Het Journalistieke Drama


Op zaterdag 27 december 2014 publiceerde het NRC Handelsblad een kort essay van mij, waarin ik de affaire rondom voormalig Trouw-journalist Perdiep Ramesar in een brede maatschappelijke context plaats - namelijk die van de journalistiek als een nagenoeg exclusief 'wit' beroep in een anderszins kleurrijke, multiculturele samenleving.

De opinieredactie van het NRC had mij eerder die week om het stuk gevraagd - met het verzoek iets meer te zeggen over het probleem dat de journalistiek heeft met diversiteit (zoiets had ik zelf eerder gesuggereerd in een interview met Trouw op 22 december).

In mijn opinie - die ik hieronder in de door mij ingeleverde versie weer geef - stel ik in het kort dat journalisten goedbedoelende, hardwerkende en ambitieuze professionals zijn... maar dat de journalistiek ook het domein van een beperkte maatschappelijke elite is die door de eigen homogeniteit zichzelf en elkaar de maat niet meer neemt. Dit komt vooral tot uitdrukking in de veelal krampachtige manier waarop met de multiculturele samenleving wordt omgegaan - zowel binnen de redactie als in het nieuws. Hiermee wilde ik privilege, zoals verkregen door sociaaleconomische klasse (waarbinnen de blanke huidskleur een vorm van kapitaal is), aan de orde stellen. Dit niet om journalisten aan te vallen, maar om hen te wijzen op hun sociale verantwoordelijkheid. Ik denk dat bewustwording kan leiden tot nuttige zelfkritiek en meer empathie voor de medemens - of dat nu een collega of een nieuwsbron is.

De reacties op dit stuk, welke binnenkwamen via e-mail, Twitter en Facebook, vielen uiteen in twee groepen. Aan de ene kant stonden zij, die enthousiast stelden dat dit alles eindelijk eens gezegd moest worden, het was "uit het hart gegrepen", "treffend", "helder" en zelfs "ijzersterk." Aan de andere kant kreeg ik respons van vooral werkende journalisten die mij verweten van het schrijven van "kolossale kletsika", "onzin", "lulkoek" en "borrelpraat."

Aan de ene kant wijst dit op het succes van een opiniebijlage van een krant: het biedt mensen iets om nadrukkelijk stelling in te nemen. Aan de andere kant is het jammer dat mensen niet inhoudelijk doordenken over argumenten en bewijzen, maar direct naar meningsvorming doorschieten. Dat is te begrijpen - en als schrijver van een stukje in de krant ben ik ook niet zo naïef om te denken dat ik een ongemakkelijke analyse zoals mensen wijzen op hun geprivilegieerde context effectief kan vervatten in 800 woorden.

Los hiervan moet ik, als ik de implicaties van mijn eigen analyse respecteer, ook vaststellen dat deze reacties er niet waren geweest - of nadrukkelijk anders zouden zijn - als ik iemand anders zou zijn dan de hoogopgeleide oude witte man die ik ben. De vraag is zelfs, of ik als ik niet oud, wit en man zou zijn überhaupt voor een opiniebijdrage in het NRC gevraagd zou zijn... Ik mag meepraten vanwege mijn positie in het veld en het kapitaal dat daarmee gepaard gaat. Mijn veld, de wetenschap, is ook een domein dat niet bepaald gebukt gaat onder een weelde van verscheidenheid.

Waar de kritische reacties over struikelden, was mijn typering van journalisten als zijnde een 'gegoede klasse' dan wel een 'elite' in de maatschappij. Dat klinkt ongenuanceerd (en dat is het ook - het is tenslotte een opiniebijdrage in een dagblad, geen wetenschappelijke publicatie). Waarom is deze typering toch juist? Allereerst bedoel ik met 'gegoede klasse' dat journalisten onderdeel uitmaken van een "professional-managerial class" zoals uitgewerkt in de studies van André Gorz en Barbara en John Ehrenreich. Deze klasse lijkt in veel opzichten op de toplaag van de samenleving: hoogopgeleid, onderdeel uitmakend van de dominante cultuur, qua waarden en normen behorend bij de middenklasse. Tegelijkertijd staan deze professionals ook met één been in de arbeidersklasse, omdat ze zelf geen controle hebben over de bedrijfstak waarbinnen ze werkzaam zijn. Toegang tot deze klasse is veelal open in theorie - het gaat om beroepen waar veelal geen formele toegangseis voor bestaat, of waarvoor de toegangseis neutraal lijkt (zoals het behalen van een diploma bij een opleiding waarvoor studiefinanciering beschikbaar is): de journalistiek, de wetenschap, het onderwijs, de kunsten, film en televisie, de reclamewereld.

Voor de creatieve industrie in het algemeen, werk in de media in het bijzonder en specifiek voor de journalistiek geldt, dat deze beroepen de afgelopen twintig jaar in de praktijk steeds minder toegankelijk zijn geworden. Vroeger waren dit al tamelijk exclusieve vormen van arbeid - tot aan het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw waren dit allemaal sectoren gedomineerd door witte mannen (voor de journalistiek, zie hiervoor de studie "Voor zover plaats aan de perstafel" uit 1986). Dat veranderde daarna: er kwam meer ruimte voor vrouwen en later zelfs voor allochtone journalisten (zie mijn eigen onderzoek onder allochtone journalisten uit 2002). Door een samenloop van omstandigheden - technologische innovatie, economische achteruitgang, een defensieve managementcultuur en de opkomst van masteropleidingen als alternatief voor de journalistieke beroepsscholen - is deze progressie tot een halt gekomen. De groei van vrouwen en minderheden is gestagneerd. Vaste banen zijn nagenoeg verdwenen uit het vak.

Dit alles gaat gepaard met stijgende kosten om tot het vak door te dringen: een HBO is wel het minste - voor banen bij de landelijke kwaliteitsmedia is een universitaire opleiding in de praktijk vereist. Studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is ingekort en wordt omgezet in een lening. Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als freelancer c.q. zelfstandige journalist. Voor hen zijn de tarieven de afgelopen tien jaar structureel gedaald (in de fotojournalistiek zijn de tarieven gehalveerd). Bijna de helft van de Nederlandse freelancers is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon. Op redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro per maand. Deze ontwikkelingen zijn niet uniek voor de journalistiek, noch voor Nederland. In Amerika, waar ik tot voor kort werkte, krijgen de meeste studenten en nieuwkomers in de journalistiek helemaal niet betaald voor stages - terwijl een stageplaats toch echt nagenoeg de enige manier is om het beroep binnen te treden.

Door dit soort ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds minder toegankelijk voor iedereen - in feite wordt het hierdoor een speelveld van een gegoede klasse - zij, die het zich kunnen veroorloven om jarenlang of zelfs voor het grootste deel van hun loopbaan onder of rondom het minimumloon te werken; zij, die zich als jongere kunnen handhaven met inkomst van een paar honderd Euro per maand (en daarbij veelal wonend en werkend in de grootste en daardoor duurste steden omdat daar de belangrijkste nieuwsmedia gevestigd zijn).

In mijn eerdere onderzoek onder media professionals in de journalistiek, reclame, film, televisie en videogames merkte ik iets dat ik nu ook in de Nederlandse journalistiek zie: dat journalisten steeds verder uitgebuit worden door een bedrijfstak die niet meer in hen investeert. Dat de toegang tot het vak daardoor steeds exclusiever wordt. Dat hierdoor het met name voor mensen uit de sociaaleconomische onderste regionen van de samenleving onmogelijk is om aan dit soort beroepen deel te nemen. In Engeland wordt dit het "elitism in the professions" genoemd en maakt men zich terecht zorgen over de afnemende sociale mobiliteit in de samenleving. Wereldwijd kennen we dit fenomeen ook uit het baanbrekende werk van de Franse econoom Thomas Piketty.

Met mijn stuk wilde ik deze sociale ongelijkheid op de kaart zetten als macro-context voor de affaire-Ramesar, naast micro-factoren (zijn persoonlijke overwegingen en motieven), en meso-factoren (de redactionele context). Hieronder de bijdrage met daaronder een lijstje met publieke toegankelijke bronnen voor mijn argument. Vanzelfsprekend zijn er ook talrijke wetenschappelijke bronnen - neem bij interesse daarvoor graag contact met mij op.


Opiniebijdrage voor NRC Handelsblad

Het ontslag van journalist Perdiep Ramesar bij dagblad Trouw zorgt voor veel onrust in de journalistiek. Jarenlang schreef hij verhalen over de multiculturele samenleving op basis van verzonnen bronnen. Collega’s hadden vermoedens, maar deden niets. Begeleiding ontbrak, chefs wisselden in hoog tempo af. Naast vooralsnog ondoorgrondelijke persoonlijke omstandigheden van de journalist in kwestie wijst de context van dit schandaal naar een evenzeer klassiek als dramatisch probleem voor de journalistiek.

Op maandag 10 november 2014 werd journalist Perdiep Ramesar ontslagen bij dagblad Trouw na een intern onderzoek van de redactieraad, waaruit bleek dat hij regelmatig een journalistieke doodzonde had begaan: het verzinnen van bronnen. Daarna werd een externe onderzoekscommissie ingesteld die op 10 december haar rapport presenteerde. Daarin werd bevestigd wat de redactie al vermoedde: van een wezenlijk gedeelte van Ramesar’s verhalen kon de waarheid niet geverifieerd worden. Rondom zijn ontslag en de publicatie van het onderzoeksrapport werd direct verwezen naar zijn Hindoestaanse achtergrond – weliswaar niet als oorzaak van zijn gedrag, maar wel als verklaring voor de manier waarop met zijn artikelen en zijn aanwezigheid op de redactie werd omgegaan.

In een exemplarische reactie schreef GroenLinks-politicus Tofik Dibi op 22 december op zijn weblog dat de verklaring voor dit alles gezocht moet worden in de enorme behoefte van Nederlandse nieuwsmedia aan “smeuïge verhalen over de multiculturele samenleving” aan de ene kant en het gegeven dat zij een nagenoeg compleet witte redactie hebben aan de andere.

Dibi heeft gelijk: redacties in Nederland zijn wit. Uit representatieve studies onder journalisten in Nederland blijkt dat twee procent een allochtone herkomst heeft (ten opzichte van ruim twintig procent allochtone Nederlanders). Minder dan vier procent van alle afstuderende studenten journalistiek in Nederland is niet-westers allochtoon. Einde verhaal, zo lijkt het: er is te weinig etnische diversiteit in de media, waardoor de enkele allochtone collega een welhaast onmogelijke positie inneemt, belast als hij is met het gewicht van hele multiculturele samenleving.

Nu is de zorg om het uiterst geringe aantal allochtone journalisten werkzaam op Nederlandse redacties belangrijk, maar ook beperkt. Het gaat uit van een spiegelprincipe: de aanname dat een redactie met een samenstelling gelijk aan de compositie van de samenleving noodzakelijkerwijs meer pluriform nieuws produceert. Hoewel een kleurrijkere redactie wel degelijk noodzakelijk is daar waar het gaat om de dagelijkse confrontatie met diversiteit, suggereert onderzoek steevast dat de cultuur van een nieuwsorganisatie een veel sterkere invloed heeft op nieuwswaarden en -selectieprocessen dan het al dan niet aanwezig zijn van minderheden zoals vrouwen, jongeren of allochtonen. Dit maakt nieuwsgierig: wat is er dan wél aan de hand bij Trouw en in de journalistiek? Hoe wordt zo’n eenvormige en eenkennige cultuur in stand gehouden? Het antwoord: de journalistiek is (net zoals andere beroepen in de creatieve industrie, waaronder ook de wetenschap) het domein van een betrekkelijk kleine maatschappelijke elite – mensen die zich het kunnen veroorloven om voor een carrière in de journalistiek te kiezen.

Redactionele vacatures worden tegenwoordig vooral gevuld met het aannemen van mensen op verlengde stage- en werkervaringsplaatsen tegen een minimale vergoeding en door mensen met tijdelijke contracten (van enkele maanden tot een jaar) zonder redelijk uitzicht op een vaste aanstelling. Het aandeel freelancers is gestegen van 13 procent in 1993 tot ongeveer de helft in 2013. Recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten toont aan dat tarieven voor freelancers over de hele linie de laatste tien jaar scherp gedaald zijn. Meer dan de helft van de zelfstandige journalisten verdient volgens onderzoek van de Sociaal Economische Raad maandelijks netto minder dan het minimuminkomen.

Op de redacties van alle Nederlandse nieuwsmedia is daarnaast sprake van een buitengewoon onrustige dynamiek: ontslagrondes en reorganisaties, nieuwe eigenaren en managers, innovaties en bezuinigingen buitelen over en door elkaar heen. Geen enkele positie blijft onaangetast, iedereen voelt de onzekerheid over de toekomst. Mede hierdoor is het beroep uitsluitend toegankelijk voor hoogopgeleide mensen met eigen vermogen en rijke ouders, zonder de zorg voor gezin of familie.

Net zoals in de samenleving als geheel is het werkelijke drama dat de journalistiek treft die van arm versus rijk: het vak is het speelveld van een gegoede klasse waarbinnen iedereen ongeveer dezelfde bovengemiddelde sociaaleconomische status heeft. In zo’n context neemt niemand elkaar de maat meer – want dat doen mensen meestal niet (zo grondig) met zichzelf. Dat blijkt uit het onderzoeksrapport over de omgangsvormen op de redactie van Trouw: er bestond “geen traditie van elkaar diep bevragen”, waarbij de cultuur omschreven werd “van goedgelovig en braaf naar onverschillig en apathisch.” Dit, en de enorme uitzonderingspositie van een allochtone journalist binnen zo’n witte redactie, zorgde er voor dat niemand fundamenteel met elkaar in debat ging. En dat is precies waar het om draait bij diversiteit: niet om een spiegel van de samenleving, maar om actieve ervaring met en beleving van diversiteit. Niet alleen op straat in de Schilderswijk, maar overal – dus ook in het nieuwsbedrijf.


 
Bronnen (buiten wetenschappelijke literatuur)

- CBS Statline: voor data over samenstelling afgestudeerde studenten journalistiek (van 2000 tot en met 2013);
- Mijn proefschrift uit 2002: onderzoek uit periode 1998-2002 (zie ook het boek "Wat is Journalistiek?" uit 2004) op basis van surveys en expert-interviews met journalisten;
 - onderzoek uit 2010 van Liesbet Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter naar het profiel van de Nederlandse journalist;
- onderzoek uit 2013 van Pyrrhula onder freelancers in Nederland (in opdracht van FLA, NVJ, Lira en FF);
- onderzoek in het buitenland, bijvoorbeeld Engeland, over de kosten van een journalistieke loopbaan en de gevolgen daarvan voor het steeds elitairder worden van creatieve beroepen (waaronder de kunsten en de journalistiek) en de politiek;
- vergelijkbaar onderzoek en analyse in Amerika zoals gerapporteerd in The Economist;
- tot slot, qua persoonlijke waarneming (die niet de basis vormt van mijn bijdrage, maar om verantwoording af te leggen ten opzichte van mijn eigen geprivilegieerde perspectief): ik ken de studenten (en zij, die zich aanmelden) van onze eigen masteropleiding aan de Universiteit van Amsterdam, die van de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media te Leiden waar ik ooit in deeltijd hoogleraar was, van de meeste HBO's in Nederland omdat ik daar vaak kom en docenten van verschillende opleidingen begeleid en van de twee journalistenopleidingen in Amerika (die van USC in LA en van Indiana University in Bloomington) waar ik tussen 2003 en 2013 les gaf. Tot slot: ik kom sinds 1989 regelmatig op redacties in Nederland en wereldwijd en was zelf freelance journalist van 1990 tot en met 1996 in Nederland en Zuid-Afrika.

Tot slot: zeer aanbevelenswaardig in deze context: het werk van Tabe Bergman, wiens politieke economie van de Nederlandse journalistiek de vinger op talrijke pijnlijke plekken van het vak legt. Zie bijvoorbeeld zijn boek "The Dutch Media Monopoly" (2014, VU University Press) en het daarbij horende essay voor OpenDemocracy.