Speaking: Fall 2014

Fall dates for 2014, looking forward to seeing you there:

4-6 September: Keynote at the Third Argumentor Conference 2014 'Ten Years of Facebook', Oradea / Nagyvárad, Romania (video presentation).

10-15 September: Seminar 'Media Life' at the Federal University of Rio de Janeiro, Brasil (w/ Beatriz Becker).
19 September: Opening van de 'Dag van het Grote Verhaal' van de Stichting Verhalende Journalistiek, Amsterdam (in Dutch).
27 September: Bijdrage 'Help! Ik moet ondernemen!' voor de Nacht van de Journalistiek in Nieuwspoort, Den Haag (in Dutch).
2-3 October: Paper presentation on Entrepreneurship at the Digital Disruption to Journalism and Mass Communication Theory conference in Brussels, Belgium.
13-15 October: Opening and closing of the WAN-IFRA World Publishing Expo 2014 in Amsterdam.
16 Oktober: Bijdrage Mediacafé: Journalistiek en Ondernemerschap van de VVOJ in de Zebrastraat Kunstenplatform te Gent, België (in Dutch).
13 November: Keynote voor het congres van het Landelijk Overleg Communicatieonderwijs (LOCO), Nederland.
24 November: Workshop on the future of journalism research at the University of Technology Sydney, Australia.
26 November, 8:30am: Keynote at the Journalism Education Association of Australia 2014 conference in Sydney, Australia.
28 November: Roundtable "Journalism Work, Identity and Reform in the Digital Era" at the Department of Media and Communications of the University of Sydney, Australia.



Villamedia over Journalistieke Zelfstandigheid

Deze week in vaktijdschrift Villamedia: een bijdrage, gebaseerd op mijn oratie, over journalistieke zelfstandigheid. In het stuk suggereer ik dat De Onderzoeksredactie een initiatief zou zijn van De Groene Amsterdammer - maar dat klopt niet helemaal.

De Onderzoeksredactie is een onafhankelijke non-profit organisatie voor onderzoeksjournalistiek, met een eigen webplatform en een teaching lab. De Groene is samen met hoofdredacteur Marcel Metze wel mede-initiatiefnemer van De Onderzoeksredactie. Die opereert echter vanuit een zelfstandige stichting.

Met dank aan Marcel voor de correctie!


Onafhankelijk Leven en Werken in Media

(c) piethermans.nl


We leven in media en hierdoor verdwijnen media uit ons bewustzijn. Media zijn voor ons als wat water is voor vissen.

Zoals Albert Einstein in 1936 schreef in een zelf-portret (en een uitspraak welke later werd toegeschreven aan de beroemde mediatheoreticus Marshall McLuhan): 
“Of what is significant in one’s own existence one is hardly aware [...] What does a fish know about the water in which he swims all his life?”
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat ons leven volledig bepaald wordt door media; ik wil juist uitdrukken dat, of we het nu leuk vinden of niet, elk aspect van ons leven zich afspeelt in media en dat media hiermee deel uitmaken van zowel de fysieke als emotionele architectuur en choreografie van ons spelen, leren, werken en liefhebben. In deze oratie wil ik vertellen hoe we in media leven, wat daarvan de gevolgen zijn en hoe de professionele journalist hier de centrale rol in kan spelen die we van de journalistiek in onze samenleving verwachten.

Bij wijze van inleiding kunnen we allereerst denken over de term ‘Martini media’ als basis voor het begrijpen van de manier waarop zowel consumenten als producenten tegenwoordig met media om gaan. Het concept verwijst naar de pakkende slogan van een beroemde Martini-reclamecampagne uit eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw: “Anytime anyplace anywhere”, gebaseerd op een hitsingle van de Zuidafrikaanse zanger Danny Williams.

In een geanimeerde toespraak tot de medewerkers van de British Broadcasting Corporation (BBC) in 2006 voorspelde algemeen directeur Mark Thompson een nieuwe media toekomst voor de samenleving in het algemeen en de publieke omroep in het bijzonder, een wereld volgens hem gebaseerd op het ‘Martini media’ principe: 
“meaning media that's available when and where you want it with content moving freely between different devices and platforms.”
Martini Media verwijst naar een wereld waarin media boodschappen in alle vrijheid heen en weer bewegen over allerlei platforms – van de televisie naar het internet, via een tijdschrift naar de radio, door middel van tekstberichtjes op je mobiel naar een videogame console. Dat heeft als gevolg, stelde Thompson, dat je als mediamaker niet alleen op al die platformen telkens weer een publiek moet zien te vinden voor je verhalen, maar dat dit publiek geen publiek meer is: het zijn je nieuwe medewerkers, je partners. Zij nemen een deel van het werk over door jouw boodschap door te sturen, aan te bevelen en van commentaar te voorzien. Of zelfs te remixen.

Thompson’s visie op de creatieve toekomst van de BBC verwijst naar iets wat inmiddels voor de meeste mediamakers en mediawetenschappers vast staat, maar desalniettemin nog steeds vele nieuwe vragen en problemen op roept: we leven niet meer met een paar controleerbare media die we zo nu en dan gebruiken om onszelf doelgericht te informeren of te vermaken – we leven in media die vrijelijk om ons heen dartelen en al onze informatie, opvattingen, ideeën en gedrag vastleggen, opslaan en daarmee omvatten.

Niet alleen de media zijn anytime anyplace anywhere – wij zijn dat zelf inmiddels ook. In onze media, die zich qua apparaten alleen maar lijken te vermenigvuldigen, zijn we ooggetuige van de meest intieme activiteiten van mensen om ons heen, net zo goed als dat we meekijken en mee kunnen doen met de Arabische lente of de verschrikkingen van slachtoffers van natuurrampen die via sociale media op zoek gaan naar familieleden en vrienden. We worden als het ware voortdurend heen en weer geslingerd tussen het consumeren van informatie en entertainment, het produceren van onszelf en ons eigen verhaal, en de deelname aan het leven van anderen in media. Dat is, op z’n zachtst gezegd, nogal een emotionele rollercoaster. Dat emotionele leven is, vreemd genoeg, lange tijd onontgonnen terrein geweest voor zowel de sociale als geesteswetenschappen.

Mijn Italiaanse collega Leopoldina Fortunati schreef in 2009 een schitterend essay, waarin ze beargumenteerde dat de meeste theorievorming over communicatie via media zonder ‘hart’ is: we maken ons als wetenschappers blijkbaar niet zo druk om emoties. Emoties komen pas achteraf. Ze houdt een vurig pleidooi om media en communicatie te bestuderen in termen van emoties.

Je zou kunnen zeggen dat we de rol van media in ons leven meer nadrukkelijk moeten zien in de context van wat Rene Descartes ooit in 1649 de ‘passies van de ziel’ noemde: verwondering, liefde, haat, verlangen, vreugde en droefheid.

Een van de onderzoeksprojecten van mijn leerstoel neemt daarom juist deze passies als uitgangspunt: het gaat om een boek dat ik samen met professor Fortunati schrijf, waarbij we een mediafilosofie uitwerken welke start met deze passies en eindigt bij media, in plaats van andersom. Onze werktitel is: “Theory With Heart.”

Een mooi voorbeeld van een goed begrip van media als zowel object als expressie van passie is de wetenschap, dat ruim twintig procent van onze bevolking niet oorspronkelijk uit ons land komt. De meesten van hen zijn volledig van media afhankelijk voor dagelijks contact met familie, met kinderen, geliefden en met het nieuws en de muziek van waar ze vandaan komen.

Twee Britse collega’s, Daniel Miller en Mirca Madianou, noemen media daarom ‘technologieën van de liefde’ omdat media een cruciale rol spelen bij het onderhouden, verstevigen en verdiepen van onze meest intieme banden. In plaats van ‘Martini media’ kiezen Miller en Madianou voor de term ‘polymedia’ en daarmee past hun werk in een reeks recente studies die proberen het van media doordrenkte leven met hernieuwd elan te conceptualiseren, waarbij een gezond respect voor ons vaak hartstochtelijke engagement met media centraal staat.

Wat betreft het gedrag van tieners op online sociale netwerken verwijst danah boyd naar dit soort media als ‘passion places’ ofwel ‘passieplekken’: plaatsen en omgevingen in media waarin we ons hart kunnen ophalen aan dingen, mensen en ideeën waar we op dit moment specifiek zin in hebben, waar we op dat moment bij willen horen. Passie is daarmee een leidend concept om te gebruiken als we echt iets willen begrijpen van ons leven in media.

We leven in media. We kijken naar onszelf, elkaar en de wereld als in media. En in die media zijn we ook heerlijk met onszelf bezig. Verreweg de meeste inhoud in de media – denk bijvoorbeeld aan de video’s op Youtube, de status updates in sociale media, de talloze Whatsapp’jes en SMS’jes die opeen dag voorbij komen – worden geproduceerd door media consumenten en niet door professionele mediamakers.

In ons leven in media maken we niet alleen media steeds meer zélf – we maken ons zelf steeds meer in media.

In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of theYear’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd scheppend ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, schuw en angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf en deze foto delen in media) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking dit jaar alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Onderzoek over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat de meeste mensen een enorme sociale druk ervaren om daar toch vooral er goed op te staan en er niet al te veel heftige emoties of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Deze gevoelde druk wordt gevoed door ouders, docenten, wetenschappers, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. In plaats van het samen vieren dat we zichtbaar zijn en blijven in media, verschuilen we ons achter het sluier van een min of meer opgeschoonde versie van ons zelf die niet meer ‘anders’ is voor anderen.

Dit lijkt een gemiste kans – want we kunnen bijna niet anders dan in media leven en onszelf daarin laten zien. Wat ik daarmee wil suggereren is dat we ons leven in media het beste in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen kunnen verklaren:
  • Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘post-materiële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu mensen in ontwikkelde landen over het algemeen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?
  • Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Brazilië: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.
Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven en hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze op ons reageert als we er iets in doen  en waarin we ons hoogsteigen verhaal altijd kwijt kunnen ten overstaande van een welwillend publiek.

De werkelijkheid wordt daarmee een virtuele werkelijkheid zoals een computerprogramma of video game die je naar eigen inzicht en behoefte kunt aanpassen. Een werkelijkheid die je als het ware kunt maken.

Deze verwachting zien we ook terug in de inhoud van de media zelf – zo domineert de maakbare nepwerkelijkheid van reality tv al jarenlang de televisieprogrammering wereldwijd en puilen onze zenders uit van in meerdere of mindere mate extreme ‘makeover’ programma’s waarin werkelijk elk aspect van het leven – familie, carrière, huis, huwelijk en lichaam – verbouwd wordt.

Een maakbaarheidsverwachting zien we ook terug in de hedendaagse obsessie van bedrijven en overheden met ‘big data’: de manier waarop alle facetten van de markt, samenleving en gemeenschap gereduceerd worden tot statistisch bewerkbare digitale dossiers.

Op individueel niveau komt deze verwachting terug in de vorm van calorieën- en stappentellers op onze mobieltjes, het getalsmatig bijhouden van sociale netwerken (zoals vrienden op Facebook en volgers op Twitter), rankings en ratings op sites zoals Bol, Iens en Marktplaats op basis waarvan we beslissen welke boeken te lezen, waar ons avondeten gaan halen en met welke spullen we ons huis inrichten, tot aan de door algoritmes bepaalde romantiek op online dating websites.

Ook in de offline wereld vindt een gestage kwantificering van zo’n beetje alle andere aspecten van onze deelname aan de samenleving plaats: puntenrijbewijzen, airmiles, rapportcijfers, kortingscoupons en bonuskaarten, salarisschalen, kredietscores, enzovoorts.

Het reduceren van de complexe werkelijkheid tot eentje die in media kwantificeerbaar en mede daardoor maakbaar lijkt komt zelfs terug in de verwachtingen die we van ons lichaam hebben: we deinzen steeds minder terug om technologie in te zetten voor het verrijken en verbouwen van ons lichaam in de verwachting dat we daardoor ‘beter’ worden.

Onlangs suggereerde Erasmus-hoogleraar Jos de Mul op het festival van de ‘G8 van de Filosofie’ daarbij dat we met z’n allen op weg zijn naar homo sapiens 3.0 en stelde daarbij een vraag die volledig in het teken staat van een maakbaarheidverwachting: 
“Worden wij de eerste soort op aarde die zijn eigen evolutionaire opvolger gaat scheppen?”
Zo gezien stelt het leven in media ons voor een prachtige paradox. Aan de ene kant wordt de wereld iets waarin we een creatieve rol kunnen spelen. De werkelijkheid is maakbaar – is open source zoals bij computersoftware die iedereen kan delen en aanpassen. Dat geeft ons een enorme ‘communicatiemacht’ (zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells het stelt).

Aan de andere kant deinzen we massaal voor die macht terug en kruipen we in onze schulp en redigeren we alle scherpe, ingewikkelde, moeilijke of anderszins onrustige randjes van wie we zijn en hoe we ons aan elkaar laten zien weg. In feite zijn we permanent bezig onszelf op te poetsen en te verkopen in een wereld die verdacht veel weg heeft van een gigantische supermarkt, waar wij de producten zijn.

Het is de uitdaging van het leven in media om een technologische infrastructuur niet los te zien van de emotionele inrichting van ons leven – we worden in media niet meer zoals machines (maar de verleiding is groot) en onze machines zijn niet anders dan wij (ook al lijkt dat zo).

Maar... dit is een lastige opdracht. Sterker nog, meestal is de toenemende mediatisering en virtualisering van de werkelijkheid nogal overdonderend, zeker in combinatie met een schier eindeloze keuzevrijheid en maakbaarheid. Filosoof, initiatiefnemer van het innovatieve journalistieke online tijdschrift De Correspondent en voormalig NRC Next hoofdredacteur Rob Wijnberg schreef hierover in februari 2014
“We ervaren de werkelijkheid als ‘virtueler’ naarmate hij optioneler is. Of, in gewoon Nederlands: als er een knop op zit. Het is die optionaliteit die onze 24-uurs nieuwsvoorziening zo’n bevreemdende ervaring maakt, die ons heen-en-weer slingert tussen betrokkenheid en desinteresse, tussen schok en schouderophalen, tussen activisme en cynisme. Wat daaraan te doen valt: werkelijk geen idee.”
Gelukkig weten de twee primaire disciplines die zich met media bezighouden – Mediastudies bij de Geesteswetenschappen en Communicatiewetenschap bij de Sociale Wetenschappen – heel goed wat we hieraan kunnen doen. Deze twee disciplines bieden ons een meer onafhankelijke positie in het medialeven - bij Communicatiewetenschap bijvoorbeeld door ons effectief te leren communiceren zodat we in media een rol van betekenis kunnen spelen. Bij Mediastudies doen we dat door diezelfde boodschappen kritisch te bekijken, respectvol te ontleden en daarmee onszelf te ontworstelen aan de illusie van controleerbare communicatie. Ook gebeurd dat door de media zelf te ontleden: via disciplines als digitale methoden doen we dat met de data op het internet en via de media archeologie doen we dat met de hardware van media zelf.  Gewapend met deze kennis is een leven in media zowel makkelijker als vanzelfsprekender en hebben we hopelijk wat minder de neiging door te slaan in het adverteren van ons zelf.

Mediastudies houdt zich relatief sinds kort expliciet bezig met onze passies. Daar komt een tweede lacune bij: ook de bestudering van hoe media gemaakt worden is nog betrekkelijk jong – in het verleden deden vooral collega’s bij sociologie en geschiedenis studies over de media als industrie - maar ook hierin komt de laatste jaren snel verandering.

De media als industriële sector eisen een steeds prominentere plaats in de samenleving op. Zowel in Nederland als daarbuiten zien we bijvoorbeeld dat overheden en het maatschappelijke veld steeds nadrukkelijker investeren in wat wel genoemd wordt de ‘creatieve industrie’, waarvan media zoals film, televisie, videogames, reclame, muziek en ook de journalistiek deel uitmaken. De creatieve industrie is inmiddels doorgedrongen tot de negen zogenaamde ‘topsectoren’ waar het economisch beleid van de Nederlandse overheid op gericht is.

Ook zijn er zorgen over deze dominante rol van de media als maatschappelijke speler. Zo spreken wetenschappers en politici met enige regelmaat over een doorgeslagen ‘medialogica’ in onze samenleving, waarbij zowel de landelijke als regionale politiek en de journalistiek zich steeds meer op elkaar richten en elkaars agenda volgen, waarbij de stem van (en het zicht op) de burger het laat afweten.

Hoe opwindend of zorgwekkend het succes van de media als industrie ook moge zijn, het zou toch voor media makers – zij, die beroepshalve films produceren, video games ontwikkelen, televisieprogramma’s samenstellen en het nieuws verslaan – een fantastische tijd moeten zijn. Hun wereld staat volledig in de schijnwerpers! Elk jaar besteden we met z’n allen meer tijd aan media dan het jaar daarvoor. De verkoopcijfers van HDTV’s, iPads, game consoles en smartphones stijgen nog altijd. We kijken smachtend uit naar de nieuwe seizoenen van Game of Thrones en Borgen, zitten aan het scherm gekluisterd voor De Wereld Draait Door, kunnen niet wachten op het verschijnen van Destiny (de nieuwe game van de makers van HALO), en de onthullingen over het NSA spionage-schandaal heeft de journalistiek wereldwijd op de kaart gezet als onmisbare partner in het bewust om gaan met onze informatie en onze rechten als burgers.

Toch lijkt niets minder waar. In de Verenigde Staten is tussen 1997 en 2007 een kwart van alle media professionals hun baan kwijtgeraakt. Specifiek wat betreft de journalistiek was het tekenend dat tussen 2007 en 2013 30 procent van alle dagbladjournalisten ontslagen werd. Ook in Nederland neemt het aantal werkloze journalisten zienderogen toe, zo blijkt bijvoorbeeld uit cijfers van het UWV.

De Amerikaanse econoom Richard Caves stelde ooit dat het meest eigenaardige karakter van de creatieve industrie is, dat het functioneert op basis van het “nobody knows” principe: onzekerheid over het eventuele marktsucces van het eindproduct – de film, de game, de krant. Die onzekerheid strekt zich vandaag de dag uit tot een veel fundamenteler niveau: niemand weet of hij na het huidige project nog wel werk heeft, waar het volgende inkomen vandaan gaat komen, of het werk wat ze nu doen goed of slecht is – en of dat iets uit maakt.

Knagende onzekerheid in de creatieve industrie vertaalt zich in bar slechte arbeidsomstandigheden: lage lonen en steeds vaker helemaal geen betaling voor werk, geen uitzicht op promotie of een anderszins min of meer voorspelbare loopbaanontwikkeling en leven in de wetenschap dat de weinige vaste banen permanent op de tocht staan – zoals recentelijk bij het verdwijnen van vijfhonderd banen bij uitgever Sanoma, een ongewoon agressief redactioneel verjongingsoffensief bij de regionale dagbladen van Wegener (de gemiddelde leeftijd op de redacties moet binnen drie jaar omlaag van 51 naar 43 jaar), gedwongen ontslagen en vertrekregelingen bij regionale omroepen en naar verwachting ruim duizend ontslagen over de hele linie bij de landelijke publieke omroep – en dit is slechts een kleine greep uit het ontslagnieuws over de Nederlandse media sinds ik in juni 2013 terugkeerde na tien jaar in Amerika gewoond en gewerkt te hebben.

Het is een wonderlijke paradox: de media als industrie spelen een steeds prominentere rol in onze samenleving, maar zij, die beroepshalve in de media werkzaam zijn delen niet in dit succes. Dat zou aanleiding kunnen zijn tot een reeks mismoedige bespiegelingen over de toekomst van media professionals in het algemeen en journalisten in het bijzonder. Nu ben ik, zoals ik ooit mocht opmerken bij mijn vorige oratie aan de Universiteit van Leiden in januari 2008 – aan welke werkplek en collega’s ik warme herinneringen heb – geen pessimist. Met Theo Maassen ben ik van mening dat pessimisme een win-win situatie is: of je hebt gelijk, of het valt mee. En daarmee is dit perspectief op de werkelijkheid intellectueel weinig stimulerend.

Laten we daarom eens fris kijken naar wat er precies aan de hand is in de beroepsgroep van journalisten, daar waar het gaat over hun positie op de arbeidsmarkt.

Allereerst een basale vraag: hoeveel professionele journalisten werken er in Nederland? De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is de grootste beroepsorganisatie in ons land en telt ongeveer 7400 leden. Een belangrijke aanvulling op dat bestand is een onderzoek van eind vorig jaar onder ruim zevenduizend zelfstandige journalisten, waar ik zijdelings bij betrokken mocht zijn. De combinatie van deze twee bestanden suggereert dat er op dit moment in de Nederlandse journalistiek ongeveer 16.000 journalisten werken, uitgaande van een organisatiegraad van 75 procent.

Uit eerder onderzoek door Liesbeth Hermans en Maurice Vergeer van de RadboudUniversiteit Nijmegen en Alexander Pleijter van Fontys Tilburg in 2010 blijkt dat ongeveer de helft van alle journalisten in Nederland werkt als freelancer. Vooral onder nieuwkomers in het vak, bijvoorbeeld bij journalisten jonger dan 35 jaar, werkt op dit moment nog maar een kwart in vast dienstverband. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist is op dit moment 50 jaar.

De NVJ is opgedeeld in verschillende secties, zoals Dagblad, Omroep en Internet. Van de dertien secties en werkgroepen die de NVJ telt is die van de Zelfstandigen met 2128 leden inmiddels de allergrootste.

Daar waar tot aan het begin van de jaren tachtig deeltijdfuncties en tot op zekere hoogte freelancerwerk nog vooral interessante ideeën waren (waar destijds een kleine minderheid van journalisten openlijk mee speelde), was in 2000 ongeveer een kwart van  alle journalisten in Nederland op deze manier werkzaam. In tien jaar tijd is hun aantal verdubbeld (zie voor meer cijfers mijn boek "Wat is journalistiek?" uit 2004).

Op de meeste redacties bij internet, omroep, dagbladen en tijdschriften zijn vaste contracten verleden tijd en krijgen jongeren een freelancercontract aangeboden voor een bepaalde tijd. Andere redacties werken met tijdelijke contracten via uitzendbureaus, waarmee bijvoorbeeld vakanties en zwangerschapsverloven worden opgevuld.

De grootste werkgevers voor Nederlandse journalisten zijn regionale dagbladen en de publieke omroep, samen goed voor bijna een derde van alle redactionele banen. Op de derde plaats van belangrijkste bronnen van inkomsten voor journalisten staat het werken als zelfstandig ondernemer.

In het najaar van 2013 lieten de NVJ, de Stichting Lira, de Fotografen Federatie en de Freelancers Associatie onderzoek uitvoeren onder hun in totaal ruim zevenduizend leden. Het werken als zelfstandige heeft bij twee derde van de ondervraagde journalisten de duidelijke voorkeur. Volgens de cijfers verzameld door Henk Vinken en Teunis IJdens van onderzoekbureau Pyrrhula zou slechts 5 procent eigenlijk het liefst in loondienst werken. De motivatie voor het freelance bestaan is overwegend positief: meer dan helft is freelancer of ZZP’er uit overtuiging en velen kiezen voor dit bestaan om meer balans tussen werk en privé te krijgen. Van de verschillende redenen om als freelancer of ZZP’er in de journalistiek te gaan werken worden verder prominent genoemd: vrijheid (15 procent), afwisseling en flexibiliteit (10 procent), passie en uitdaging (7%).

Dit beeld correspondeert met onderzoek onder alle zelfstandige ondernemers in Nederland. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2013 laten zien dat het totaal aantal eenmanszaken en zelfstandige ondernemingen ondanks de crisis nog steeds stijgt. Op dit moment is tien procent van de in Nederland werkzame bevolking zelfstandige zonder personeel en het CBS verwacht dat dit percentage de komende jaren zal verdubbelen.

Uit een enquête onder ZZP’ers uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in 2013 blijkt eveneens dat de primaire motivatie voor de meeste ZZP’ers is het eigen baas zijn. Slechts 15 procent zegt dat naast hun wens om eigen baas te worden ook een zekere noodzaak heeft meegespeeld. Dat percentage is hetzelfde onder journalistieke zelfstandigen.

Het is interessant om deze breed gedeelde behoefte om eigen baas te zijn de koppelen aan de maakbaarheidverwachting die we van ons leven in media hebben.

Vorig jaar gaf mijn collega Jeroen Smit zijn oratie in Groningen, waarvoor hij samen met Tamara Witschge een enquête deed onder een kleine zevenhonderd dagbladjournalisten. Uit hun studie wil ik graag twee resultaten delen.

Allereerst de blijkbaar gangbare opvatting, dat de kwaliteit van de journalistiek zal lijden door de toename van freelancende collega’s: driekwart van de dagbladjournalisten is het eens of zeer eens met de stelling:
“Als het merendeel van de krantenjournalisten als freelancer werkt, zal de kwaliteit van de krant eronder lijden.”
Om een beeld te schetsen van de situatie bij een van de prominente landelijke dagbladen in Nederland waar ik recentelijk onderzoek deed: daar werken zo’n driehonderd redacteuren in vaste of tijdelijke loondienst, welk werk wordt aangevuld met de bijdrage van ruim 1.600 freelancers en zelfstandigen.

Deze beoordeling heeft waarschijnlijk te maken met de perceptie, dat het werken als zelfstandige journalist gewoon moeilijker is: 61 procent is het eens of zeer eens met de stelling:
“Voor freelancers is het moeilijker onafhankelijke journalistiek te bedrijven dan voor journalisten in vaste dienst.”
Het zijn juist dit soort percepties die nader onderzoek behoeven. Onlangs was ik betrokken bij een uniek overleg. Samen met Rosa Garcia Lopez, secretaris van een aantal secties bij de NVJ, nodigden we een groot aantal journalistieke beroepsorganisaties en onderzoekers uit voor een kennismakingslunch. Onder de genodigden waren vertegenwoordigers van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten, Stichting Lira, de Fotografen Federatie, de Universiteiten van Nijmegen en Groningen en de Hogescholen van Tilburg en Zwolle, en de Vereniging van Online Journalisten Nederland.

Uit de vloeiende discussie over wat er allemaal leeft bij de achterban, onder journalisten en opleidingen journalistiek in Nederland, kwam als meest prangende kwestie naar voren de in toenemende mate dubbele, ‘hybride’ en zelfs ‘schizofrenie’ positie van de journalist in de huidige arbeidsmarkt: als journalist met een specifieke beroepseer enerzijds en als ondernemer anderzijds. Hoe combineer je journalistieke onafhankelijkheid met een commerciële houding? Dit geldt zeker niet alleen voor zelfstandigen, want ook redacteuren in loondienst worden tegenwoordig steeds meer geacht persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de marktresultaten van het nieuwsbedrijf.

De breed gevoelde spagaat tussen marktoriëntatie enerzijds en creatieve dan wel professionele onafhankelijkheid anderzijds is een overblijfsel van een tijd waarin journalisten zich niet druk konden of wilden maken over het feit dat zij een product zonder publiek leverden. Professionele identiteit in de media ontstaat juist door bewust, kritisch en autonoom in de voortdurende onderhandeling tussen commercie en creativiteit te staan. Het is deze positie van onafhankelijk werken in media waar ik voor sta bij onze masteropleiding Journalistiek en Media.

Deze ruwe schets van het journalistenbestand staat twee duidelijke conclusies toe, welke aansluiten bij trends op de internationale journalistieke arbeidsmarkt: er vind over de hele linie een gestage vergrijzing plaats onder journalisten in (vaste of tijdelijke) loondienst terwijl er tegelijkertijd sprake is van een versnellend proces van verzelfstandiging in de journalistiek als beroep. Het ligt daarbij niet in de lijn der verwachtingen dat de vrijgekomen arbeidsplaatsen door al dan niet vervroegd pensioen overgenomen gaan worden door jongere journalisten: de internationale trend wijst steevast op toenemende flexibilisering en contractvrijheid.

De studie naar de journalistiek en vooral een oprechte interesse in de toekomst van het beroep is daarmee steeds de bestudering van het werk, de opvattingen, ervaringen en visie van zelfstandig opererende journalisten.

Hier kan ik tot slot nog bij opmerken dat de studie naar de toekomst van de journalistiek met name een studie moet zijn van de rollen en ideeën van vrouwen in het beroep, aangezien zij veruit de meerderheid vormen van alle jonge journalisten, alle zelfstandige werkende journalisten beneden 35 jaar en van alle studenten journalistiek die Nederland rijk is.

Om deze reden verheug ik me op een grootschalig onderzoeksproject dat ik dit jaar startte samen met Vera Spaans en Klaske Tameling van de Stichting Vrouw en Media naar de ervaringen en visie van journalistes in ons land – het wordt een herhaling van een beroemd (of berucht) onderzoek en boek uit 1986: “Voor zover plaats aan de perstafel.”

Hoe onrustig en onzeker de positie van de zelfstandige journalistiek als beroep ook moge zijn, het is van cruciaal belang om deze precariteit niet uitsluitend toe te schrijven aan zelfstandigen en freelancers en daarmee net te doen alsof er een glasharde scheiding bestaat tussen zelfstandige journalisten enerzijds en redacteuren in loondienst anderzijds. Gezien alle ontslagen en de aanhoudende flexibilisering van contractvormen bij omroepen en uitgevers is de werkplek in vast of tijdelijk dienstverband net zo precair als die van de naar opdrachtgevers zoekende zelfstandige. Punt is, dat zowel freelancers als fulltimers precariteit beleven in hun dagelijkse werk. Nu worden zij nog door werkgevers tegen elkaar uitgespeeld en houden zij zelf dit schisma in stand door over en weer te grossieren in stigma’s, door bijvoorbeeld redacteuren in loondienst af te schilderen als vastgeroeste dinosaurussen en zelfstandigen te zien als mislukte journalisten die niet goed genoeg zijn voor een vaste plaats op de redactie.  

Wat nog ontbreekt is samenwerking op grote schaal, bijvoorbeeld zoals uitgedrukt in de open verzameling en uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat mist is een breed gedeeld gevoel dat we samen in hetzelfde bootje zitten en dat de journalistiek slechts zo goed is als haar meest kwetsbare beoefenaars. Journalistiek zou voor alle journalisten een ‘passieplek’ moeten zijn (zoals sociale media dat voor tieners zijn) ongeacht status, aanstelling of positie in de arbeidsmarkt dan wel beroepshiërarchie. Solidariteit met gelijken is eenvoudig; samenwerken met vreemden vergt oefening en inzet. Juist de samenwerking tussen verschillende soorten journalisten en daarnaast tussen journalisten en andere media makers (zoals computerprogrammeurs, designers en creatieve managers) is cruciaal voor journalisten om het beroep met behoud van alles wat het zo’n uitzonderlijke en belangrijke positie in de samenleving geeft veilig door de volgende eeuw te loodsen.

Hoe deze samenwerking vorm kan krijgen, zal zich moeten uitwijzen. Maar wat ik overal om me heen zie zijn de hoopvolle eerste contouren van projecten en bedrijfsvormen waarbij studenten, freelancers, ZZP’ers, ZMP’ers, redacteuren en andere mediamakers bij elkaar komen om gezamenlijk in te zetten op vernieuwing en innovatie. Dat gebeurt zowel op de hogescholen als op de universitaire opleidingen journalistiek in ons land, net zo goed als deze veranderingen plaats vinden op de redacties van het NOS Journaal en het NRC Handelsblad of bij journalistieke startups zoals De Correspondent.

Samenwerking gebeurt zowel op inhoudelijk vlak als op het niveau van nieuwsvermarkting zoals bij Blendle en eLinea. En dit gebeurt zowel binnenshuis bij grote uitgevers zoals bijvoorbeeld de Telegraaf Media Groep, waar Bart Brouwers eerder deze week de journalistieke vrijplaats TMG Startups lanceerde om creativiteit en nieuwe ideeën ruim baan te bieden, of bij Sanoma waar via een intern innovatieprogramma onlangs het freelancersplatform Hubly startte.

Ditzelfde gebeurt buitenshuis, zoals in het Nieuwsatelier hier in het centrum van Amsterdam waar startups Follow The Money, LocalFocus en tot voor kort NewPaper jonge talenten –waaronder ook onze studenten – onder hun hoede nemen zodat ze door kunnen groeien tot zelfstandig ondernemend journalist. Eerder deden Tamara Witschge en ik onderzoek in het Nieuwsatelier door iedereen daar op avondeten te trakteren. Het was een heerlijke avond, waar de discussie over passie voor de journalistiek oprecht hoopvol stemde voor de toekomst van het beroep. We willen het onderzoek van deze avond voort zetten en plannen een reeks studies naar nieuwe vormen van journalistiek, zowel binnen de bestaande nieuwsmedia als daarbuiten, welk project zal uitmonden in een boek met als werktitel “Beyond Journalism.”

Laat ik tot slot benadrukken dat goedkope, ongeorganiseerde en met elkaar concurrerende werkers de benzine zijn voor de motor van een economisch systeem dat zich in de regel niets van passie, noch van kwaliteitsjournalistiek aan trekt. Samenwerkende journalisten vanuit alle onderdelen van de arbeidsmarkt met hart voor de zaak en liefde voor het vak zijn daarentegen veel machtiger dan zij zelf denken – want de creatieve industrie, geregeerd door het “nobody knows” principe, is volledig van hen afhankelijk.

Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat ik noch in ons leven in media, noch in de precaire arbeidsmarkt voor journalisten een donkere toekomst zie voor ons, voor de media of voor de journalistiek. Ik zie juist bronnen van hoop, enthousiasme en plezier en dit zijn de passies die voor mij het uitgangspunt zijn bij het begrijpen, onderzoeken en onderwijzen van Journalistiek en Media.

(hieronder: link naar video van de oratie voor de uitgesproken tekst)



Voorpublicatie #2: 25 April 2014

Hieronder nog een citaat uit mijn oratie (vandaag om 4 uur in Amsterdam) over een punt waar ik sterk over voel: de positie van de journalist op de arbeidsmarkt.
"Hoe onrustig en onzeker de positie van de zelfstandige journalistiek als beroep ook moge zijn, het is van cruciaal belang om deze precariteit niet uitsluitend toe te schrijven aan zelfstandigen en freelancers en daarmee net te doen alsof er een glasharde scheiding bestaat tussen zelfstandige journalisten enerzijds en redacteuren in loondienst anderzijds.Gezien alle ontslagen en de aanhoudende flexibilisering van contractvormen bij omroepen en uitgevers is de werkplek in vast of tijdelijk dienstverband net zo precair als die van de naar opdrachtgevers zoekende zelfstandige. 
Punt is, dat zowel freelancers als fulltimers precariteit beleven in hun dagelijkse werk. Nu worden zij nog door werkgevers tegen elkaar uitgespeeld en houden zij zelf dit schisma in stand door over en weer te grossieren in stigma’s, door bijvoorbeeld redacteuren in loondienst af te schilderen als vastgeroeste dinosaurussen en zelfstandigen te zien als mislukte journalisten die niet goed genoeg zijn voor een vaste plaats op de redactie. 
Wat nog ontbreekt is samenwerking op grote schaal, bijvoorbeeld zoals uitgedrukt in de open verzameling en uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat mist is een breed gedeeld gevoel dat we samen in hetzelfde bootje zitten en dat de journalistiek slechts zo goed is als haar meest kwetsbare beoefenaars. 
Journalistiek zou voor alle journalisten een ‘passieplek’ moeten zijn, ongeacht status, aanstelling of positie in de arbeidsmarkt dan wel beroepshiërarchie. Solidariteit met gelijken is eenvoudig; samenwerken met vreemden vergt oefening en inzet. 
Juist de samenwerking tussen verschillende soorten journalisten en daarnaast tussen journalisten en andere media makers (zoals computerprogrammeurs, designers en creatieve managers) is cruciaal voor journalisten om het beroep met behoud van alles wat het zo’n uitzonderlijke en belangrijke positie in de samenleving geeft veilig door de 21ste eeuw te loodsen."

Voorpublicatie: Oratie 25 april 2014

Vrijdag 25 april 2014 geef ik mijn oratie aan de Universiteit van Amsterdam (om 16:00 uur 's middags in de Aula van de Lutherse Kerk op het Spui te Amsterdam). Hieronder een piepklein stukje uit deze rede, daar waar het gaat over de gevolgen van ons leven in media...


In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of the Year’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Niet alleen schoolkinderen, ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de enigszins twijfelachtige selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking van 2014 alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Al het onderzoek dat mij bekend is over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat we een grote druk ervaren om er daar toch vooral goed op te staan en er niet al te veel scherpe randjes of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Dit gevoel wordt gevoed door ouders, docenten, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. Of we het nu willen of niet, we worden de media ingetrokken en we moeten onszelf op de een of andere manier daarin verhouden. Wat ik wil suggereren is dat we ons individualisme in media in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen moeten zien.

Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘postmateriële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu de meeste mensen in ontwikkelde landen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?

Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Nederland: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.


Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven, hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare, bewerkbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze reageert als we er iets mee doen.

Media Life Book Review (5): Journal of Broadcasting & Electronic Media

Late last year the Journal of Broadcasting & Electronic Media published an in-depth review of Media Life (Polity Press, 2012), now adding to the list of reviews in Publizistik, the European Journal of CommunicationInformation, Communication and Society and Digital Journalism.

The review was done by sociologist David Hill of the University of York. Hopefully he does not mind me sharing some of his comments here:

"At times [the book] risks becoming a bit breathless, as the reader is led through one theorist after another [...]This can be quite dizzying but it works as a kind of hyperlinking of theory, building up a picture of media life. It appears on the surface to be somewhat uncritical [...] but as we draw to the conclusion of the book it becomes clear that each of these theoretical expositions is adding to an understanding of what it means to live in media, that the art is not so much in one act of critical exegesis but in the tessellation of the theories."

Professor Hill highlights how, at several moments throughout the book, my efforts to stay away from typical 'kerfuffles' in media studies and social theory (particularly dualisms such as media are either 'good' or 'bad' for us) sometimes lead to uncritical and rather vague assertions. However, I am especially pleased with his too kind concluding note:

"With Media Life, Mark Deuze has produced a text that is at once both an estimable reference point for a wide range of empirical and theoretical literature on media and technology, and a thought-provoking examination of the ubiquity and pervasiveness of media that forces us to see past their invisibility to the inescapable effects they have on our lives. It deserves to be on the reading list of every student of media."





Video Interview over Leven, Werken en Doceren in Media

Meedoen of toekijken: de journalist en sociale media

[Dit is een essay ter gelegenheid van het openbaar symposium 'Journalistiek en sociale media: de balans' van de masteropleiding Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam, vrijdag 14 maart 2014]

Brits marktonderzoek, uitgevoerd onder 1.200 mensen in 2014, laat zien dat 59 procent van mensen op Twitter tenminste één journalist of krant volgen. Iets minder dan helft volgt specifiek een journalist; sterker nog: sommige individuele journalisten hebben meer volgers dan de krant waarvoor ze werken. Daar komt bij dat mensen die journalisten op Twitter volgen veel actiever zijn dan anderen – zij versturen bijvoorbeeld twee keer zoveel tweets als de mensen die geen journalisten volgen. Deze bevindingen sluiten aan bij ons internationaal onderzoek (met Leopoldina Fortunati en Federico de Luca in 2013) onder nieuwsconsumenten in Italië, Frankrijk, Spanje, Engeland en Duitsland. Mensen die het nieuws volgen zijn vaker actief met journalisten en journalistiek online en vice versa. 

Er lijkt voor journalisten een wereld te winnen bij het actief inzetten van sociale media in hun werk. Aan de ene kant zijn er tal van bewijzen dat de journalistiek zich inderdaad steeds nadrukkelijker manifesteert op sociale media. Dat krijgt de vorm van het inzetten van het publiek bij nieuwsgaring en het checken van informatie (zoals bijvoorbeeld bij GuardianWitness), voor het verzamelen van ooggetuigenverslagen en persoonlijke indrukken bij het nieuws (denk aan CNN’s iReport), het publiceren van nieuws (zichtbaar in de 'digital first' strategie zoals aangekondigd bij De Volkskrant) en voor het promoten van het eigen merk als journalist dan wel als nieuwstitel. 

Aan de andere kant wijzen studies onder journalisten op een nogal ambivalente houding ten opzichte van sociale media. Dat is deels zichtbaar door te kijken naar wat journalisten nu eigenlijk precies doen met sociale media – zoals Twitter en Facebook. Hieruit blijkt stelselmatig dat het toch vooral gaat om het zenden van informatie en dat er van daadwerkelijke interactie met het publiek of bronnen betrekkelijk weinig beklijft. 

Hoewel bijna iedereen sociale media belangrijk vindt en verwacht dat de toekomst van het vak niet los gezien kan worden van sociale media, blijkt in de dagelijkse praktijk dat het professioneel toepassen van sociale media soms botst met de belangen van de nieuwsorganisatie aan de ene kant en de persoonlijke visie van de journalist anderzijds. Jaarlijks onderzoek onder een kleine 600 Britse journalisten in 2011, 2012 en 2013 (door wetenschappers van de Canterbury Christ Church University) laat zien dat ze steeds meer gebruik maken van sociale media in hun werk – 42 procent zegt het vak zelfs niet meer zonder te kunnen uitvoeren – en tegelijkertijd zeer ambivalent zijn ten opzichte van de eventuele toegevoegde waarde voor de journalistiek. 

Dat beeld zien we ook in Nederland terug. Jeroen Smit voerde in 2013 samen met Tamara Witschge en Eva Schram een enquête uit onder bijna 600 dagbladjournalisten over hun visie op de toekomst van het vak. De overgrote meerderheid (89 procent) vond dat in de toekomst sociale media moeten worden ingezet bij het vinden van verhalen. Ook merkten de meeste respondenten op dat er in op de redactie nog weinig in online geïnvesteerd wordt. Eerder onderzoek onder ruim duizend Nederlandse journalisten (uitgevoerd door Liesbeth Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter in 2010) liet zien dat de overgrote meerderheid sociale media zoals Facebook of Twitter zelden of nooit gebruikte om contact te onderhouden met relaties of informanten, dan wel om nieuwe contacten op die manier aan te boren – ook al waren diezelfde journalisten bijna unaniem van mening dat internet een nuttig instrument is voor hun journalistieke werk. 

Los van studies op redacties nemen sociale media een dominante rol in bij het werk van freelancers en ZZP’ers in de journalistiek. In een recente survey onder 847 Nederlandse freelance journalisten (uitgevoerd in oktober 2013) vindt de meerderheid (69 procent) dat met de komst van internet zij zich meer van hun collega’s zullen moeten gaan onderscheiden. Het toepassen van sociale media voor het profileren van het eigen merk en specialisme speelt daarbij een cruciale rol. Volgens de laatste telling (uit 2010) werken tenminste 44 procent van alle journalisten in Nederland exclusief als freelancer; dit percentage is meer dan verdubbeld in de laatste tien jaar. 

Hieruit komt een beeld naar voren van een beroepsgroep die – door een breed gedeelde perceptie dan wel effectief gebruik - niet meer buiten sociale media kan en daarbij op zoek is naar een professionele houding in deze netwerken. De zoektocht gaat vooralsnog alle kanten op. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de genoemde ambivalentie ten opzichte van de veronderstelde zegeningen van sociale media en uit het feit dat tal van nieuwsbedrijven en redacties bezig zijn met het ontwikkelen of aanscherpen van formele richtlijnen voor het beroepsmatig gebruik ervan (zoals ook bij onze Zuiderburen). 

Redactionele richtlijnen zijn op zichzelf vaak expressies van de ambivalentie ten opzichte van sociale media, aangezien het veelal een lijst van handelingen betreft die journalisten vooral niet moeten doen. Alexander Pleijter merkt in dit verband op hoe deze codes bevestigen hoe belangrijk sociale media voor journalisten zijn, terwijl ze tegelijkertijd de journalist op allerlei manieren aan banden leggen bij het daadwerkelijk gebruiken van deze middelen. 

De journalistiek zit wat betreft sociale media in een situatie die in veel opzichten lijkt op de patstelling in het schaakspel. Sociale media in alle vrijheid omarmen is met name voor redacteuren die in vast of tijdelijk dienstverband bij nieuwsbedrijven werken geen optie – maar sociale media negeren is eveneens geen legitieme zet. Vaak blijven journalisten en deskundigen in dit debat vast zitten tussen al te naïeve lofzangen op de 'zegeningen' van sociale media en benauwende opsommingen van de 'gevaren' er van. 

Want het klinkt mooi: de journalist op Facebook, Twitter en verwante netwerken kan transparant zijn of haar werk doen, banden met het publiek onderhouden, de aandacht vestigen op publicatie van nieuws en achtergronden, in discussie gaan over de nasleep van verhalen en nieuwe bronnen en informatie aanboren. Aan de andere kant is de kans groot dat hierdoor allerlei voor het functioneren van de beroepsgroep wezenlijke grenzen vervagen: tussen journalist en burger, tussen nieuws en opinie, tussen feiten en meningen, tussen het professionele en het persoonlijke. Deze grensvervaging plaatst de journalist wellicht wat meer in de samenleving en tussen de mensen maar staat haaks op het gezag dat de journalistiek sinds de ontzuiling afgedwongen heeft juist door nadrukkelijk los van maatschappelijke belangen haar beroep uit te oefenen.

Hoewel de pleitbezorgers van een meer open, interactieve en transparante journalistiek – mijzelf incluis - enthousiast zijn over de mogelijkheden van sociale media negeren zij veelal het gegeven dat uit internationaal onderzoek (van Pablo Boczkowski) blijkt dat de gemiddelde nieuwsconsument eigenlijk helemaal niet zit te wachten op al die interactie – men wil gewoon nieuws, niets meer en niets minder. 

De sceptici lijken aan de andere kant uitsluitend uit te gaan van de journalistiek zoals deze in naam van (en in vast dienstverband bij) nieuwsbedrijven wordt gebezigd en onderschatten daarnaast de verwachtingen die in brede delen van de samenleving heersen ten opzichte van een meer responsieve houding van instituties (zoals de journalistiek en de politiek). 

Er zijn hele goede argumenten te maken voor en tegen een al te enthousiast gebruik van sociale media voor professionele journalisten – zo goed zelfs, dat het debat alle kanten op gaat en weinig houvast biedt. Misschien is het goed om een stap terug te doen en te reflecteren op wat sociale media eigenlijk precies zijn. Sociale media zijn het beste te beschouwen als een forse uitvergroting van het gesprek dat (een groot gedeelte van) de samenleving met zichzelf heeft. Er zijn hele goede redenen te bedenken waarom miljoenen mensen in Nederland en biljoenen wereldwijd elke dag weer sociale media bezoeken, bekijken, waarderen, invullen, aanvullen en doorsturen: 

  • Allereerst is er een sterk economisch motief: actief deelnemen aan sociale media heeft voordelen, want je bent op de hoogte van wat er speelt, je komt op het spoor van allerlei nieuwe gegevens, producten en ideeën, je komt er snel achter wat de beste restaurants zijn (op Yelp) en op wie je moet stemmen (via een digitale Stemwijzer). Het deels inleveren van je privacy lijkt daarbij een geringe prijs, met name onder jongeren.
  • Daarnaast is er een sociale reden om je leven (en dat van anderen) te delen in media: het behoort tot onze meest menselijke drijfveren om te zien en gezien te worden. In sociale media vervullen we onze behoefte tot erkenning.
  • Los van deze motieven hebben we ook een sterke psychologische beweegreden voor het actief gebruik van sociale media: de aandacht die we via deze netwerken krijgen werkt min of meer verslavend, zo blijkt uit onderzoek. Elke 'comment', 'like' en 'retweet' geeft ons een kick – ons brein produceert daarbij een klein beetje dopamine. Dat laat ons goed voelen en daardoor gaan we snel op zoek naar meer.
  • Tot slot suggereert werk van onder anderen Judith Donath (MIT) een krachtige biologische reden voor onze deelname aan sociale media: wat we daar doen lijkt nog het meest op de rituelen van primaten zoals elkaar ontvlooien, krabben, kammen, likken, aaien en strelen. Door ons gedrag in sociale media weten we waar we bij horen en hoe de spelregels van onze samenleving in elkaar steken.

Het is belangrijk om online sociale netwerken, hoe mensen zich daarin verhouden en de rol die dit soort netwerken spelen in het dagelijks leven niet als uitzonderlijk of uniek voor (nieuwe) media te zien. Hiermee wil ik aangeven dat het debat over het al dan niet gebruiken van sociale media in de journalistiek in eerste instantie niet zou moeten gaan over technologie, software of de voor- dan wel nadelen van Twitter, Facebook en andere platformen. Het gaat primair om de vraag, hoe je de rol als journalist ziet: als buitenstaander, autonome en neutrale waarnemer van het maatschappelijke veld, of als deelnemer, onlosmakelijk verbonden met de gemeenschap waarover je verslag doet. Dat zijn twee fundamenteel verschillende visies op het vak en voor beide perspectieven valt veel te zeggen. 

De buitenstaander kan op een geheel andere manier om gaan met sociale media als de deelnemer en voor hem of haar geldt daarmee direct een andere aanpak. Voor de journalist als buitenstaander, werkend vanuit een perspectief als objectieve waarnemer van hetgeen zich maatschappelijk manifesteert (of dat nu de prangende actualiteit of het historisch archief is) is het voor te stellen dat sociale media hooguit relevant zijn als bron (een van de velen) en het aankondigen, verspreiden en promoten van gepubliceerd werk. 

Een journalist die zichzelf en het vak veel eerder als deelnemer van het maatschappelijke debat en als onlosmakelijk onderdeel van de samenleving ziet heeft meer aan sociale media als gesprekspartner waarmee de journalistiek een meer 'menselijk' gezicht krijgt. 

Deze fundamentele reflectie op de rol en functie van de journalistiek staat niet op zichzelf en kan ook gevonden worden in de gezondheidszorg, de politiek, de advocatuur en tal van andere beroepen welke zich geconfronteerd zien met een wantrouwige en sceptische burger die online informatie heeft verzameld om het eigen gelijk en belang bevestigd te zien en institutionele autoriteit niet of nauwelijks erkent.

De rol van de journalist in sociale media biedt prachtige kansen tot fundamentele reflectie op wat journalistiek is en hoe journalisten zich beroepshalve tot de samenleving kunnen verhouden. Richtlijnen zijn in dit verband nuttig, maar niet als ze uit gaan van een negatieve grondhouding. Persoonlijke visie is essentieel, als deze maar verantwoordelijkheid voor journalistieke handelingen en gedrag insluit.

Als wetenschapper zie ik alleen voordelen bij het toepassen van sociale media in de journalistiek, al is het maar omdat hierdoor de fragiele en tegelijkertijd wezenlijke grenzen van het vak zichtbaar en bespreekbaar worden.

Media Life Book Review (4): Digital Journalism

It is great to still see academic book reviews for Media Life come out two years after its publication. After earlier analyses in Publizistik, the European Journal of Communication, and Information, Communication and Society comes a review by Christoph Raetzsch for Digital Journalism.

Raetzsch focuses much of his review on the theorists that benchmark my perspective on life in media - such as Kittler, Bauman, Virilio, and Beck. He is kind to conclude:

Media Life is a daring, provocative and mindful analysis of the many ways in which media have become an irreducible component of the social. It is written in a very approachable style, presented in an impeccable typographic design, and is impressive in its scope of concepts, terminologies, and the body of examples from market research, art and popular culture. One (ironic) consequence of Deuze’s analysis is that it makes media studies as a discipline appear redundant by emphasizing how every social and humanistic science must acknowledge the position of media in the constitution of its objects of knowledge. On a more critical note, however, Deuze’s nebulous formulation of “we” and “the people” leaves much to be desired: whether “we” refers to anyone connected to the global information circuit and “the people” are all those entertaining any tangential relation to the life Deuze describes, definitely warrants a more nuanced sociological analysis. Whose life it eventually is, that is in media and nowhere beyond, will be the task to determine in the future of media/life studies. The consequences of Deuze’s remarkable claim that “we are all on our own but at the same time more connected than ever before” (p. 158) have yet to be determined.

Media Life Course Outline (Helsinki and Amsterdam)

As of 2014 I am happy to report to be offering my media life course (originally developed at Indiana University Bloomington) at various places, in different ways.

Here you will find the course outline, organized in sections (styled similar as TED-talks). The course primarily builds on the various chapters of the Media Life (ML) book. All the other readings are linked to below.
  • Section one: introduction. We discuss course expectations, do a survey on the media lives of participants, talk about the creative assignment (examples of earlier student films can be found at YouTube). We also review the media life concept based on the Preface of the book. 
  • Section two: media and life defined. Where we will define media (and life) using the taxonomy of artefacts, activities and arrangements as proposed by (among others) Sonia Livingstone and Leah Lievrouw in their Handbook of New Media (2006). Reading is chapter two of the book (Media Today), and we explore a genealogy of media using the timeline of the Media History Project and the Pictorial History of Media site.
  • Section three: the convergence of humans and machines. Here a history of man-machine evolution is presented, referencing the first chapter of the book (Media Life), as well as using deep readings of two masterpieces of Romantic literature on the topic: Edgar Allen Poe’s The Man That Was Used Up (1839), and E.T.A. Hoffman's The Sandman (1816).
  • Section four: society as a living archive at the end of forgetting. Reading: chapter three (What Media Do), and using Philip K. Dick’s Minority Report (1956) we will dive deeply into issues of memory, archiving, and forgetfulness. Jorge Luis Borges' brilliant short story The Library of Babel (1941) will also feature.
  • Section five: you are being watched, and live in public, exploring every possible dimension of living in a time of massive mutual monitoring, using chapter four (No Life Outside Media) as a reference.
  • Section six: “I know where I came from - but where did all you zombies come from?” is a quote from Robert Heinlein's fascinating short story "All You Zombies" (1954). Using chapter five (Society in Media), we engage the question whether or not we are already living in a world after the zombie apocalypse - and whether this could be considered to be a good thing.
  • Section seven: we are all together alone. Our world can be seen as a silent disco, where we are all dancing together alone. Using Adolfo Bioy Casares’ novella The Invention of Morel (1940) we can begin to consider the consequences of such a life that is connected and disconnected at the same time.
  • Section eight: love, sex and death in media (life). This is where we use the theory of evolution to engage fundamental questions about our relationships with each other in media, reading (next to chapter seven, In Media We Fit), the final chapter of Charles Darwin’s epic “On the Origin of Species (1859).
  • Section ten, eleven and twelve: in these final sections, we look forward and beyond media life and consider what our options are: waging war on our machines (for this choice, Samuel Butler’s response to Charles Darwin is useful, see “Darwin Among the Machines” from 1863), surrendering to a reality made in media by media (this choice is developed nicely in all The Matrix movies from 1999-2003), or making and hacking our reality (together - as in Stephen Colbert’s concept of “Wikiality - or alone, as seen in Neal Stephenson’s "Snow Crash" from 1992).
All these concepts and themes are addressed by the course trailer, courtesy of Austin Guevara:

Oratie Universiteit van Amsterdam

Het is een voorrecht om aan te mogen kondigen dat mijn oratie als Hoogleraar Mediastudies, in het bijzonder Journalistiek op de agenda staat voor vrijdagmiddag 25 april 2014.

Inderdaad, dat is de dag vóór Koningsdag, dus ik kan me voorstellen dat U alvast in stemmig oranje komt. Dat kleurt mooi bij de toga waarin ik me zal moeten worstelen.

De oratie begint stipt om 4 uur in de Aula van de Luthersekerk in het centrum van Amsterdam. Hopelijk tot dan!

Mijn verhaal zal voortborduren op mijn eerdere oratie, uit januari 2008, voor de Universiteit van Leiden. Daar had ik het over journalistiek, nieuwe media en een volgende Big Bang. Deze Big Bang is, wat mij betreft, de veranderende organisatie van werk in de media over het algemeen, de chaotische 'workstyle' van de gemiddelde media professional, en de journalist (als ZZP'er, freelancer en anderszins 'atypische' werker) in het bijzonder.

De inaugurele rede is open voor publiek, dus heel graag tot dan! Meer informatie, updates, sneak peeks enzovoorts beschikbaar op de evenementpagina van Facebook.

On The Road 2014

[last updated: February 5, 2014] As always, if you are around these places and times, please do not hesitate to drop by and say hello. Please note these dates are tentative and will get updated as soon as possible.

Check this previous post for PDF versions of (more or less recently published) work that informs many of these presentations, workshops, seminars and guest lectures.

Speaking dates in 2014 (with first some final dates in 2013):

December 12: Talking about media life at the ZEMKI research seminar of the University of Bremen, Germany (from 6-8pm).

December 17: Talking about managing media work at the Hogeschool van Amsterdam, The Netherlands.


January 23-24: On beyond journalism at the Rethinking Journalism II conference of the University of Groningen, The Netherlands.


January 27-31: Seminar on media life as part of the Media and Global Communication program at the University of Helsinki, Finland.


January 28: Guest lecture on media life at Tampere University, Finland.


February 5 - May 7: Every Wednesday evening a lecture on media life for the Institute for Interdisciplinary Studies of the University of Amsterdam, The Netherlands.

March 11: workshop on beyond journalism for the Dutch Publishers Association in Amsterdam, The Netherlands.

March 13: talk on beyond journalism for the annual ROOS conference of regional broadcasting organizations at hotel De Heerlickheijd in Ermelo, The Netherlands.

March 14: workshop "The Future of Journalistic Work" at the Reuters Institute for the Study of Journalism, Oxford University, UK. [postponed]

March 17: guest lecture on media life and beyond journalism at the Erasmus University, Rotterdam, The Netherlands.

March 21: talk on media life at the Labyrinth congress at Leiden University, The Netherlands.

April 25: inaugural lecture (part of my installment as Professor of Media Studies at the University of Amsterdam) in the Aula of the Oude Lutherse Kerk in Amsterdam, The Netherlands.

May 1-2: talk on beyond journalism at the International Summit on Reconstruction of Journalism in 
New York.

May 8: keynote on beyond journalism at the CIR
COM conference of the European Assocation of Regional Television in Cavtat, Croatia.

May 18-20: talk on media life (and zombies) at the "Oh Man Oh Machine" conference of Tel-Aviv University, Israel.

June 5-6: talk on media work at the "Affective Capitalism" symposium of the University of Turku, Finland.

June 26-27: keynote on media work at the 13th International Conference on Research in Advertising (ICORIA) of the European Advertisting Academy in Amsterdam, The Netherlands.

[to be confirmed] August: keynote at the 5º Simpósio de Ciberjornalismo, Brazil.

Research Papers Available For Download

Several of my research papers, journal articles and book chapters (and one book) of the last decade are now available for download from the web. Please use for reference only.

Shared folder download link




Available papers:

[themes: media life; digital culture; new media; social theory]

Deuze, M. (2011). Media Life. In: Media Culture & Society 33(1), pp.137-148.

Deuze, M., Blank, P., Speers, L. (2012). A Life Lived In Media. In: Digital Humanities Quarterly 6(1).

Deuze, M. (2006). Participation, Remediation, Bricolage: Considering Principal Components of a Digital Culture. In: The Information Society 22(2), pp.63-75.

Deuze, M. (2010). Survival of the Mediated. In: Cultural Science 3(2).

Deuze, M. (2009). Media industries, work and life. In: European Journal of Communication 24(4), pp.1-14. Note: this article has been reprinted as a book chapter in: King, Elliott, Russell Cook, and Mitchell Tropin (eds.) (2010), Currents in Communication. Dubuque: Kendall-Hunt.

[themes: media work; creative industries; media management; careers]

Deuze, M. (2009). The Media Logic of Media Work. In: Journal of Media Sociology 1(1&2), pp.22-40.

Banks, J., Deuze, M. (2009). Co-creative labor [editorial]. In: International Journal of Cultural Studies 12(5), pp.419-431.

Elefante, P., Deuze, M. (2012). Media Work, Career Management, and Professional Identity: Living Labour Precarity. In: Northern Lights: Film & Media Studies Yearbook 10(1), pp.9-24.

Deuze, M., Elefante, P., Steward, B. (2010). Media work and the economic recession. In: Popular Communication: The International Journal of Media and Culture 8(3), pp.226-231.

Deuze, M. (2009). The People Formerly Known As The Employers. In: Journalism Theory Practice & Criticism 10(3), pp.315-318.

Deuze, M. (2008). Understanding Journalism as Newswork: How It Changes, and How It Remains the Same. In: Westminster Papers in Communication and Culture 5(2).

Deuze, M. (2008). The Changing Context of News Work: Liquid Journalism for a Monitorial Citizenry. In: International Journal of Communication 2.

Deuze, M., Marjoribanks, T. (2009). Newswork [editorial]. In: Journalism Theory Practice & Criticism 10(5), pp.555-561.

Deuze, M., Martin, C.B., Allen, C. (2007). The Professional Identity of Gameworkers. In: Convergence 13(4), pp.335-353.

[themes: journalism; journalists]

Deuze, M. (2002). National News Cultures: Towards a Profile of Journalists Using Cross-National Survey Findings. In: Journalism & Mass Communication Quarterly 79(1), pp.134-149.

Deuze, M. (2005). What is Journalism? Professional Identity and Ideology of Journalists Reconsidered. In: Journalism Theory Practice & Criticism 6(4), pp.443-465.

Deuze, M. (2003). The Web and its Journalisms: Considering the Consequences of Different Types of News Media Online. In: New Media & Society 5(2), pp.203-230.

Deuze, M. (2004). What is Multimedia Journalism? In: Journalism Studies 5(2), pp.139-152.

Deuze, M. (1999). Journalism and the Web: an Analysis of Skills and Standards in an Online Environment. In: Gazette, The International Journal for Communication Studies 61(5), pp.373-390.

Deuze, M. (2009). Technology and the individual journalist: agency beyond imitation and change. In: Zelizer, Barbie (Ed.), The changing faces of journalism: tabloidization, technology and truthiness, pp.82-98. London and New York: Routledge.

Deuze, M. (2005). Popular Journalism and Professional Ideology: Tabloid Reporters and Editors Speak Out. In: Media, Culture & Society 27(6), pp.861-882. Reprinted in: Anita Biressi, Heather Nunn (eds.), The Tabloid Culture Reader, pp.229-245. McGraw-Hill/Open University Press.

Deuze, M. (2007). Journalism in Liquid Modern Times: an Interview with Zygmunt Bauman. In: Journalism Studies 8(4), pp.671-679.

Deuze, M. (2002). Journalists in The Netherlands. Amsterdam: Aksant Academic Publishers (USA/Canada: Transaction). Book.

[theme: convergence culture; participatory culture]

Jenkins, H., Deuze, M. (2008). Convergence culture [editorial]. In: Convergence 14(1), pp.5-12.

Deuze, M. (2008). Corporate Appropriation of Participatory Culture. In: Carpentier, N., Livingstone, S. (eds.), Participation and Media Production: Critical Reflections on Content Creation, pp.27-40. Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishers.

Deuze, M. (2006). Ethnic Media, Community Media and Participatory Culture. Journalism Theory Practice & Criticism 7(3), pp.262-280.

Deuze, M. (2008). The Professional Identity of Journalists in the Context of Convergence Culture. In: Observatorio 2(4).

Deuze, M. (2009). Convergence Culture and Media Work. In: Perren, A., Holt, J. (eds.), Media Industries: History, Method, and Theory, pp.144-156. Malden: Blackwell.

Deuze, M. (2007). Convergence Culture in the Creative Industries. In: International Journal of Cultural Studies 10(2), pp.243-263.

Deuze, M. (2009). Journalism and convergence culture. In: Allan, Stuart (Ed.), The Routledge Companion to News and Journalism Studies, pp.267-276. London and New York: Routledge.

[theme: journalism education]

Deuze, M. (2006). Global Journalism Education: A Conceptual Approach. In: Journalism Studies 7(1), pp.19-34. Reprinted in: Tumber, Howard, Journalism: Critical Concepts in Media and Cultural Studies. London (etc.): Routledge.

Bierhoff, J., Deuze, M., De Vreese, C. (2000). Media innovation, professional debate and media training: a European analysis. European Journalism Centre Report. Maastricht: EJC.

Material in Portuguese:

Deuze, M. (2013). Viver como um zumbi na mídia (é o único meio de sobreviver). In: Revista MATRIZes 7(2).

Deuze, M., Speers, L., Blank, P. (2010). Vida midiática. In: Revista USP 86, pp.139-145.

Deuze, M. (2006). O jornalismo e os novos meios de comunicação social. In: Comunicação e Sociedade 9(1), pp.15-37.

Material in Dutch:

Deuze, M. (2010). De journalistiek voorbij [Beyond journalism]. In: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap 38(3), pp.242-249.



Course Outline Media Life

Preliminary announcement: please find below the course outline for my Media Life course for the Institute of Interdisciplinary Studies (IIS) of the University of Amsterdam.

This is an open course - free for all fulltime Dutch students - running from February until May 2014. Registration is done on an ongoing basis. Please check the IIS site and this blog for updates...
  • introduction
  • media (and life) defined
  • the convergence of humans and machines
  • society as a living archive at the end of forgetting
  • you are being watched, and live in public
  • “I know where I came from - but where did all you zombies come from?”
  • we are all together alone
  • love, sex and death in media (life)
  • living in media
  • our options (1): wage war on machines
  • our options (2): surrendering to a reality made in media, by media
  • our options (3): collaboratively shape mediated reality
  • our options (4): a Truman Show Delusion




Media Life: Open University Course in Amsterdam

In the Fall of 2014 The Institute for Interdisciplinary Studies hosts my Media Life course. The course is open to students from any level (Bachelor, Master, PhD) and is free for students and faculty/staff registered or working at all Dutch universities.

Beyond this, the course is also open to the public! The University of Amsterdam charges 70 Euros per study point (ECTS), and the course is ranked at six points (total cost: 420 Euros). As I have tooled the course to be of particular interest to media and communication professionals who want some new inspiration for engaging with digital culture, I am really hopeful folks working in the media - journalists, film and television makers and producers, game developers, advertising creatives, spokespeople (for companies, government agencies, and NGOs), marketing communicators, public relations officers and any other makers, producers and communicators to sign up!

Information on the course (including how to sign up and register) can be found on the site of the IIS. Class sessions are once a week on Wednesday evening in a comfortable venue close to Amsterdam Amstel station, easily accessible from anywhere. Language: English. For reading we will use my Media Life book (Polity Press, 2012).

More info and updates can be found on the course Facebook page and official Twitter channel. The content of the course is best represented by this awesome movie trailer designed and produced by Austin Guevara:

Media Life - Official Trailer [HD] from Austin Guevara on Vimeo.

Let me be clear: this is not a course rehashing the tired debate between public and private life online, about whether online video games are good or bad for your kids, or what is wrong with Facebook's privacy policies... This is a course intended to break through those debates, expose the assumptions, values and idea(l)s behind them, moving forward to discuss not what is or what should be, but what we can do and what can be done.

Finally: please share, forward, and recommend this course to your friends, colleagues, and family - the more the merrier! I promise it will be quite a ride...

Media Life Book Review (3): Information, Communication and Society

After earlier reviews of Media Life in Publizistik and the European Journal of Communication, I am thrilled to see the book thoughtfully reviewed (and summarized in great detail) in the journal Information, Communication and Society by media researcher, curator and artist Camille Baker.

Below some snippets of her review, first from the beginning:
"Mark Deuzes Media Life paints a bleak picture of our current media drenched existence, and puts modern society under a microscope to reveal how we now live, breathe, and are media in every aspect of our daily activities. Deuze brings to together the leading thinkers, and discourse in philosophy, psychology, neuroscience, architecture, design, media studies, digital art theory, human-computer interaction, and electronic engineering to debate the status of our immersion in media and technology."
And the end:
"Overall, Media Life has a dismal diagnosis, yet Deuze attempts to tie it all up with a strange sense of hopefulness. The intended lesson we are to come out intended to empower us is: if we move beyond consumerism, to create, produce and/or hack media, we may survive and evolve from media Zombification, before (or just in time for) media takes over. I doubt Deuzes message will be heard by the masses, but have noticed new undercurrents taking place around me. These include: (1) an increasing call to return to the body, our senses, our environment, and the natural world - embodiment, both within technology and outside of it; (2) corporations are at the forefront of challenging governments to better educate children, to use more advanced technology, and to teach programming skills at an earlier age; and (3) the increasing Do-it-yourself/Maker movement around the world has individuals and groups educating themselves and each other, to create, produce, collaborate on, and hack technology. Thus, the push for people to get more involved in hacking to take control of media is already underway. Perhaps, in another 5-10 years these dark foreboding pronouncements (recurring whenever new technologies emerge, causing cultural shifts), will be seen as paranoid calls to action for individuals to take back control over the changes and the media, or merely making fearful observations of the cultural shift underway."
Yes indeed, I am strangely hopeful. That would be a fair description of my (preferred) mindset about pretty much anything in life.



Media Life Book Review (2): European Journal of Communication


Next to a review of Media Life in Publizistik, John Corner has been also been so kind as to talk about the book at length in the European Journal of Communication (of April 2013).

It is a thoughtful and caring review, and I must agree with its conclusions. Here I quote the final paragraph of John's piece:
"Deuze has written an account which draws on a wide array of sometimes sharply original ideas about both entrapment and opportunity, organizing them vigorously and often with wit. Carrying accompanying artwork in the form of intriguing line illustrations, it has many provocative and enjoyable pages. However, it finally lacks the qualities which would have followed from a stronger concern with development rather than repetition, a more sustained contact with specific examples of ‘media life’ and a better sense of how its perceptions of the kaleidoscopic, the unstable and the ambiguous might help to progress the existing agenda of media research."
Let me take this point as a call to take more responsibility for the argument I am developing in the book, and apply it - either to research (and the engagement with method), or to the world of situated, particular, and generally less-than-equal lived experiences in media. I am listening, and look forward to continuing the work on this project with the help of students and colleagues in Amsterdam and elsewhere.

On a side note: I do think the ambivalent, kaleidoscopic, and multidimensionality (terms the reviewer uses) nature of my words in Media Life was also a reflection of my personal state at the time of writing. I found it exceptionally difficult to commit to any particular choice, perspective, or angle. Perhaps I was just overwhelmed with the abundance of consequences of thinking through such a simple premise: that we live in, rather than with, media.


Media Life Book Review (1): Publizistik

After an early brief review by students of the New Media & Digital Culture MA program at the University of Amsterdam (with an interview, published October 2012), German scholarly journal Publizistik has published a full-length review of Media Life. The review was done by Maren Hartmann, whose work I am a fan of, so I'm thrilled that she would engage with my book.

The review - published June 2013 - can be found online at the publishers' website (in German). Some general remarks Maren makes focus on my overall optimism that shines through the argument about our lives as lived in, rather than with, media; highlighting the chapter on society in media (focusing on a world after the zombie apocalypse, where the zombie as a conceptual innovation helps to break down dichotomies between humans and machines, nature and culture, and so on); and how I tend to string together so many different authors, works and arguments, that at times my own voice drowns or gets lost. In general, Maren considers the book a kind of 'Theory Mashup' - a lovely way to describe what I was aiming for.


Presentaties in Juni en Juli 2013

Per 1 juni 2013 ben ik in dienst getreden als hoogleraar Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam. De maand is direct een fijne volle maand met debatten, presentaties, en andere spreekbeurten in en rond Amsterdam over leven in media en de (toekomst van de) journalistiek. Mocht je in de buurt zijn, kom dan graag langs!

4 Juni: presentatie en workshop bij de Grote Freelancersdag 'Fun & Profit' van de NVJ. Locatie: De Observant, Stadhuisplein 7, Amersfoort. Start: 09:30 uur.

14 juni: presentatie en deelname debat in de serie 'De Verkenners' over de toekomst van de publieke omroep. Locatie: De Balie, Amsterdam. Start: 17:00 uur.

16 June: panel presentation at the 10th anniversary conference of the Department of Media and Communications of the London School of Economics. Location: Sheikh Zayed Theatre, New Academic Building, Sardinia Street, WC2A London, United Kingdom. Start: 08:45 am.

17 June: presentation at the 'Beyond The Brand' ICA pre-conference of the Popular Communication Division of the International Communication Association. Location: LSE, room 3.21, Old Building, London (UK). Start: 8:00 am.

19 June: panel presentation on "Post-Institutional Strategies in Media Work" at the International Communication Association annual conference. Location: Hilton Metropole Hotel, Balmoral room, London (UK). Start: 14:00pm.

20 juni: afsluitende spreekbeurt voor de debatavond 'Hoe werkt de journalist van morgen?' van de VOJN. Locatie: Dauphine, Prins Bernhardplein 175, Amsterdam. Start: 20:00 uur.

26 juni: dagvoorzitter van de 'Grote Expertisedag Nieuwe Media' van het Expertisecentrum Journalistiek en de NVJ Academy. Locatie: Universiteit van Amsterdam, James Watt straat 78, Amsterdam (zaal JWS 2). Start: 09:00 uur.

28 juni: presentatie voor de Journalism Studies dag van de Universiteit van Amsterdam. Locatie: Universiteitsbibliotheek.

4 July: two seminars for the World Journalism Education Congress (theme: 'Renewing Journalism Through Education'). Location: the Lamot Congress Centre and the Thomas More Mechelen (Belgium).