Women in Journalism

Let's not pretend that the sexual harassment cases at Fox News of Roger Ailes and Bill O'Reilly are particular to those men or that network. These are high profile examples of a fundamental feature of media work, where a generally informal office culture masks a deeply hierarchical, competitive, and emotionally charged working environment. These features of media work both inspire creativity and camaraderie, as they lead to all kinds of abuse - which in historically male-dominated professions tend to manifest most profoundly in workplace sexism and misogyny.

From my own research on the working cultures in the media industry - with a specific focus on the experiences of women in journalism - it seems such workplace sexism overall is getting less overt and conspicuous, but it is still there. It also seems to be done less particularly by men to women, and more by people in charge or otherwise in positions of power (that sometimes include women) to those dependent on them.

The trickiness of the current situation is that the informality and intimacy throughout the cultural sector (including, but not limited to journalism) are both necessary ingredients for creativity to blossom as they are part of why there is a persistent problem with 'the Isms' such as sexism, racism, and ageism throughout the media sector - both onscreen and offscreen.

This year, the Dutch professional association for women in journalism, Vrouw & Media, celebrates its 35th anniversary. I am proud to participate in their work by contributing an essay -in Dutch- written with Vrouw & Media chairwoman Klaske Tameling on what the current state of research has to say about the role and position and experience of women in journalism in the Netherlands. The piece, copied below, appeared in Villamedia magazine (April 2, 2017).


Vrouw & Media na 35 jaar nog altijd onmisbaar

Door Klaske Tameling en Mark Deuze

De krant is een meneer en de journalistiek is een mannenberoep. Zo concludeerden de onderzoekers in het boek ‘Voor Zover Plaats aan de Perstafel’ uit 1986 waarin de positie van vrouwen in de journalistiek in kaart werd gebracht. Sindsdien is – een enkele uitzondering daargelaten – geen fundamenteel onderzoek meer verricht over de rol, positie en ervaring van vrouwen in het vak. Wie vandaag rondloopt op een nieuwsredactie in Nederland zal concluderen: aan vrouwen geen gebrek. Ook tijdens bijeenkomsten van belangenorganisaties en borrels voor freelancers zijn vrouwen zelfs vaak in de meerderheid.

Het lijkt daarom overbodig om nog steeds dezelfde vragen te stellen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw courant waren: hebben vrouwen wel een plek aan de perstafel, zijn zij aanwezig bij de redactievergadering, worden ze serieus genomen als collega? Het antwoord op al die vragen is: ja. Dat zou kunnen suggereren dat tegenwoordig geen sprake meer is van ongelijkheid op basis van sekse of gender. Het tegenovergestelde is helaas het geval. In de hele nieuwsindustrie is anno 2017 nog steeds sprake van een glazen plafond, een loonkloof, seksisme op de werkvloer en een draaideur-effect. Het werk van een aparte belangenorganisatie voor vrouwelijke journalisten is juist van groot belang – vooral nu de meerderheid van alle nieuwe journalisten vrouw is.

Vrouwen zijn in de beeldvorming nog altijd ondervertegenwoordigd. Ook de meest recente inhoudsanalyses tonen consequent aan dat vrouwen in verhouding met mannen minder zichtbaar zijn in het nieuws. Daarbij zijn vrouwen vooral te zien in ‘zachte’ nieuwsthema’s zoals cultuur en welzijn, terwijl ze consequent minder het woord krijgen bij dominante journalistieke thema’s zoals politiek en economie. Eind 2016 deed masterstudente Melanie Zierse een inhoudsanalyse bij het NOS Journaal en bij RTL Nieuws. Ruim driekwart van de items werden gepresenteerd door mannelijke verslaggevers, daarbij in respectievelijk 65 en 71 procent van de items gebruik makend van mannelijke bronnen.

Geconfronteerd met de resultaten van haar onderzoek reageerden de RTL-redacteuren verrast. “Op de redacties wordt bijna nooit gesproken over de scheve verhoudingen bij verslaggevers en bronnen. Het wordt niet als probleem gezien,” concludeert de onderzoeker. Ook in journalistieke talkshows op de Nederlandse televisie ontbreken vrouwen. Onderzoeksbureau Motivaction analyseerde in 2016 in totaal  164 uitzendingen van De Wereld Draait Door, Pauw afgewisseld met Jinek, Nieuwsuur en RTL Late Night. uit een totaal aantal van 936 tafelgasten was slechts 30 procent vrouw.

Naast deze inhoudelijke verschillen is ook de samenstelling van de beroepsgroep eerder ongelijk dan volwaardig geëmancipeerd. Zo zijn hoofdredacties van de belangrijkste landelijke en regionale nieuwsmedia bijna volledig samengesteld uit (blanke) heren en is de managementlaag van de sector eveneens nagenoeg uitsluitend een herenclub. Ook al neemt het aandeel vrouwen in de journalistieke beroepsgroep gestaag toe, er zijn ook zorgelijke ontwikkelingen als we dieper in de cijfers duiken.

Onderzoek toont aan dat het aandeel vrouwelijke journalisten de laatste decennia aanzienlijk gestegen is. In 1899 was drie procent van alle journalisten in Nederland vrouw en in 1968 was dit vijf procent. Bij de oprichting van de Stichting Vrouw & Media in 1982 was ongeveer tien procent van alle journalisten in Nederland vrouw; in 1993 steeg dat percentage naar 20 en in 1999 maakten vrouwen 34 procent uit van de journalistiek als beroep. Tien jaar later, bij de laatste representatieve telling, bleef dit getal voor het eerst nagenoeg hetzelfde: 35 procent. De vervrouwelijking van de journalistiek zet zich voort, maar vertraagt de laatste jaren daar waar het gaat om redacteuren in vaste dienst.

Bij de meest recente trends is iets interessants aan de hand. In de eerste plaats doet de vervrouwelijking van de journalistiek zich vooral voor onder nieuwkomers: in 1999 was in Nederland de man-vrouw verhouding onder jongere journalisten (jonger dan 35 jaar) precies gelijk; in 2010 was het aandeel vrouwen in deze leeftijdscategorie 62 procent. Van de afgestudeerden van Nederlandse opleidingen journalistiek (zowel HBO als Master) is volgens cijfers van het CBS en enquêtes onder studenten bijna tweederde vrouw. In de serie jaarlijkse surveys van onderzoeksbureau Pyrrhula onder zelfstandigen blijkt dat een vergelijkbare meerderheid van de freelancers jonger dan 35 jaar vrouw is.

Parallel met deze instroom van vooral jonge vrouwen in de journalistiek zijn de arbeidsomstandigheden ingrijpend veranderd. Verreweg de meeste nieuwkomers gaan freelance of in allerlei impermanente constructies (zoals werkervaringsplaatsen, verlengde stages, invalbeurten en op projectbasis) aan de slag. Het beeld van nieuwkomers in de journalistiek als jong, vrouw, hoog opgeleid en zelfstandig werkend sluit aan bij internationaal vergelijkend onderzoek onder journalisten. Vrouwen die in het verleden in de journalistiek - meer dan mannen - kozen (of gedwongen werden te kiezen) voor tijdelijke of anderszins flexibele dienstverbanden zijn nu overwegend werkzaam als zelfstandige.

De positie van freelancers – en daarmee van een grote groep vrouwen - is zorgelijk. Freelancers hebben te maken met grote arbeidsonzekerheid en ongunstige werkvoorwaarden. Onderzoek in binnen- en buitenland toont aan dat freelancers geconfronteerd worden met een hogere werkdruk en een hoger risico op burn-out dan journalisten onder contract. Daarbij zijn de tarieven voor freelancers de laatste tien jaar flink gedaald en bijna de helft van journalistieke zelfstandigen zegt niet of amper rond te kunnen komen van freelance journalistiek werk.

De structurele verschillen tussen mannen en vrouwen – ondanks alle sociale en culturele transformaties van de laatste decennia – blijven niet beperkt tot de representativiteit van de nieuwsinhoud, het management, de redacties en beroepsgroep. Uit een aantal deelstudies tussen 2015 en 2017 van Lisa Koetsenruijter, Marjon op de Woerd, Charlot Verlouw en Hatixhe Raba, die onderzoek deden op de redacties van NRC, Trouw, NOS Journaal, RTL Nieuws en onder freelancers, blijkt dat vrouwen zich – dikwijls onbewust – nog steeds aanpassen aan een van oorsprong mannelijke redactiecultuur.

Wat zij aan de hand van enquêtes, focus-groepen en diepte-interviews vaststellen, is dat journalisten aan de ene kant opmerken dat promotiekansen en redactionele beslissingen niet aan seksisme of discriminatie onderhevig zijn. Eenmaal geconfronteerd met het ontbreken van vrouwen aan de top, onder verslaggevers en als nieuwsbron of expert, wijten vrouwelijke journalisten dit aan zichzelf: ze zouden te weinig ambitie hebben of denken dat ze niet geschikt zijn. Zoals een journaliste opmerkte bij een interview: “Ik ben een keer eerder gevraagd voor een plek in de hoofdredactie. Toen heb ik nee gezegd omdat ik vond dat ik het niet kon.” Dezelfde zelfkritiek wordt toegepast bij de verklaring van de loonkloof tussen mannelijke en vrouwelijke journalisten: vrouwen zouden niet goed zijn in onderhandelingen.

Bij de oorspronkelijke mannelijke redactiecultuur hoorde seksisme jegens vrouwen. Dat soort gedrag is vandaag niet verdwenen: van rokkenjagers en haantjesgedrag op redacties is nog altijd sprake, zo blijkt uit interviews. Seksisme is veelal niet meer zo openlijk. Veel geïnterviewden zeggen in eerste instantie dat ze er zich niks bij kunnen voorstellen. Bij doorvragen blijkt echter dat voornamelijk oudere collega’s nog wel eens opmerkingen maken. “Nou, er zijn wel een paar collega's die heel erg naar je borsten kijken. Dat vind ik een beetje sneu.” Los van dit soort ervaringen merken de geïnterviewde journalisten op dat ze aan de ene kant steeds meer (of zelfs vooral) vrouwen om zich heen zien, maar dat de wereld van de journalistiek daarmee niet verandert: de concurrentie is hoog, salaris en tarieven laag en de werkdruk groot. Vrouwen geven aan dolblij te zijn om in de journalistiek werkzaam te zijn en nemen de ‘mannelijke’ omstandigheden voor lief. Journalistieke omgangs- en werkvormen, conventies, tradities en praktijken komen voort uit een professionele cultuur die tot voor kort gedomineerd en daarmee bepaald werd door mannen, en wordt – getuige bijvoorbeeld de zelfkritiek - geïnternaliseerd.

Doet het er eigenlijk toe wie journalist is? Maakt het uit of de beroepsgroep vrouwen op alle niveaus telt, of er sprake is van evenwicht qua diversiteit in achtergrond, perspectief en traditie? Het antwoord op deze vraag is een volmondig ‘nee’ als bovenstaande condities van de journalistiek niet aantoonbaar ongelijk zouden zijn.



Journalistiek en Diversiteit

Journalistiek en Diversiteit

Inleiding voor het symposium 2015 van de UvA master Journalistiek en Media.

“Alle nieuwsmakers lijken op elkaar” kopte NRC Handelsblad op 3 februari 2015. Die kop klopt.

In 2000 had 2% van alle journalisten in Nederland een migrantenachtergrond. Bij de laatste telling, uit 2010, was dat percentage hetzelfde. Op dit moment is 35% van de journalisten vrouw en dat percentage was tien jaar geleden nagenoeg identiek: 34%. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist in 2010 was 50 jaar, ten opzichte van 42 jaar tien jaar daarvoor. In 2000 omschreef een overgrote meerderheid van journalisten (79%) zichzelf politiek gezien als ‘links’ dan wel ‘links van het midden’ (ten opzichte van 1% die zich ‘rechts’ noemde), welke percentages in 2010 niet wezenlijk verschilden (respectievelijk 70% om 2%).

Wat vooral opvalt in deze cijfers is het gegeven, dat de samenstelling van de journalistieke beroepsgroep niet wezenlijk verandert, ondanks bijvoorbeeld het gegeven dat er steeds meer allochtonen een journalistenopleiding hebben (5% van de afgestudeerden in 2013), vrouwen op deze opleidingen sinds het begin van deze eeuw tenminste twee derde van de studentenpopulatie vormen en dat jongeren er een hele gemiddelde politieke oriëntatie op nahouden.

Een belangrijke verklaring voor de stagnatie van de groei van bijvoorbeeld vrouwen en allochtonen in de journalistiek gedurende de jaren negentig (in 1993 was 20% vrouw en registreerden onderzoekers geen allochtone journalisten) is de economisch precaire positie van de journalistiek aan de ene kant en een verhoogde drempel om het beroep binnen te treden aan de andere kant. Sinds het begin van deze eeuw kenmerkt de nieuwsindustrie zich vooral door een niet aflatende reeks (massa-) ontslagen, vacaturestops en redactionele bezuinigingen. De helft van alle journalisten in Nederland werkt inmiddels als zelfstandige (ten opzichte van 21% in 2000). 

Vroeger kon iedereen journalist worden; je leerde het vak op de redactie. Op zich kan dat nog steeds – het vak kent geen formele toegangseis. In de praktijk is een beroepsopleiding tegenwoordig een minimale vereiste en letten werkgevers – vooral bij de landelijke media – op het diploma van een afgeronde master. De studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is qua tijdsduur ingekort of wordt omgezet in een lening. 

Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als zelfstandige journalist. Uit onderzoek van de beroepsorganisaties (NVJ, Lira, FLA en FF) in 2013 blijkt dat de tarieven voor freelancers sinds 2003 structureel gedaald zijn. Bijna de helft van de Nederlandse zelfstandigen is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon

Op sommige redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro netto per maand (van 2015 tot 2016 kunnen maximaal 100 journalisten gebruik maken van een ‘kennismakingsregeling’ bij dagbladen, publieks- en opiniebladen en vaktijdschriften tegen een vergoeding van ongeveer 2.100 Euro bruto per maand). 

Door deze ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds meer een beroep dat je je moet kunnen veroorloven.
In de hele mediasector, inclusief de journalistiek, is ‘wie je kent’ op z’n minst net zo belangrijk als ‘wat je kunt’ daar waar het gaat om het verkrijgen van werk of opdrachten. Het hebben en onderhouden van een persoonlijk netwerk met contacten in de journalistiek vereist actieve deelname aan (en ervaring met) voornamelijk witte, mannelijke bolwerken. 

Ook studies naar het bronnengebruik van journalisten en de samenstelling van opiniemakers in de nieuwsmedia (zoals panelleden, columnisten en hoofdredacties) tonen een groep van bijna uitsluitend witte mannen van rond de vijftig, afkomstig uit dezelfde hoogopgeleide maatschappelijke middenklasse.

De conclusie lijkt hiermee gerechtvaardigd dat de Nederlandse journalistiek, daar waar het gaat om diversiteit op het gebied van leeftijd, gender, etniciteit, maatschappelijke klasse en politieke voorkeur niet alleen weinig divers is, maar dat dit gebrek aan diversiteit over tijd structureel blijft. Dit ondanks het gegeven dat de Nederlandse samenleving steeds meer divers en gelijk wordt als het bijvoorbeeld gaat om de doorstroom van vrouwen in van oudsher door mannen gedomineerde beroepsgroepen, het stijgende opleidingsniveau van allochtone jongens en (vooral) meisjes, en het stemgedrag van de gemiddelde Nederlander.

De vraag is, of de discrepantie tussen journalistiek en samenleving belangrijk is. Als journalisten zich committeren hun werk professioneel en neutraal te doen zou het er niet toe doen wie journalist is. Los daarvan is er niet zoiets als ‘de’ journalistiek; de Nederlandse mediamarkt bestaat uit een steeds toenemende veelheid aan titels, omroepen en platformen, waarbij nagenoeg elke doelgroep en niche effectief bediend wordt. Met hooguit de publieke omroep als uitzondering heeft geen enkel nieuwsmedium de opdracht om nieuws te maken voor (of door) iedereen. 

In de praktijk maakt het wel degelijk uit wie het nieuws maakt. Onderzoek naar de berichtgeving in Nederlandse en Vlaamse dagbladen en op televisie over minderheden toont ondubbelzinnig aan dat deze bevolkingsgroepen weliswaar in het nieuws voorkomen, maar dan veelal op een stereotyperende wijze: hetzij in de context van problemen (zoals criminaliteit, werkloosheid en verondersteld onevenredig gebruik van sociale voorzieningen), dan wel in het kader van nieuws over feestdagen, klederdracht, voedsel, lifestyle en anderszins schouwspelachtige observaties die uit gaan van hoe ‘wij’ (dat wil zeggen: de maatschappelijk dominante groep) kijken naar ‘zij’ (iedereen die van deze sociale norm afwijkt). 

Het gebrek aan diversiteit in de journalistiek raakt ook aan de beroepsopvattingen van journalisten, aangezien de meerderheid van de journalisten in Nederland buitengewoon ambitieus is in de visie op het vak. Maar liefst 94% van Nederlandse journalisten vindt het vertalen van ingewikkelde informatie voor het publiek (zeer) belangrijk voor hun werk, net zoals dat 80% het ontwikkelen van maatschappelijke belangstelling bij het publiek een wezenlijk aspect van het journalistieke werk acht. In de praktijk lijken deze bewonderenswaardige ambities niet aan de sluiten bij de manier waarop de journalistiek daadwerkelijk om gaat met het publiek. 

Los van de beroepsambitie van journalisten verwacht de samenleving van alles van de journalistiek. Onderzoek naar wat het publiek precies wil van de journalistiek is net zo schaars als onderzoek naar de diversiteit onder journalisten, maar wat we weten is dat de gemiddelde burger over het algemeen naar andere genres en onderwerpen op zoek is dan de journalist. Onderzoek naar de verschillen in nieuwsvoorkeuren van journalisten en dagbladlezers in zeven landen (Mexico, Argentinië, Brazilië, Duitsland, Engeland, Spanje en de Verenigde Staten) suggereert bijvoorbeeld dat er een heuse ‘nieuwskloof’ bestaat. 

Waar journalisten liefst lange stukken schrijven over de politiek, internationale relaties en de economie, wil het publiek liefst korte en bondige artikelen over wat speelt hun directe leefomgeving. Onder jongeren in Nederland bestaat een vergelijkbare voorliefde voor ‘snacknieuws’: korte overzichten waarin in één oogopslag het belangrijkste nieuws te zien is. Volgens recent onderzoek waarderen Nederlandse jongeren langere verhalen en achtergronden alleen als het gaat om persoonlijke verhalen van mensen. 

Zo ontstaat een beeld van de journalistiek als beroep waarin min of meer dezelfde soort mensen met goede bedoelingen en hoge ambities hard werken om verslag te doen over een samenleving waar ze steeds minder met beide benen in staat. De aansluiting tussen journalistiek en samenleving loopt scheef.

Tot slot een enkele opmerking over wat we aan deze situatie zou kunnen doen – als we het er over eens worden over de eventuele noodzaak om de journalistiek beter aan te laten sluiten bij de samenleving. Los van de economische realiteit van de journalistiek vallen de oplossingen uiteen in drie delen: kennis, representatie en verantwoordelijkheid.

Op het gebied van kennis is het essentieel dat we meer van elkaar te weten (willen) komen. Wat weet de journalist van de Islam? Van wat het betekent om als alleenstaande moeder rond te komen van een minimumloon? Van hoe ouderen deelnemen aan onze samenleving? 

Op het gebied van representatie moet er stelselmatig aandacht zijn voor de manier waarop zowel beroepsopleidingen als mediabedrijven mensen uitnodigen en selecteren. Hoe kleurenblind zijn onze kwaliteits- en selectiecriteria? Hoe serieus nemen we kandidaten die niet lijken op onszelf dan wel op de meesten van onze collega’s? Hoe begeleiden we nieuwkomers en hoeveel ruimte is er in de klas of op de redactie voor andersdenkenden? 

Daarnaast moet de samenstelling van nieuwsbronnen en nieuwsselectie een onderwerp van voortdurende kritische (zelf-)beschouwing zijn. Wie wordt uitgesloten, welke stemmen worden niet gehoord, hoezeer leunen we als beroepsgroep op steeds dezelfde kaartenbak met namen en nummers? 

Tot slot, op het gebied van sociale verantwoordelijkheid, is het zaak elkaar steevast aan te spreken op onze maatschappelijke rol. Als we er samen vanuit gaan dat de onafhankelijke kwaliteitsjournalistiek een fundamentele rol als waakhond van onze democratie te spelen heeft, moeten we nooit aarzelen om elkaar als journalisten dan wel de journalistiek als publiek daarop aan te spreken.


Het Journalistieke Drama


Op zaterdag 27 december 2014 publiceerde het NRC Handelsblad een kort essay van mij, waarin ik de affaire rondom voormalig Trouw-journalist Perdiep Ramesar in een brede maatschappelijke context plaats - namelijk die van de journalistiek als een nagenoeg exclusief 'wit' beroep in een anderszins kleurrijke, multiculturele samenleving.

De opinieredactie van het NRC had mij eerder die week om het stuk gevraagd - met het verzoek iets meer te zeggen over het probleem dat de journalistiek heeft met diversiteit (zoiets had ik zelf eerder gesuggereerd in een interview met Trouw op 22 december).

In mijn opinie - die ik hieronder in de door mij ingeleverde versie weer geef - stel ik in het kort dat journalisten goedbedoelende, hardwerkende en ambitieuze professionals zijn... maar dat de journalistiek ook het domein van een beperkte maatschappelijke elite is die door de eigen homogeniteit zichzelf en elkaar de maat niet meer neemt. Dit komt vooral tot uitdrukking in de veelal krampachtige manier waarop met de multiculturele samenleving wordt omgegaan - zowel binnen de redactie als in het nieuws. Hiermee wilde ik privilege, zoals verkregen door sociaaleconomische klasse (waarbinnen de blanke huidskleur een vorm van kapitaal is), aan de orde stellen. Dit niet om journalisten aan te vallen, maar om hen te wijzen op hun sociale verantwoordelijkheid. Ik denk dat bewustwording kan leiden tot nuttige zelfkritiek en meer empathie voor de medemens - of dat nu een collega of een nieuwsbron is.

De reacties op dit stuk, welke binnenkwamen via e-mail, Twitter en Facebook, vielen uiteen in twee groepen. Aan de ene kant stonden zij, die enthousiast stelden dat dit alles eindelijk eens gezegd moest worden, het was "uit het hart gegrepen", "treffend", "helder" en zelfs "ijzersterk." Aan de andere kant kreeg ik respons van vooral werkende journalisten die mij verweten van het schrijven van "kolossale kletsika", "onzin", "lulkoek" en "borrelpraat."

Aan de ene kant wijst dit op het succes van een opiniebijlage van een krant: het biedt mensen iets om nadrukkelijk stelling in te nemen. Aan de andere kant is het jammer dat mensen niet inhoudelijk doordenken over argumenten en bewijzen, maar direct naar meningsvorming doorschieten. Dat is te begrijpen - en als schrijver van een stukje in de krant ben ik ook niet zo naïef om te denken dat ik een ongemakkelijke analyse zoals mensen wijzen op hun geprivilegieerde context effectief kan vervatten in 800 woorden.

Los hiervan moet ik, als ik de implicaties van mijn eigen analyse respecteer, ook vaststellen dat deze reacties er niet waren geweest - of nadrukkelijk anders zouden zijn - als ik iemand anders zou zijn dan de hoogopgeleide oude witte man die ik ben. De vraag is zelfs, of ik als ik niet oud, wit en man zou zijn überhaupt voor een opiniebijdrage in het NRC gevraagd zou zijn... Ik mag meepraten vanwege mijn positie in het veld en het kapitaal dat daarmee gepaard gaat. Mijn veld, de wetenschap, is ook een domein dat niet bepaald gebukt gaat onder een weelde van verscheidenheid.

Waar de kritische reacties over struikelden, was mijn typering van journalisten als zijnde een 'gegoede klasse' dan wel een 'elite' in de maatschappij. Dat klinkt ongenuanceerd (en dat is het ook - het is tenslotte een opiniebijdrage in een dagblad, geen wetenschappelijke publicatie). Waarom is deze typering toch juist? Allereerst bedoel ik met 'gegoede klasse' dat journalisten onderdeel uitmaken van een "professional-managerial class" zoals uitgewerkt in de studies van André Gorz en Barbara en John Ehrenreich. Deze klasse lijkt in veel opzichten op de toplaag van de samenleving: hoogopgeleid, onderdeel uitmakend van de dominante cultuur, qua waarden en normen behorend bij de middenklasse. Tegelijkertijd staan deze professionals ook met één been in de arbeidersklasse, omdat ze zelf geen controle hebben over de bedrijfstak waarbinnen ze werkzaam zijn. Toegang tot deze klasse is veelal open in theorie - het gaat om beroepen waar veelal geen formele toegangseis voor bestaat, of waarvoor de toegangseis neutraal lijkt (zoals het behalen van een diploma bij een opleiding waarvoor studiefinanciering beschikbaar is): de journalistiek, de wetenschap, het onderwijs, de kunsten, film en televisie, de reclamewereld.

Voor de creatieve industrie in het algemeen, werk in de media in het bijzonder en specifiek voor de journalistiek geldt, dat deze beroepen de afgelopen twintig jaar in de praktijk steeds minder toegankelijk zijn geworden. Vroeger waren dit al tamelijk exclusieve vormen van arbeid - tot aan het begin van de jaren negentig van de twintigste eeuw waren dit allemaal sectoren gedomineerd door witte mannen (voor de journalistiek, zie hiervoor de studie "Voor zover plaats aan de perstafel" uit 1986). Dat veranderde daarna: er kwam meer ruimte voor vrouwen en later zelfs voor allochtone journalisten (zie mijn eigen onderzoek onder allochtone journalisten uit 2002). Door een samenloop van omstandigheden - technologische innovatie, economische achteruitgang, een defensieve managementcultuur en de opkomst van masteropleidingen als alternatief voor de journalistieke beroepsscholen - is deze progressie tot een halt gekomen. De groei van vrouwen en minderheden is gestagneerd. Vaste banen zijn nagenoeg verdwenen uit het vak.

Dit alles gaat gepaard met stijgende kosten om tot het vak door te dringen: een HBO is wel het minste - voor banen bij de landelijke kwaliteitsmedia is een universitaire opleiding in de praktijk vereist. Studiefinanciering is daarbij steevast omlaag gegaan (de basisbeurs is minder dan 300 Euro per maand), is ingekort en wordt omgezet in een lening. Verreweg de meeste nieuwkomers in het vak beginnen als freelancer c.q. zelfstandige journalist. Voor hen zijn de tarieven de afgelopen tien jaar structureel gedaald (in de fotojournalistiek zijn de tarieven gehalveerd). Bijna de helft van de Nederlandse freelancers is afhankelijk van het inkomen van een partner en 60% verdient onder het minimumloon. Op redacties worden nog wel mensen aangenomen, maar steeds vaker gaat het hierbij om tijdelijke constructies in de zin van werkervaringsplaatsen en verlengde stages tegen vergoedingen van gemiddeld 375 Euro per maand. Deze ontwikkelingen zijn niet uniek voor de journalistiek, noch voor Nederland. In Amerika, waar ik tot voor kort werkte, krijgen de meeste studenten en nieuwkomers in de journalistiek helemaal niet betaald voor stages - terwijl een stageplaats toch echt nagenoeg de enige manier is om het beroep binnen te treden.

Door dit soort ontwikkelingen wordt de journalistiek steeds minder toegankelijk voor iedereen - in feite wordt het hierdoor een speelveld van een gegoede klasse - zij, die het zich kunnen veroorloven om jarenlang of zelfs voor het grootste deel van hun loopbaan onder of rondom het minimumloon te werken; zij, die zich als jongere kunnen handhaven met inkomst van een paar honderd Euro per maand (en daarbij veelal wonend en werkend in de grootste en daardoor duurste steden omdat daar de belangrijkste nieuwsmedia gevestigd zijn).

In mijn eerdere onderzoek onder media professionals in de journalistiek, reclame, film, televisie en videogames merkte ik iets dat ik nu ook in de Nederlandse journalistiek zie: dat journalisten steeds verder uitgebuit worden door een bedrijfstak die niet meer in hen investeert. Dat de toegang tot het vak daardoor steeds exclusiever wordt. Dat hierdoor het met name voor mensen uit de sociaaleconomische onderste regionen van de samenleving onmogelijk is om aan dit soort beroepen deel te nemen. In Engeland wordt dit het "elitism in the professions" genoemd en maakt men zich terecht zorgen over de afnemende sociale mobiliteit in de samenleving. Wereldwijd kennen we dit fenomeen ook uit het baanbrekende werk van de Franse econoom Thomas Piketty.

Met mijn stuk wilde ik deze sociale ongelijkheid op de kaart zetten als macro-context voor de affaire-Ramesar, naast micro-factoren (zijn persoonlijke overwegingen en motieven), en meso-factoren (de redactionele context). Hieronder de bijdrage met daaronder een lijstje met publieke toegankelijke bronnen voor mijn argument. Vanzelfsprekend zijn er ook talrijke wetenschappelijke bronnen - neem bij interesse daarvoor graag contact met mij op.


Opiniebijdrage voor NRC Handelsblad

Het ontslag van journalist Perdiep Ramesar bij dagblad Trouw zorgt voor veel onrust in de journalistiek. Jarenlang schreef hij verhalen over de multiculturele samenleving op basis van verzonnen bronnen. Collega’s hadden vermoedens, maar deden niets. Begeleiding ontbrak, chefs wisselden in hoog tempo af. Naast vooralsnog ondoorgrondelijke persoonlijke omstandigheden van de journalist in kwestie wijst de context van dit schandaal naar een evenzeer klassiek als dramatisch probleem voor de journalistiek.

Op maandag 10 november 2014 werd journalist Perdiep Ramesar ontslagen bij dagblad Trouw na een intern onderzoek van de redactieraad, waaruit bleek dat hij regelmatig een journalistieke doodzonde had begaan: het verzinnen van bronnen. Daarna werd een externe onderzoekscommissie ingesteld die op 10 december haar rapport presenteerde. Daarin werd bevestigd wat de redactie al vermoedde: van een wezenlijk gedeelte van Ramesar’s verhalen kon de waarheid niet geverifieerd worden. Rondom zijn ontslag en de publicatie van het onderzoeksrapport werd direct verwezen naar zijn Hindoestaanse achtergrond – weliswaar niet als oorzaak van zijn gedrag, maar wel als verklaring voor de manier waarop met zijn artikelen en zijn aanwezigheid op de redactie werd omgegaan.

In een exemplarische reactie schreef GroenLinks-politicus Tofik Dibi op 22 december op zijn weblog dat de verklaring voor dit alles gezocht moet worden in de enorme behoefte van Nederlandse nieuwsmedia aan “smeuïge verhalen over de multiculturele samenleving” aan de ene kant en het gegeven dat zij een nagenoeg compleet witte redactie hebben aan de andere.

Dibi heeft gelijk: redacties in Nederland zijn wit. Uit representatieve studies onder journalisten in Nederland blijkt dat twee procent een allochtone herkomst heeft (ten opzichte van ruim twintig procent allochtone Nederlanders). Minder dan vier procent van alle afstuderende studenten journalistiek in Nederland is niet-westers allochtoon. Einde verhaal, zo lijkt het: er is te weinig etnische diversiteit in de media, waardoor de enkele allochtone collega een welhaast onmogelijke positie inneemt, belast als hij is met het gewicht van hele multiculturele samenleving.

Nu is de zorg om het uiterst geringe aantal allochtone journalisten werkzaam op Nederlandse redacties belangrijk, maar ook beperkt. Het gaat uit van een spiegelprincipe: de aanname dat een redactie met een samenstelling gelijk aan de compositie van de samenleving noodzakelijkerwijs meer pluriform nieuws produceert. Hoewel een kleurrijkere redactie wel degelijk noodzakelijk is daar waar het gaat om de dagelijkse confrontatie met diversiteit, suggereert onderzoek steevast dat de cultuur van een nieuwsorganisatie een veel sterkere invloed heeft op nieuwswaarden en -selectieprocessen dan het al dan niet aanwezig zijn van minderheden zoals vrouwen, jongeren of allochtonen. Dit maakt nieuwsgierig: wat is er dan wél aan de hand bij Trouw en in de journalistiek? Hoe wordt zo’n eenvormige en eenkennige cultuur in stand gehouden? Het antwoord: de journalistiek is (net zoals andere beroepen in de creatieve industrie, waaronder ook de wetenschap) het domein van een betrekkelijk kleine maatschappelijke elite – mensen die zich het kunnen veroorloven om voor een carrière in de journalistiek te kiezen.

Redactionele vacatures worden tegenwoordig vooral gevuld met het aannemen van mensen op verlengde stage- en werkervaringsplaatsen tegen een minimale vergoeding en door mensen met tijdelijke contracten (van enkele maanden tot een jaar) zonder redelijk uitzicht op een vaste aanstelling. Het aandeel freelancers is gestegen van 13 procent in 1993 tot ongeveer de helft in 2013. Recent onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten toont aan dat tarieven voor freelancers over de hele linie de laatste tien jaar scherp gedaald zijn. Meer dan de helft van de zelfstandige journalisten verdient volgens onderzoek van de Sociaal Economische Raad maandelijks netto minder dan het minimuminkomen.

Op de redacties van alle Nederlandse nieuwsmedia is daarnaast sprake van een buitengewoon onrustige dynamiek: ontslagrondes en reorganisaties, nieuwe eigenaren en managers, innovaties en bezuinigingen buitelen over en door elkaar heen. Geen enkele positie blijft onaangetast, iedereen voelt de onzekerheid over de toekomst. Mede hierdoor is het beroep uitsluitend toegankelijk voor hoogopgeleide mensen met eigen vermogen en rijke ouders, zonder de zorg voor gezin of familie.

Net zoals in de samenleving als geheel is het werkelijke drama dat de journalistiek treft die van arm versus rijk: het vak is het speelveld van een gegoede klasse waarbinnen iedereen ongeveer dezelfde bovengemiddelde sociaaleconomische status heeft. In zo’n context neemt niemand elkaar de maat meer – want dat doen mensen meestal niet (zo grondig) met zichzelf. Dat blijkt uit het onderzoeksrapport over de omgangsvormen op de redactie van Trouw: er bestond “geen traditie van elkaar diep bevragen”, waarbij de cultuur omschreven werd “van goedgelovig en braaf naar onverschillig en apathisch.” Dit, en de enorme uitzonderingspositie van een allochtone journalist binnen zo’n witte redactie, zorgde er voor dat niemand fundamenteel met elkaar in debat ging. En dat is precies waar het om draait bij diversiteit: niet om een spiegel van de samenleving, maar om actieve ervaring met en beleving van diversiteit. Niet alleen op straat in de Schilderswijk, maar overal – dus ook in het nieuwsbedrijf.


 
Bronnen (buiten wetenschappelijke literatuur)

- CBS Statline: voor data over samenstelling afgestudeerde studenten journalistiek (van 2000 tot en met 2013);
- Mijn proefschrift uit 2002: onderzoek uit periode 1998-2002 (zie ook het boek "Wat is Journalistiek?" uit 2004) op basis van surveys en expert-interviews met journalisten;
 - onderzoek uit 2010 van Liesbet Hermans, Maurice Vergeer en Alexander Pleijter naar het profiel van de Nederlandse journalist;
- onderzoek uit 2013 van Pyrrhula onder freelancers in Nederland (in opdracht van FLA, NVJ, Lira en FF);
- onderzoek in het buitenland, bijvoorbeeld Engeland, over de kosten van een journalistieke loopbaan en de gevolgen daarvan voor het steeds elitairder worden van creatieve beroepen (waaronder de kunsten en de journalistiek) en de politiek;
- vergelijkbaar onderzoek en analyse in Amerika zoals gerapporteerd in The Economist;
- tot slot, qua persoonlijke waarneming (die niet de basis vormt van mijn bijdrage, maar om verantwoording af te leggen ten opzichte van mijn eigen geprivilegieerde perspectief): ik ken de studenten (en zij, die zich aanmelden) van onze eigen masteropleiding aan de Universiteit van Amsterdam, die van de opleiding Journalistiek en Nieuwe Media te Leiden waar ik ooit in deeltijd hoogleraar was, van de meeste HBO's in Nederland omdat ik daar vaak kom en docenten van verschillende opleidingen begeleid en van de twee journalistenopleidingen in Amerika (die van USC in LA en van Indiana University in Bloomington) waar ik tussen 2003 en 2013 les gaf. Tot slot: ik kom sinds 1989 regelmatig op redacties in Nederland en wereldwijd en was zelf freelance journalist van 1990 tot en met 1996 in Nederland en Zuid-Afrika.

Tot slot: zeer aanbevelenswaardig in deze context: het werk van Tabe Bergman, wiens politieke economie van de Nederlandse journalistiek de vinger op talrijke pijnlijke plekken van het vak legt. Zie bijvoorbeeld zijn boek "The Dutch Media Monopoly" (2014, VU University Press) en het daarbij horende essay voor OpenDemocracy.

Onafhankelijk Leven en Werken in Media

(c) piethermans.nl


We leven in media en hierdoor verdwijnen media uit ons bewustzijn. Media zijn voor ons als wat water is voor vissen.

Zoals Albert Einstein in 1936 schreef in een zelf-portret (en een uitspraak welke later werd toegeschreven aan de beroemde mediatheoreticus Marshall McLuhan): 
“Of what is significant in one’s own existence one is hardly aware [...] What does a fish know about the water in which he swims all his life?”
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat ons leven volledig bepaald wordt door media; ik wil juist uitdrukken dat, of we het nu leuk vinden of niet, elk aspect van ons leven zich afspeelt in media en dat media hiermee deel uitmaken van zowel de fysieke als emotionele architectuur en choreografie van ons spelen, leren, werken en liefhebben. In deze oratie wil ik vertellen hoe we in media leven, wat daarvan de gevolgen zijn en hoe de professionele journalist hier de centrale rol in kan spelen die we van de journalistiek in onze samenleving verwachten.

Bij wijze van inleiding kunnen we allereerst denken over de term ‘Martini media’ als basis voor het begrijpen van de manier waarop zowel consumenten als producenten tegenwoordig met media om gaan. Het concept verwijst naar de pakkende slogan van een beroemde Martini-reclamecampagne uit eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw: “Anytime anyplace anywhere”, gebaseerd op een hitsingle van de Zuidafrikaanse zanger Danny Williams.

In een geanimeerde toespraak tot de medewerkers van de British Broadcasting Corporation (BBC) in 2006 voorspelde algemeen directeur Mark Thompson een nieuwe media toekomst voor de samenleving in het algemeen en de publieke omroep in het bijzonder, een wereld volgens hem gebaseerd op het ‘Martini media’ principe: 
“meaning media that's available when and where you want it with content moving freely between different devices and platforms.”
Martini Media verwijst naar een wereld waarin media boodschappen in alle vrijheid heen en weer bewegen over allerlei platforms – van de televisie naar het internet, via een tijdschrift naar de radio, door middel van tekstberichtjes op je mobiel naar een videogame console. Dat heeft als gevolg, stelde Thompson, dat je als mediamaker niet alleen op al die platformen telkens weer een publiek moet zien te vinden voor je verhalen, maar dat dit publiek geen publiek meer is: het zijn je nieuwe medewerkers, je partners. Zij nemen een deel van het werk over door jouw boodschap door te sturen, aan te bevelen en van commentaar te voorzien. Of zelfs te remixen.

Thompson’s visie op de creatieve toekomst van de BBC verwijst naar iets wat inmiddels voor de meeste mediamakers en mediawetenschappers vast staat, maar desalniettemin nog steeds vele nieuwe vragen en problemen op roept: we leven niet meer met een paar controleerbare media die we zo nu en dan gebruiken om onszelf doelgericht te informeren of te vermaken – we leven in media die vrijelijk om ons heen dartelen en al onze informatie, opvattingen, ideeën en gedrag vastleggen, opslaan en daarmee omvatten.

Niet alleen de media zijn anytime anyplace anywhere – wij zijn dat zelf inmiddels ook. In onze media, die zich qua apparaten alleen maar lijken te vermenigvuldigen, zijn we ooggetuige van de meest intieme activiteiten van mensen om ons heen, net zo goed als dat we meekijken en mee kunnen doen met de Arabische lente of de verschrikkingen van slachtoffers van natuurrampen die via sociale media op zoek gaan naar familieleden en vrienden. We worden als het ware voortdurend heen en weer geslingerd tussen het consumeren van informatie en entertainment, het produceren van onszelf en ons eigen verhaal, en de deelname aan het leven van anderen in media. Dat is, op z’n zachtst gezegd, nogal een emotionele rollercoaster. Dat emotionele leven is, vreemd genoeg, lange tijd onontgonnen terrein geweest voor zowel de sociale als geesteswetenschappen.

Mijn Italiaanse collega Leopoldina Fortunati schreef in 2009 een schitterend essay, waarin ze beargumenteerde dat de meeste theorievorming over communicatie via media zonder ‘hart’ is: we maken ons als wetenschappers blijkbaar niet zo druk om emoties. Emoties komen pas achteraf. Ze houdt een vurig pleidooi om media en communicatie te bestuderen in termen van emoties.

Je zou kunnen zeggen dat we de rol van media in ons leven meer nadrukkelijk moeten zien in de context van wat Rene Descartes ooit in 1649 de ‘passies van de ziel’ noemde: verwondering, liefde, haat, verlangen, vreugde en droefheid.

Een van de onderzoeksprojecten van mijn leerstoel neemt daarom juist deze passies als uitgangspunt: het gaat om een boek dat ik samen met professor Fortunati schrijf, waarbij we een mediafilosofie uitwerken welke start met deze passies en eindigt bij media, in plaats van andersom. Onze werktitel is: “Theory With Heart.”

Een mooi voorbeeld van een goed begrip van media als zowel object als expressie van passie is de wetenschap, dat ruim twintig procent van onze bevolking niet oorspronkelijk uit ons land komt. De meesten van hen zijn volledig van media afhankelijk voor dagelijks contact met familie, met kinderen, geliefden en met het nieuws en de muziek van waar ze vandaan komen.

Twee Britse collega’s, Daniel Miller en Mirca Madianou, noemen media daarom ‘technologieën van de liefde’ omdat media een cruciale rol spelen bij het onderhouden, verstevigen en verdiepen van onze meest intieme banden. In plaats van ‘Martini media’ kiezen Miller en Madianou voor de term ‘polymedia’ en daarmee past hun werk in een reeks recente studies die proberen het van media doordrenkte leven met hernieuwd elan te conceptualiseren, waarbij een gezond respect voor ons vaak hartstochtelijke engagement met media centraal staat.

Wat betreft het gedrag van tieners op online sociale netwerken verwijst danah boyd naar dit soort media als ‘passion places’ ofwel ‘passieplekken’: plaatsen en omgevingen in media waarin we ons hart kunnen ophalen aan dingen, mensen en ideeën waar we op dit moment specifiek zin in hebben, waar we op dat moment bij willen horen. Passie is daarmee een leidend concept om te gebruiken als we echt iets willen begrijpen van ons leven in media.

We leven in media. We kijken naar onszelf, elkaar en de wereld als in media. En in die media zijn we ook heerlijk met onszelf bezig. Verreweg de meeste inhoud in de media – denk bijvoorbeeld aan de video’s op Youtube, de status updates in sociale media, de talloze Whatsapp’jes en SMS’jes die opeen dag voorbij komen – worden geproduceerd door media consumenten en niet door professionele mediamakers.

In ons leven in media maken we niet alleen media steeds meer zélf – we maken ons zelf steeds meer in media.

In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of theYear’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd scheppend ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, schuw en angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf en deze foto delen in media) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking dit jaar alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Onderzoek over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat de meeste mensen een enorme sociale druk ervaren om daar toch vooral er goed op te staan en er niet al te veel heftige emoties of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Deze gevoelde druk wordt gevoed door ouders, docenten, wetenschappers, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. In plaats van het samen vieren dat we zichtbaar zijn en blijven in media, verschuilen we ons achter het sluier van een min of meer opgeschoonde versie van ons zelf die niet meer ‘anders’ is voor anderen.

Dit lijkt een gemiste kans – want we kunnen bijna niet anders dan in media leven en onszelf daarin laten zien. Wat ik daarmee wil suggereren is dat we ons leven in media het beste in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen kunnen verklaren:
  • Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘post-materiële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu mensen in ontwikkelde landen over het algemeen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?
  • Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Brazilië: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.
Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven en hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze op ons reageert als we er iets in doen  en waarin we ons hoogsteigen verhaal altijd kwijt kunnen ten overstaande van een welwillend publiek.

De werkelijkheid wordt daarmee een virtuele werkelijkheid zoals een computerprogramma of video game die je naar eigen inzicht en behoefte kunt aanpassen. Een werkelijkheid die je als het ware kunt maken.

Deze verwachting zien we ook terug in de inhoud van de media zelf – zo domineert de maakbare nepwerkelijkheid van reality tv al jarenlang de televisieprogrammering wereldwijd en puilen onze zenders uit van in meerdere of mindere mate extreme ‘makeover’ programma’s waarin werkelijk elk aspect van het leven – familie, carrière, huis, huwelijk en lichaam – verbouwd wordt.

Een maakbaarheidsverwachting zien we ook terug in de hedendaagse obsessie van bedrijven en overheden met ‘big data’: de manier waarop alle facetten van de markt, samenleving en gemeenschap gereduceerd worden tot statistisch bewerkbare digitale dossiers.

Op individueel niveau komt deze verwachting terug in de vorm van calorieën- en stappentellers op onze mobieltjes, het getalsmatig bijhouden van sociale netwerken (zoals vrienden op Facebook en volgers op Twitter), rankings en ratings op sites zoals Bol, Iens en Marktplaats op basis waarvan we beslissen welke boeken te lezen, waar ons avondeten gaan halen en met welke spullen we ons huis inrichten, tot aan de door algoritmes bepaalde romantiek op online dating websites.

Ook in de offline wereld vindt een gestage kwantificering van zo’n beetje alle andere aspecten van onze deelname aan de samenleving plaats: puntenrijbewijzen, airmiles, rapportcijfers, kortingscoupons en bonuskaarten, salarisschalen, kredietscores, enzovoorts.

Het reduceren van de complexe werkelijkheid tot eentje die in media kwantificeerbaar en mede daardoor maakbaar lijkt komt zelfs terug in de verwachtingen die we van ons lichaam hebben: we deinzen steeds minder terug om technologie in te zetten voor het verrijken en verbouwen van ons lichaam in de verwachting dat we daardoor ‘beter’ worden.

Onlangs suggereerde Erasmus-hoogleraar Jos de Mul op het festival van de ‘G8 van de Filosofie’ daarbij dat we met z’n allen op weg zijn naar homo sapiens 3.0 en stelde daarbij een vraag die volledig in het teken staat van een maakbaarheidverwachting: 
“Worden wij de eerste soort op aarde die zijn eigen evolutionaire opvolger gaat scheppen?”
Zo gezien stelt het leven in media ons voor een prachtige paradox. Aan de ene kant wordt de wereld iets waarin we een creatieve rol kunnen spelen. De werkelijkheid is maakbaar – is open source zoals bij computersoftware die iedereen kan delen en aanpassen. Dat geeft ons een enorme ‘communicatiemacht’ (zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells het stelt).

Aan de andere kant deinzen we massaal voor die macht terug en kruipen we in onze schulp en redigeren we alle scherpe, ingewikkelde, moeilijke of anderszins onrustige randjes van wie we zijn en hoe we ons aan elkaar laten zien weg. In feite zijn we permanent bezig onszelf op te poetsen en te verkopen in een wereld die verdacht veel weg heeft van een gigantische supermarkt, waar wij de producten zijn.

Het is de uitdaging van het leven in media om een technologische infrastructuur niet los te zien van de emotionele inrichting van ons leven – we worden in media niet meer zoals machines (maar de verleiding is groot) en onze machines zijn niet anders dan wij (ook al lijkt dat zo).

Maar... dit is een lastige opdracht. Sterker nog, meestal is de toenemende mediatisering en virtualisering van de werkelijkheid nogal overdonderend, zeker in combinatie met een schier eindeloze keuzevrijheid en maakbaarheid. Filosoof, initiatiefnemer van het innovatieve journalistieke online tijdschrift De Correspondent en voormalig NRC Next hoofdredacteur Rob Wijnberg schreef hierover in februari 2014
“We ervaren de werkelijkheid als ‘virtueler’ naarmate hij optioneler is. Of, in gewoon Nederlands: als er een knop op zit. Het is die optionaliteit die onze 24-uurs nieuwsvoorziening zo’n bevreemdende ervaring maakt, die ons heen-en-weer slingert tussen betrokkenheid en desinteresse, tussen schok en schouderophalen, tussen activisme en cynisme. Wat daaraan te doen valt: werkelijk geen idee.”
Gelukkig weten de twee primaire disciplines die zich met media bezighouden – Mediastudies bij de Geesteswetenschappen en Communicatiewetenschap bij de Sociale Wetenschappen – heel goed wat we hieraan kunnen doen. Deze twee disciplines bieden ons een meer onafhankelijke positie in het medialeven - bij Communicatiewetenschap bijvoorbeeld door ons effectief te leren communiceren zodat we in media een rol van betekenis kunnen spelen. Bij Mediastudies doen we dat door diezelfde boodschappen kritisch te bekijken, respectvol te ontleden en daarmee onszelf te ontworstelen aan de illusie van controleerbare communicatie. Ook gebeurd dat door de media zelf te ontleden: via disciplines als digitale methoden doen we dat met de data op het internet en via de media archeologie doen we dat met de hardware van media zelf.  Gewapend met deze kennis is een leven in media zowel makkelijker als vanzelfsprekender en hebben we hopelijk wat minder de neiging door te slaan in het adverteren van ons zelf.

Mediastudies houdt zich relatief sinds kort expliciet bezig met onze passies. Daar komt een tweede lacune bij: ook de bestudering van hoe media gemaakt worden is nog betrekkelijk jong – in het verleden deden vooral collega’s bij sociologie en geschiedenis studies over de media als industrie - maar ook hierin komt de laatste jaren snel verandering.

De media als industriële sector eisen een steeds prominentere plaats in de samenleving op. Zowel in Nederland als daarbuiten zien we bijvoorbeeld dat overheden en het maatschappelijke veld steeds nadrukkelijker investeren in wat wel genoemd wordt de ‘creatieve industrie’, waarvan media zoals film, televisie, videogames, reclame, muziek en ook de journalistiek deel uitmaken. De creatieve industrie is inmiddels doorgedrongen tot de negen zogenaamde ‘topsectoren’ waar het economisch beleid van de Nederlandse overheid op gericht is.

Ook zijn er zorgen over deze dominante rol van de media als maatschappelijke speler. Zo spreken wetenschappers en politici met enige regelmaat over een doorgeslagen ‘medialogica’ in onze samenleving, waarbij zowel de landelijke als regionale politiek en de journalistiek zich steeds meer op elkaar richten en elkaars agenda volgen, waarbij de stem van (en het zicht op) de burger het laat afweten.

Hoe opwindend of zorgwekkend het succes van de media als industrie ook moge zijn, het zou toch voor media makers – zij, die beroepshalve films produceren, video games ontwikkelen, televisieprogramma’s samenstellen en het nieuws verslaan – een fantastische tijd moeten zijn. Hun wereld staat volledig in de schijnwerpers! Elk jaar besteden we met z’n allen meer tijd aan media dan het jaar daarvoor. De verkoopcijfers van HDTV’s, iPads, game consoles en smartphones stijgen nog altijd. We kijken smachtend uit naar de nieuwe seizoenen van Game of Thrones en Borgen, zitten aan het scherm gekluisterd voor De Wereld Draait Door, kunnen niet wachten op het verschijnen van Destiny (de nieuwe game van de makers van HALO), en de onthullingen over het NSA spionage-schandaal heeft de journalistiek wereldwijd op de kaart gezet als onmisbare partner in het bewust om gaan met onze informatie en onze rechten als burgers.

Toch lijkt niets minder waar. In de Verenigde Staten is tussen 1997 en 2007 een kwart van alle media professionals hun baan kwijtgeraakt. Specifiek wat betreft de journalistiek was het tekenend dat tussen 2007 en 2013 30 procent van alle dagbladjournalisten ontslagen werd. Ook in Nederland neemt het aantal werkloze journalisten zienderogen toe, zo blijkt bijvoorbeeld uit cijfers van het UWV.

De Amerikaanse econoom Richard Caves stelde ooit dat het meest eigenaardige karakter van de creatieve industrie is, dat het functioneert op basis van het “nobody knows” principe: onzekerheid over het eventuele marktsucces van het eindproduct – de film, de game, de krant. Die onzekerheid strekt zich vandaag de dag uit tot een veel fundamenteler niveau: niemand weet of hij na het huidige project nog wel werk heeft, waar het volgende inkomen vandaan gaat komen, of het werk wat ze nu doen goed of slecht is – en of dat iets uit maakt.

Knagende onzekerheid in de creatieve industrie vertaalt zich in bar slechte arbeidsomstandigheden: lage lonen en steeds vaker helemaal geen betaling voor werk, geen uitzicht op promotie of een anderszins min of meer voorspelbare loopbaanontwikkeling en leven in de wetenschap dat de weinige vaste banen permanent op de tocht staan – zoals recentelijk bij het verdwijnen van vijfhonderd banen bij uitgever Sanoma, een ongewoon agressief redactioneel verjongingsoffensief bij de regionale dagbladen van Wegener (de gemiddelde leeftijd op de redacties moet binnen drie jaar omlaag van 51 naar 43 jaar), gedwongen ontslagen en vertrekregelingen bij regionale omroepen en naar verwachting ruim duizend ontslagen over de hele linie bij de landelijke publieke omroep – en dit is slechts een kleine greep uit het ontslagnieuws over de Nederlandse media sinds ik in juni 2013 terugkeerde na tien jaar in Amerika gewoond en gewerkt te hebben.

Het is een wonderlijke paradox: de media als industrie spelen een steeds prominentere rol in onze samenleving, maar zij, die beroepshalve in de media werkzaam zijn delen niet in dit succes. Dat zou aanleiding kunnen zijn tot een reeks mismoedige bespiegelingen over de toekomst van media professionals in het algemeen en journalisten in het bijzonder. Nu ben ik, zoals ik ooit mocht opmerken bij mijn vorige oratie aan de Universiteit van Leiden in januari 2008 – aan welke werkplek en collega’s ik warme herinneringen heb – geen pessimist. Met Theo Maassen ben ik van mening dat pessimisme een win-win situatie is: of je hebt gelijk, of het valt mee. En daarmee is dit perspectief op de werkelijkheid intellectueel weinig stimulerend.

Laten we daarom eens fris kijken naar wat er precies aan de hand is in de beroepsgroep van journalisten, daar waar het gaat over hun positie op de arbeidsmarkt.

Allereerst een basale vraag: hoeveel professionele journalisten werken er in Nederland? De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is de grootste beroepsorganisatie in ons land en telt ongeveer 7400 leden. Een belangrijke aanvulling op dat bestand is een onderzoek van eind vorig jaar onder ruim zevenduizend zelfstandige journalisten, waar ik zijdelings bij betrokken mocht zijn. De combinatie van deze twee bestanden suggereert dat er op dit moment in de Nederlandse journalistiek ongeveer 16.000 journalisten werken, uitgaande van een organisatiegraad van 75 procent.

Uit eerder onderzoek door Liesbeth Hermans en Maurice Vergeer van de RadboudUniversiteit Nijmegen en Alexander Pleijter van Fontys Tilburg in 2010 blijkt dat ongeveer de helft van alle journalisten in Nederland werkt als freelancer. Vooral onder nieuwkomers in het vak, bijvoorbeeld bij journalisten jonger dan 35 jaar, werkt op dit moment nog maar een kwart in vast dienstverband. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist is op dit moment 50 jaar.

De NVJ is opgedeeld in verschillende secties, zoals Dagblad, Omroep en Internet. Van de dertien secties en werkgroepen die de NVJ telt is die van de Zelfstandigen met 2128 leden inmiddels de allergrootste.

Daar waar tot aan het begin van de jaren tachtig deeltijdfuncties en tot op zekere hoogte freelancerwerk nog vooral interessante ideeën waren (waar destijds een kleine minderheid van journalisten openlijk mee speelde), was in 2000 ongeveer een kwart van  alle journalisten in Nederland op deze manier werkzaam. In tien jaar tijd is hun aantal verdubbeld (zie voor meer cijfers mijn boek "Wat is journalistiek?" uit 2004).

Op de meeste redacties bij internet, omroep, dagbladen en tijdschriften zijn vaste contracten verleden tijd en krijgen jongeren een freelancercontract aangeboden voor een bepaalde tijd. Andere redacties werken met tijdelijke contracten via uitzendbureaus, waarmee bijvoorbeeld vakanties en zwangerschapsverloven worden opgevuld.

De grootste werkgevers voor Nederlandse journalisten zijn regionale dagbladen en de publieke omroep, samen goed voor bijna een derde van alle redactionele banen. Op de derde plaats van belangrijkste bronnen van inkomsten voor journalisten staat het werken als zelfstandig ondernemer.

In het najaar van 2013 lieten de NVJ, de Stichting Lira, de Fotografen Federatie en de Freelancers Associatie onderzoek uitvoeren onder hun in totaal ruim zevenduizend leden. Het werken als zelfstandige heeft bij twee derde van de ondervraagde journalisten de duidelijke voorkeur. Volgens de cijfers verzameld door Henk Vinken en Teunis IJdens van onderzoekbureau Pyrrhula zou slechts 5 procent eigenlijk het liefst in loondienst werken. De motivatie voor het freelance bestaan is overwegend positief: meer dan helft is freelancer of ZZP’er uit overtuiging en velen kiezen voor dit bestaan om meer balans tussen werk en privé te krijgen. Van de verschillende redenen om als freelancer of ZZP’er in de journalistiek te gaan werken worden verder prominent genoemd: vrijheid (15 procent), afwisseling en flexibiliteit (10 procent), passie en uitdaging (7%).

Dit beeld correspondeert met onderzoek onder alle zelfstandige ondernemers in Nederland. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2013 laten zien dat het totaal aantal eenmanszaken en zelfstandige ondernemingen ondanks de crisis nog steeds stijgt. Op dit moment is tien procent van de in Nederland werkzame bevolking zelfstandige zonder personeel en het CBS verwacht dat dit percentage de komende jaren zal verdubbelen.

Uit een enquête onder ZZP’ers uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in 2013 blijkt eveneens dat de primaire motivatie voor de meeste ZZP’ers is het eigen baas zijn. Slechts 15 procent zegt dat naast hun wens om eigen baas te worden ook een zekere noodzaak heeft meegespeeld. Dat percentage is hetzelfde onder journalistieke zelfstandigen.

Het is interessant om deze breed gedeelde behoefte om eigen baas te zijn de koppelen aan de maakbaarheidverwachting die we van ons leven in media hebben.

Vorig jaar gaf mijn collega Jeroen Smit zijn oratie in Groningen, waarvoor hij samen met Tamara Witschge een enquête deed onder een kleine zevenhonderd dagbladjournalisten. Uit hun studie wil ik graag twee resultaten delen.

Allereerst de blijkbaar gangbare opvatting, dat de kwaliteit van de journalistiek zal lijden door de toename van freelancende collega’s: driekwart van de dagbladjournalisten is het eens of zeer eens met de stelling:
“Als het merendeel van de krantenjournalisten als freelancer werkt, zal de kwaliteit van de krant eronder lijden.”
Om een beeld te schetsen van de situatie bij een van de prominente landelijke dagbladen in Nederland waar ik recentelijk onderzoek deed: daar werken zo’n driehonderd redacteuren in vaste of tijdelijke loondienst, welk werk wordt aangevuld met de bijdrage van ruim 1.600 freelancers en zelfstandigen.

Deze beoordeling heeft waarschijnlijk te maken met de perceptie, dat het werken als zelfstandige journalist gewoon moeilijker is: 61 procent is het eens of zeer eens met de stelling:
“Voor freelancers is het moeilijker onafhankelijke journalistiek te bedrijven dan voor journalisten in vaste dienst.”
Het zijn juist dit soort percepties die nader onderzoek behoeven. Onlangs was ik betrokken bij een uniek overleg. Samen met Rosa Garcia Lopez, secretaris van een aantal secties bij de NVJ, nodigden we een groot aantal journalistieke beroepsorganisaties en onderzoekers uit voor een kennismakingslunch. Onder de genodigden waren vertegenwoordigers van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten, Stichting Lira, de Fotografen Federatie, de Universiteiten van Nijmegen en Groningen en de Hogescholen van Tilburg en Zwolle, en de Vereniging van Online Journalisten Nederland.

Uit de vloeiende discussie over wat er allemaal leeft bij de achterban, onder journalisten en opleidingen journalistiek in Nederland, kwam als meest prangende kwestie naar voren de in toenemende mate dubbele, ‘hybride’ en zelfs ‘schizofrenie’ positie van de journalist in de huidige arbeidsmarkt: als journalist met een specifieke beroepseer enerzijds en als ondernemer anderzijds. Hoe combineer je journalistieke onafhankelijkheid met een commerciële houding? Dit geldt zeker niet alleen voor zelfstandigen, want ook redacteuren in loondienst worden tegenwoordig steeds meer geacht persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de marktresultaten van het nieuwsbedrijf.

De breed gevoelde spagaat tussen marktoriëntatie enerzijds en creatieve dan wel professionele onafhankelijkheid anderzijds is een overblijfsel van een tijd waarin journalisten zich niet druk konden of wilden maken over het feit dat zij een product zonder publiek leverden. Professionele identiteit in de media ontstaat juist door bewust, kritisch en autonoom in de voortdurende onderhandeling tussen commercie en creativiteit te staan. Het is deze positie van onafhankelijk werken in media waar ik voor sta bij onze masteropleiding Journalistiek en Media.

Deze ruwe schets van het journalistenbestand staat twee duidelijke conclusies toe, welke aansluiten bij trends op de internationale journalistieke arbeidsmarkt: er vind over de hele linie een gestage vergrijzing plaats onder journalisten in (vaste of tijdelijke) loondienst terwijl er tegelijkertijd sprake is van een versnellend proces van verzelfstandiging in de journalistiek als beroep. Het ligt daarbij niet in de lijn der verwachtingen dat de vrijgekomen arbeidsplaatsen door al dan niet vervroegd pensioen overgenomen gaan worden door jongere journalisten: de internationale trend wijst steevast op toenemende flexibilisering en contractvrijheid.

De studie naar de journalistiek en vooral een oprechte interesse in de toekomst van het beroep is daarmee steeds de bestudering van het werk, de opvattingen, ervaringen en visie van zelfstandig opererende journalisten.

Hier kan ik tot slot nog bij opmerken dat de studie naar de toekomst van de journalistiek met name een studie moet zijn van de rollen en ideeën van vrouwen in het beroep, aangezien zij veruit de meerderheid vormen van alle jonge journalisten, alle zelfstandige werkende journalisten beneden 35 jaar en van alle studenten journalistiek die Nederland rijk is.

Om deze reden verheug ik me op een grootschalig onderzoeksproject dat ik dit jaar startte samen met Vera Spaans en Klaske Tameling van de Stichting Vrouw en Media naar de ervaringen en visie van journalistes in ons land – het wordt een herhaling van een beroemd (of berucht) onderzoek en boek uit 1986: “Voor zover plaats aan de perstafel.”

Hoe onrustig en onzeker de positie van de zelfstandige journalistiek als beroep ook moge zijn, het is van cruciaal belang om deze precariteit niet uitsluitend toe te schrijven aan zelfstandigen en freelancers en daarmee net te doen alsof er een glasharde scheiding bestaat tussen zelfstandige journalisten enerzijds en redacteuren in loondienst anderzijds. Gezien alle ontslagen en de aanhoudende flexibilisering van contractvormen bij omroepen en uitgevers is de werkplek in vast of tijdelijk dienstverband net zo precair als die van de naar opdrachtgevers zoekende zelfstandige. Punt is, dat zowel freelancers als fulltimers precariteit beleven in hun dagelijkse werk. Nu worden zij nog door werkgevers tegen elkaar uitgespeeld en houden zij zelf dit schisma in stand door over en weer te grossieren in stigma’s, door bijvoorbeeld redacteuren in loondienst af te schilderen als vastgeroeste dinosaurussen en zelfstandigen te zien als mislukte journalisten die niet goed genoeg zijn voor een vaste plaats op de redactie.  

Wat nog ontbreekt is samenwerking op grote schaal, bijvoorbeeld zoals uitgedrukt in de open verzameling en uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat mist is een breed gedeeld gevoel dat we samen in hetzelfde bootje zitten en dat de journalistiek slechts zo goed is als haar meest kwetsbare beoefenaars. Journalistiek zou voor alle journalisten een ‘passieplek’ moeten zijn (zoals sociale media dat voor tieners zijn) ongeacht status, aanstelling of positie in de arbeidsmarkt dan wel beroepshiërarchie. Solidariteit met gelijken is eenvoudig; samenwerken met vreemden vergt oefening en inzet. Juist de samenwerking tussen verschillende soorten journalisten en daarnaast tussen journalisten en andere media makers (zoals computerprogrammeurs, designers en creatieve managers) is cruciaal voor journalisten om het beroep met behoud van alles wat het zo’n uitzonderlijke en belangrijke positie in de samenleving geeft veilig door de volgende eeuw te loodsen.

Hoe deze samenwerking vorm kan krijgen, zal zich moeten uitwijzen. Maar wat ik overal om me heen zie zijn de hoopvolle eerste contouren van projecten en bedrijfsvormen waarbij studenten, freelancers, ZZP’ers, ZMP’ers, redacteuren en andere mediamakers bij elkaar komen om gezamenlijk in te zetten op vernieuwing en innovatie. Dat gebeurt zowel op de hogescholen als op de universitaire opleidingen journalistiek in ons land, net zo goed als deze veranderingen plaats vinden op de redacties van het NOS Journaal en het NRC Handelsblad of bij journalistieke startups zoals De Correspondent.

Samenwerking gebeurt zowel op inhoudelijk vlak als op het niveau van nieuwsvermarkting zoals bij Blendle en eLinea. En dit gebeurt zowel binnenshuis bij grote uitgevers zoals bijvoorbeeld de Telegraaf Media Groep, waar Bart Brouwers eerder deze week de journalistieke vrijplaats TMG Startups lanceerde om creativiteit en nieuwe ideeën ruim baan te bieden, of bij Sanoma waar via een intern innovatieprogramma onlangs het freelancersplatform Hubly startte.

Ditzelfde gebeurt buitenshuis, zoals in het Nieuwsatelier hier in het centrum van Amsterdam waar startups Follow The Money, LocalFocus en tot voor kort NewPaper jonge talenten –waaronder ook onze studenten – onder hun hoede nemen zodat ze door kunnen groeien tot zelfstandig ondernemend journalist. Eerder deden Tamara Witschge en ik onderzoek in het Nieuwsatelier door iedereen daar op avondeten te trakteren. Het was een heerlijke avond, waar de discussie over passie voor de journalistiek oprecht hoopvol stemde voor de toekomst van het beroep. We willen het onderzoek van deze avond voort zetten en plannen een reeks studies naar nieuwe vormen van journalistiek, zowel binnen de bestaande nieuwsmedia als daarbuiten, welk project zal uitmonden in een boek met als werktitel “Beyond Journalism.”

Laat ik tot slot benadrukken dat goedkope, ongeorganiseerde en met elkaar concurrerende werkers de benzine zijn voor de motor van een economisch systeem dat zich in de regel niets van passie, noch van kwaliteitsjournalistiek aan trekt. Samenwerkende journalisten vanuit alle onderdelen van de arbeidsmarkt met hart voor de zaak en liefde voor het vak zijn daarentegen veel machtiger dan zij zelf denken – want de creatieve industrie, geregeerd door het “nobody knows” principe, is volledig van hen afhankelijk.

Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat ik noch in ons leven in media, noch in de precaire arbeidsmarkt voor journalisten een donkere toekomst zie voor ons, voor de media of voor de journalistiek. Ik zie juist bronnen van hoop, enthousiasme en plezier en dit zijn de passies die voor mij het uitgangspunt zijn bij het begrijpen, onderzoeken en onderwijzen van Journalistiek en Media.

(hieronder: link naar video van de oratie voor de uitgesproken tekst)