesteld: hoezo? Er wordt in de tekst slechts gesproken van mondiger consumenten en tandeloze burgers, zonder enige begripsomschrijving. Beide begrippen lijken ook uit verschillende werelden: een consument is inderdaad een burger, en omgekeerd, maar daarmee houdt ook iedere gelijkenis op. De ene consument is politiek bewust, de andere helemaal niet. De zin heeft als pseudostelling dus meer het karakter van een explorerende vraag voor nader onderzoek. Maar of er mogelijkerwijs een verband bestaat tussen beide begrippen, daar is natuurlijk nimmer onderzoek naar gedaan, laat staan een verband aangetoond! Want anders was dat in dit artikel wel genoemd.

Een mogelijk verband is mijns inziens wel degelijk aanwezig, namelijk dat de onliners [internetgebruikers die regelmatig online zijn en hun postings regelen] zich juist van de politiek en politieke partijen hebben afgekeerd omdat ze daar uit eigen ervaring geen vinger tussen de deur krijgen. Want partijbijeenkomsten lopen altijd op uit machtsspelletjes van de gevestigde orde binnen die partijen. Partijbijeenkomsten zijn doorgaans totaal oninteressant voor de buitenwacht. Ik acht partijbijeenkomsten een anachronisme in deze tijd. Er dient een virtuele politieke wereld en virtuele Tweede Kamer te worden ingesteld.

Tot slot van bovengeciteerde zin: de 'schijnbare' aanwezigheid van de tandeloze burger die in 2011 zijn ongenoegen laat blijken, wordt pas aangetoond als de nieuwe Tweede Kamer in dat jaar geheel anders van samenstelling zal zijn en dus een nog grotere revolutie dan de verkiezingen van 2002 met de glorieuze binnenkomst van de LPF bleek, laat zien. Daarna praten we weer verder, al dan niet met PVV in de regering.

Een volgende kanttekening [bij de paragraaf over] "de correlatie tussen het toenemende debat online en de afnemende participatie offline [...] in de context van een doorgeslagen individualisering van de maatschappij."

Er kan inderdaad sprake zijn van doorgeslagen individualisme, maar dat is niet per definitie het geval. Er kan ook sprake zijn van uitingsverschijnselen die altijd al hebben bestaan, maar die pas met internetfora werkelijk geuit konden worden. Om een concreet voorbeeld te noemen: hoevelen hebben in de periode vóór internet ingezonden brieven naar dagbladredacties gestuurd, maar kregen een bericht van afwijzing? Zeer velen zijn daardoor zwaar gefrustreerd geraakt en kregen pas sinds internet de gelegenheid zich wel te uiten. Het zal ook duidelijk zijn dat deze uitingen op partijcongressen gemakkelijk terzijde werden geschoven omdat de partijhiërarchie sterk aanwezig is en aan dwarse geluiden geen enkele behoefte. Hiermee heb ik persoonlijk ervaring opgedaan en weet dus waarover ik spreek.

De laatste passage over Facebook is mijns inziens ook te eenvoudig gesteld. Facebook is vrijblijvend en alleen bedoeld om zakelijke contacten te onderhouden. Maar kan gesteld worden dat: "we kunnen online op enig moment, wanneer het ons uitkomt, uitloggen. Offline is dat nagenoeg onmogelijk - en dat soort verplichtende betrokkenheid, daar wil bijna niemand meer aan"?

Ik vind dat hier sprake is van een mogelijk vooroordeel, omdat uitloggen op internet een vaste procedure is; alleen 'werkvrijen' kunnen ingelogd blijven, als ze ook daadwerkelijk de hele dag thuis online willen zijn. De ene internetactiviteit is niet verplichtend (surfen), maar de andere wel bijvoorbeeld op internetfora. Daarbij word je op de hoogte gesteld van nieuwe reacties op postings of je moet zelf actief controleren. Dat is dus niet vrijblijvend. Dat offline geen sprake is van uitloggen spreekt voor zichzelf, maar stellen dat dat "nagenoeg onmogelijk" is, is in dit verband een onbegrijpelijke opmerking. Graag nadere uitleg!

Overigens ben ik als krantverslaafde zeer geïnteresseerd in de ontwikkelingen van internet en de vraag of kranten op den duur gaan verdwijnen. Ik denk zeker van niet, want papieren kranten maken reflectie mogelijk waar dat online veel moeilijker gaat. Papieren kranten zijn goedkoper dan alle artikelen die je online wilt uitprinten en dat is nodig als je serieus thema?s onderzoekt of wilt blijven volgen. Dat de jongere generatie zelf zijn nieuws van internet afhaalt is wat mij betreft een dwaling. Juist achtergrondinformatie die voor onderzoeksjournalisten en commentatoren geschreven worden, dan wel door andere specialisten via ingezonden opiniebijdragen, zijn waardevol om als archief bijgehouden te worden, en die informatie wordt erg moeilijk zoeken online. Daarom zullen kranten als een nutsfunctie niet verdwijnen, want dan valt een stuk beschaving weg.

Jan Willem Jongejans, politicoloog.