Meedoen of toekijken: de journalist en sociale media

[Dit is een essay ter gelegenheid van het openbaar symposium 'Journalistiek en sociale media: de balans' van de masteropleiding Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam, vrijdag 14 maart 2014]

Brits marktonderzoek, uitgevoerd onder 1.200 mensen in 2014, laat zien dat 59 procent van mensen op Twitter tenminste één journalist of krant volgen. Iets minder dan helft volgt specifiek een journalist; sterker nog: sommige individuele journalisten hebben meer volgers dan de krant waarvoor ze werken. Daar komt bij dat mensen die journalisten op Twitter volgen veel actiever zijn dan anderen – zij versturen bijvoorbeeld twee keer zoveel tweets als de mensen die geen journalisten volgen. Deze bevindingen sluiten aan bij ons internationaal onderzoek (met Leopoldina Fortunati en Federico de Luca in 2013) onder nieuwsconsumenten in Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland en Duitsland. Mensen die het nieuws volgen zijn vaker actief met journalisten en journalistiek online en vice versa. 

Er lijkt voor journalisten een wereld te winnen bij het actief inzetten van sociale media in hun werk. Aan de ene kant zijn er tal van bewijzen dat de journalistiek zich inderdaad steeds nadrukkelijker manifesteert op sociale media. Dat krijgt de vorm van het inzetten van het publiek bij nieuwsgaring en het checken van informatie (zoals bijvoorbeeld bij GuardianWitness), voor het verzamelen van ooggetuigenverslagen en persoonlijke indrukken bij het nieuws (denk aan CNN’s iReport), het publiceren van nieuws (zichtbaar in de 'digital first' strategie zoals aangekondigd bij De Volkskrant) en voor het promoten van het eigen merk als journalist dan wel als nieuwstitel. 

Aan de andere kant wijzen studies onder journalisten op een nogal ambivalente houding ten opzichte van sociale media. Dat is deels zichtbaar door te kijken naar wat journalisten nu eigenlijk precies doen met sociale media – zoals Twitter en Facebook. Hieruit blijkt stelselmatig dat het toch vooral gaat om het zenden van informatie en dat er van daadwerkelijke interactie met het publiek of bronnen betrekkelijk weinig beklijft. 

Hoewel bijna iedereen sociale media belangrijk vindt en verwacht dat de toekomst van het vak niet los gezien kan worden van sociale media, blijkt in de dagelijkse praktijk dat het professioneel toepassen van sociale media soms botst met de belangen van de nieuwsorganisatie aan de ene kant en de persoonlijke visie van de journalist anderzijds. Jaarlijks onderzoek onder een kleine 600 Britse journalisten in 2011, 2012 en 2013 (door wetenschappers van de Canterbury Christ Church University) laat zien dat ze steeds meer gebruik maken van sociale media in hun werk – 42 procent zegt het vak zelfs niet meer zonder te kunnen uitvoeren – en tegelijkertijd zeer ambivalent zijn ten opzichte van de eventuele toegevoegde waarde voor de journalistiek. 

Dat beeld zien we ook in Nederland terug. Jeroen Smit voerde in 2013 samen met Tamara Witschge en Eva Schram een enquête uit onder bijna 600 dagbladjournalisten over hun visie op de toekomst van het vak. De overgrote meerderheid (89 procent) vond dat in de toekomst sociale media moeten worden ingezet bij het vinden van verhalen. Ook merkten de meeste respondenten op dat er in op de redactie nog weinig in online geïnvesteerd wordt. Eerder onderzoek onder ruim duizend Nederlandse journalisten (uitgevoerd door Liesbeth Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter in 2010) liet zien dat de overgrote meerderheid sociale media zoals Facebook of Twitter zelden of nooit gebruikte om contact te onderhouden met relaties of informanten, dan wel om nieuwe contacten op die manier aan te boren – ook al waren diezelfde journalisten bijna unaniem van mening dat internet een nuttig instrument is voor hun journalistieke werk. 

Los van studies op redacties nemen sociale media een dominante rol in bij het werk van freelancers en ZZP’ers in de journalistiek. In een recente survey onder 847 Nederlandse freelance journalisten (uitgevoerd in oktober 2013) vindt de meerderheid (69 procent) dat met de komst van internet zij zich meer van hun collega’s zullen moeten gaan onderscheiden. Het toepassen van sociale media voor het profileren van het eigen merk en specialisme speelt daarbij een cruciale rol. Volgens de laatste telling (uit 2010) werken tenminste 44 procent van alle journalisten in Nederland exclusief als freelancer; dit percentage is meer dan verdubbeld in de laatste tien jaar. 

Hieruit komt een beeld naar voren van een beroepsgroep die – door een breed gedeelde perceptie dan wel effectief gebruik - niet meer buiten sociale media kan en daarbij op zoek is naar een professionele houding in deze netwerken. De zoektocht gaat vooralsnog alle kanten op. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de genoemde ambivalentie ten opzichte van de veronderstelde zegeningen van sociale media en uit het feit dat tal van nieuwsbedrijven en redacties bezig zijn met het ontwikkelen of aanscherpen van formele richtlijnen voor het beroepsmatig gebruik ervan (zoals ook bij onze Zuiderburen). 

Redactionele richtlijnen zijn op zichzelf vaak expressies van de ambivalentie ten opzichte van sociale media, aangezien het veelal een lijst van handelingen betreft die journalisten vooral niet moeten doen. Alexander Pleijter merkt in dit verband op hoe deze codes bevestigen hoe belangrijk sociale media voor journalisten zijn, terwijl ze tegelijkertijd de journalist op allerlei manieren aan banden leggen bij het daadwerkelijk gebruiken van deze middelen. 

De journalistiek zit wat betreft sociale media in een situatie die in veel opzichten lijkt op de patstelling in het schaakspel. Sociale media in alle vrijheid omarmen is met name voor redacteuren die in vast of tijdelijk dienstverband bij nieuwsbedrijven werken geen optie – maar sociale media negeren is eveneens geen legitieme zet. Vaak blijven journalisten en deskundigen in dit debat vast zitten tussen al te naïeve lofzangen op de 'zegeningen' van sociale media en benauwende opsommingen van de 'gevaren' er van. 

Want het klinkt mooi: de journalist op Facebook, Twitter en verwante netwerken kan transparant zijn of haar werk doen, banden met het publiek onderhouden, de aandacht vestigen op publicatie van nieuws en achtergronden, in discussie gaan over de nasleep van verhalen en nieuwe bronnen en informatie aanboren. Aan de andere kant is de kans groot dat hierdoor allerlei voor het functioneren van de beroepsgroep wezenlijke grenzen vervagen: tussen journalist en burger, tussen nieuws en opinie, tussen feiten en meningen, tussen het professionele en het persoonlijke. Deze grensvervaging plaatst de journalist wellicht wat meer in de samenleving en tussen de mensen maar staat haaks op het gezag dat de journalistiek sinds de ontzuiling afgedwongen heeft juist door nadrukkelijk los van maatschappelijke belangen haar beroep uit te oefenen.

Hoewel de pleitbezorgers van een meer open, interactieve en transparante journalistiek – mijzelf incluis - enthousiast zijn over de mogelijkheden van sociale media negeren zij veelal het gegeven dat uit internationaal onderzoek (van Pablo Boczkowski) blijkt dat de gemiddelde nieuwsconsument eigenlijk helemaal niet zit te wachten op al die interactie – men wil gewoon nieuws, niets meer en niets minder. 

De sceptici lijken aan de andere kant uitsluitend uit te gaan van de journalistiek zoals deze in naam van (en in vast dienstverband bij) nieuwsbedrijven wordt gebezigd en onderschatten daarnaast de verwachtingen die in brede delen van de samenleving heersen ten opzichte van een meer responsieve houding van instituties (zoals de journalistiek en de politiek). 

Er zijn hele goede argumenten te maken voor en tegen een al te enthousiast gebruik van sociale media voor professionele journalisten – zo goed zelfs, dat het debat alle kanten op gaat en weinig houvast biedt. Misschien is het goed om een stap terug te doen en te reflecteren op wat sociale media eigenlijk precies zijn. Sociale media zijn het beste te beschouwen als een forse uitvergroting van het gesprek dat (een groot gedeelte van) de samenleving met zichzelf heeft. Er zijn hele goede redenen te bedenken waarom miljoenen mensen in Nederland en biljoenen wereldwijd elke dag weer sociale media bezoeken, bekijken, waarderen, invullen, aanvullen en doorsturen: 

  • Allereerst is er een sterk economisch motief: actief deelnemen aan sociale media heeft voordelen, want je bent op de hoogte van wat er speelt, je komt op het spoor van allerlei nieuwe gegevens, producten en ideeën, je komt er snel achter wat de beste restaurants zijn (op Yelp) en op wie je moet stemmen (via een digitale Stemwijzer). Het deels inleveren van je privacy lijkt daarbij een geringe prijs, met name onder jongeren.
  • Daarnaast is er een sociale reden om je leven (en dat van anderen) te delen in media: het behoort tot onze meest menselijke drijfveren om te zien en gezien te worden. In sociale media vervullen we onze behoefte tot erkenning.
  • Los van deze motieven hebben we ook een sterke psychologische beweegreden voor het actief gebruik van sociale media: de aandacht die we via deze netwerken krijgen werkt min of meer verslavend, zo blijkt uit onderzoek. Elke 'comment', 'like' en 'retweet' geeft ons een kick – ons brein produceert daarbij een klein beetje dopamine. Dat laat ons goed voelen en daardoor gaan we snel op zoek naar meer.
  • Tot slot suggereert werk van onder anderen Judith Donath (MIT) een krachtige biologische reden voor onze deelname aan sociale media: wat we daar doen lijkt nog het meest op de rituelen van primaten zoals elkaar ontvlooien, krabben, kammen, likken, aaien en strelen. Door ons gedrag in sociale media weten we waar we bij horen en hoe de spelregels van onze samenleving in elkaar steken.

Het is belangrijk om online sociale netwerken, hoe mensen zich daarin verhouden en de rol die dit soort netwerken spelen in het dagelijks leven niet als uitzonderlijk of uniek voor (nieuwe) media te zien. Hiermee wil ik aangeven dat het debat over het al dan niet gebruiken van sociale media in de journalistiek in eerste instantie niet zou moeten gaan over technologie, software of de voor- dan wel nadelen van Twitter, Facebook en andere platformen. Het gaat primair om de vraag, hoe je de rol als journalist ziet: als buitenstaander, autonome en neutrale waarnemer van het maatschappelijke veld, of als deelnemer, onlosmakelijk verbonden met de gemeenschap waarover je verslag doet. Dat zijn twee fundamenteel verschillende visies op het vak en voor beide perspectieven valt veel te zeggen. 

De buitenstaander kan op een geheel andere manier om gaan met sociale media als de deelnemer en voor hem of haar geldt daarmee direct een andere aanpak. Voor de journalist als buitenstaander, werkend vanuit een perspectief als objectieve waarnemer van hetgeen zich maatschappelijk manifesteert (of dat nu de prangende actualiteit of het historisch archief is) is het voor te stellen dat sociale media hooguit relevant zijn als bron (een van de velen) en het aankondigen, verspreiden en promoten van gepubliceerd werk. 

Een journalist die zichzelf en het vak veel eerder als deelnemer van het maatschappelijke debat en als onlosmakelijk onderdeel van de samenleving ziet heeft meer aan sociale media als gesprekspartner waarmee de journalistiek een meer 'menselijk' gezicht krijgt. 

Deze fundamentele reflectie op de rol en functie van de journalistiek staat niet op zichzelf en kan ook gevonden worden in de gezondheidszorg, de politiek, de advocatuur en tal van andere beroepen welke zich geconfronteerd zien met een wantrouwige en sceptische burger die online informatie heeft verzameld om het eigen gelijk en belang bevestigd te zien en institutionele autoriteit niet of nauwelijks erkent.

De rol van de journalist in sociale media biedt prachtige kansen tot fundamentele reflectie op wat journalistiek is en hoe journalisten zich beroepshalve tot de samenleving kunnen verhouden. Richtlijnen zijn in dit verband nuttig, maar niet als ze uit gaan van een negatieve grondhouding. Persoonlijke visie is essentieel, als deze maar verantwoordelijkheid voor journalistieke handelingen en gedrag insluit.

Als wetenschapper zie ik alleen voordelen bij het toepassen van sociale media in de journalistiek, al is het maar omdat hierdoor de fragiele en tegelijkertijd wezenlijke grenzen van het vak zichtbaar en bespreekbaar worden.