Naar een goed leven in media

Mediapaniek is van alle tijden. Op weg naar een goed leven in media

Deze blogpost verscheen eerder op de website van Mediawijzer.net. Het boek, Leven In Media, verschijnt op 8 december bij Amsterdam University Press. Een boekpresentatie, tentoonstelling en debat vindt plaats op vrijdagavond 8 december in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Het is nogal wat, ons leven in media. Vicepremier Ollongren schrijft in haar Kamerbrief van 13 november over de “digitale dreiging” die van media uitgaat. Zowat alle partijen in de Tweede Kamer maken zich eveneens zorgen en roepen op tot “digitale weerbaarheid.” In het kersverse regeringsakkoord staat dat er in het onderwijs meer aandacht moet komen voor “digitale geletterdheid”. In de journalistiek en de populaire literatuur doen al enige tijd allerlei doemverhalen de rondte over de rol die media spelen in de samenleving. 

Als we dit soort onheilvoorspellers geloven maakt een leven in media mensen digiziek, leidt dit tot enge aandoeningen als infobesitas en reduceert het ons tot informatiejunks en mediaverslaafden. Van alles en nog wat wordt aan media toegeschreven: asocialiteit bij kinderen, zelfmoord onder tieners, eetstoornissen bij jongeren, apathie onder volwassenen en depressie bij ouderen. Met de regelmaat van de klok publiceren kwaliteitsmedia artikelen en reportages over hoe een bepaald medium – meestal de smartphone of een populair online platform zoals Facebook – de samenleving en democratie ten gronde richt.

Je zou er bijna hopeloos van worden. Machteloos, zelfs, want we lijken te staan tegenover een overmacht van superslimme technologie, manipulatieve megacorporaties en alomtegenwoordige algoritmen. Hoe houden we stand? En wat te doen? In mijn publieksboek “Leven in media” (in december 2017 uitgegeven door Amsterdam University Press) probeer ik vanuit mijn wetenschappelijke disciplines – de communicatiewetenschap (waarin ik promoveerde) en mediastudies (waarbij ik hoogleraar ben) – een antwoord te geven op de vraag hoe een mooi en goed leven in media eruit kan zien. Gesteund door het onderzoek naar de rol en invloed van media in ons leven kan ik met een gerust hart stellen dat er heus geen crisis is. Dat betekent niet dat alles vanzelf goed zal gaan en het allemaal wel meevalt, het wil vooral zeggen dat de huidige zorgen of zelfs paniek over media van alle tijden is, dat we er goed aan doen om te begrijpen waarom we zo dol op onze media zijn, en dat er genoeg middelen en kennis voorhanden zijn om samen al het moois uit media te halen wat erin zit.

In media komt onze menselijkheid tot uitdrukking

Allereerst is het belangrijk om te erkennen dat we niet meer met media, maar in media leven. Tegenwoordig besteden we zowat alle onderdelen van ons leven deels of geheel uit aan media. Ons liefdesleven verloopt via datingapps, onze vriendschappen en professionele netwerken via sociale media, we vinden de weg via een kaart op de computer of smartphone, we regelen ons eten en vermaak online en wat we van de wereld weten ontdekten we eerst in media.

Vanuit het perspectief van ons leven in media is het noodzakelijk om een speelse en creatieve manier van denken over media te ontwikkelen, waarbij we media zien als een verlengstuk van onszelf. In media komt onze menselijkheid tot uitdrukking, waarbij ik media liever zie als gereedschap waarmee we (samen) werken dan als een prothese waarvan we (individueel) afhankelijk zijn.

Zo’n houding voorkomt dat we media als iets engs zien dat van buitenaf allerlei invloed op ons uitoefent. Ons mediagedrag – elkaar in media opzoeken en contact maken, ontdekken wie we zijn en waar we bij horen, onszelf informeren en vermaken – is oermenselijk gedrag. Dat betekent ook dat we moeten leren onszelf en elkaar te vergeven voor de soms overenthousiaste manier waarop we ons overgeven aan, en soms zelfs even verliezen in, media.

Bij de soms heftige discussies die we met elkaar voeren over de invloed van media is het goed om na te gaan hoe in het verleden met media werd omgegaan. Enig historisch besef bij deze discussie kan enorm helpen anders tegen media aan te kijken. De meeste zorgen die wij nu hebben, zijn vaak dezelfde als die we honderden jaren geleden hadden. Ze gaan over echt en nep, over surveillance en privacy, over de enorme hoeveelheid informatie die op ons afkomt, over de losbandigheid van vooral jongeren, zelfs over seks met robots. Van een creatieve, gemeenschappelijke en op sámen leven en oplossen gerichte houding ten opzichte van media is meer te verwachten dan van een meer individualistische en argwanende instelling die ons dwingt onszelf te wapenen ‘tegen’ media.

Media als magische zwarte doos

Media zijn moeilijk. Ook dat is een belangrijke stap op weg naar een goed medialeven: erkennen dat we in feite weinig tot niets begrijpen van de ingewikkelde technologie die we in handen hebben als we een smartphone aanzetten of een e-mailtje versturen. Media zijn voor ons een zwarte doos waar we opdrachten invoeren en waar als bij toverslag resultaten uitkomen. Er is veel te weinig respect voor de magie van media. Juist door media voor lief te nemen, maken we de apparatuur en programmatuur machtiger dan wijzelf zijn.

Het kost echt moeite om goed in media te leven. Om bij te houden wat er op technologisch gebied allemaal mogelijk is. Om in te zien hoe je in de gaten gehouden wordt en hoe je daar zelf elke minuut van de dag aan meewerkt. Om kwaliteitsjournalistiek te vinden en te waarderen, om jezelf breed te informeren, om mensen die wat minder goed overweg kunnen met media niet met onbegrip of ongeduld te bejegenen, maar met een uitgestrekte hand en een behulpzame druk op de juiste knop.

Het kost ook moeite om te erkennen dat in media ik, noch iets of iemand anders, de regie in handen heeft. En dat dit ons niet machteloos maakt, vooropgesteld dat we voor onze communicatiemacht niet weglopen of vluchten, dan wel in de angst en verdediging schieten. De toekomst van ons leven in media kan er een zijn waarin we alomtegenwoordige media inzetten om beter naar elkaar te luisteren, leren om met verschil en diversiteit om te gaan, en samen gaan werken aan een betere, schonere en eerlijke wereld. Dat kan allemaal – ook in media.

Op 8 december is er ook een event bij Pakhuis de Zwijger over Leven in Media. Tip: speciaal voor de bezoekers via Mediawijzer.net heeft uitgeverij Amsterdam University Press een kortingscode beschikbaar gesteld voor het boek. Gebruik de code ‘mediawijzer’ om het boek zonder verzendkosten te bestellen.

The Media Are To Blame

The number of books in recent years documenting the downfall of civilization due to media - whether smartphones, social media, robots, algorithms or just 'the' media altogether - is astounding. Generally speaking, these are books not written by media scholars, but by concerned citizens, often 40+ years old affluent white authors lamenting what media are doing to, well, the stupid masses and particularly the YOUNG.

Okay. Here it is, from a media scholar: do media have effects on people? Hell yeah. Are these effects the same for everyone? No. Are these effects always there? No. Are these effects one-dimensional and one-directional? No. Is there ANYTHING particular to today's media effects as compared to, say, the invention of the printing press? Hell no.

In a nutshell: some people are affected by some media under some circumstances some of the time in some way.

Generally, though, we're fine and we will be alright. So what is the deal with all these books and their relative success? Three things: fear of young people, projection onto machines, and disrespect regarding nuance and complexity.

1. Ephebiphobia: fear of youth. We are scared shitless of the people we put on this earth to replace us, so we project all our fears about dying and having lived an utterly replaceable life onto the next generations with their silly gadgets and dumb behavior and irresponsible whatever. Get over it: once you're over forty, you're on your way out, and that is a good thing. Deal with it. I am way over 40.

2. The Influencing Machine: Ever since the mechanical evolution coinciding and correlating with the Enlightenment, we have projected all our own vulnerabilities and anxieties onto the machines of our time. Today its Facebook and an iPhone, in the 50s and 60s it was the TV set, in the early 1900s factory machines, and so on. Projection is so much easier than taking responsibility, because it makes us feel SUPERIOR and that is nice.

3. Media and Communication Scholarship: people who lament the impact of media and mediated communication on (other) people and society generally read a lot, EXCEPT the dedicated and sustained research done by scholars who study and understand media and (mass) communication. If they would, they would learn that filter bubbles - if these exist at all - tend to be temporary, that people - kids and teenagers alike - have complicated and creative and interesting relationships with their media but are definitely not programmed by them, and that the MAIN REASON why people are upset about powerful media is that these technologies enable those outside the mainstream (that is: youths and all minorities) to threaten and challenge the SOCIAL ORDER of things. That last insight is the legacy of the late and great Denis McQuail, one of the founding scholars of media and (mass) communication research in the world.

But hey, why would you deal with history and scholarship and critical self-reflection when you can blame machines, Silicon Valley and (your) kids for everything that is wrong in the world?


Leven in Media: Hoofdstuk I (Samenvatting)

Eind 2017 verschijnt bij Amsterdam University Press mijn nieuwe boek Leven In Media. Op deze blog, via Twitter hashtag #leveninmedia, en op de speciale openbare Facebookpagina Leven In Media post ik regelmatig 'work in progress', nieuws en andere updates. 'Like' die pagina om op de hoogte te blijven!

PS: eerste zin van het boek: 

Door media hebben we steeds minder zin in seks.




Hoofdstuk I: In Media (Samenvatting)

Hierin een korte uitleg over waarom het beter is te spreken van leven ‘in’ media in plaats van leven ‘met’ media. Ontwikkeling van het argument waarom we niet meer kunnen praten over media die effecten op ons hebben maar het eerder moeten hebben over hoe wij en onze media samen evolueren en welke rol wij daarbij spelen. Inclusief een werkbare definitie van media als:
  1. de apparaten die we elke dag gebruiken;
  2. de manier waarop we deze apparaten gebruiken om te communiceren en alledaagse beslissingen nemen, en 
  3. hoe we media integreren in ons dagelijks leven en daarmee een sturende rol geven in de wijze waarop we onszelf en de wereld om ons heen zien en begrijpen. 
Uiteindelijk is het belangrijk om over de rol van media in ons leven te denken voorbij termen als 'goed' of 'slecht' – hoe verleidelijk dat ook is. De focus verschuift van wat media met ons doen naar wat wij in media kunnen doen: hoe kunnen we op een zowel ethische als esthetische wijze verantwoordelijkheid voor ons leven in media nemen?


Leven in Media: Samenvatting

Eind 2017 verschijnt bij Amsterdam University Press mijn nieuwe boek Leven In Media. Op deze blog, via Twitter hashtag #leveninmedia, en op Facebook post ik regelmatig 'work in progress', nieuws en andere updates. 


Leven in Media

Samenvatting

Media zijn voor ons als wat water is voor vissen. Dit betekent niet dat we willoos aan media zijn overgeleverd en we daarbij onszelf – onze eigenheid als mensheid – gaandeweg verliezen. Het wil ook niet zeggen dat we in media uiteindelijk allemaal met elkaar vredig verbonden zijn. De realiteit van ons leven in media geeft ons macht om samen iets aan onze werkelijkheid te doen. De voorwaarde is, dat we daarbij ophouden om aan onszelf, als individu dan wel als mensheid, te denken als uniek, speciaal of bijzonder. Wat bijzonder is, zijn de relaties die ons verbinden. En die connecties worden nu eindelijk zichtbaar, in principe voor iedereen, via onze media. De vraag is nu – in het tijdperk van allesdoordringende sociale media, van big data, surveillance, nepnieuws, filterbubbels en algoritmes die bepalen wat we horen, lezen en zien - wat we met deze gedeelde verantwoordelijkheid gaan doen.

Dit boek gaat niet over wat media met ons doen, maar wat wij in media kunnen doen.


Als Niemand Meer Luistert


Op donderdag 12 februari 2015 mag ik de jaarlijkse Van Markenlezing uitspreken. Deze eervolle gelegenheid wordt georganiseerd door Logeion, de beroepsorganisatie voor communicatieprofessionals in Nederland.

Deze lezing wil ik graag aangrijpen om een aantal onderzoekslijnen uit mijn werk in het heden en verleden bij elkaar te brengen, met name de idee van ons leven in media en het management van mediawerk.

Ook al ben ik al sinds 2007 bezig met het Media Life project, juist in onze hedendaagse tijd zien we hoe ons leven zich in, en niet met, media af speelt. Zoals Zygmunt Bauman het onlangs stelde, het is geen toeval dat juist mediawerkers tegenwoordig het doelwit zijn van terroristen - zoals bij de misselijkmakende onthoofdingen van freelance journalisten in Syrië en de moorden op redacteuren van een satirisch magazine in Frankrijk. In de woorden van Bauman:
"In our media-dominated information society people employed in constructing and distributing information moved or have been moved to the centre of the scene on which the drama of human coexistence is staged and seen to be played."
Met deze uitspraak en de recente gebeurtenissen in Parijs zal mijn Van Markenlezing beginnen. Waar ik de lezing ook voor zal gebruiken, is om de eerste, weliswaar zeer prille, resultaten te presenteren van een grootschalig onderzoek dat ik samen met collega Tamara Witschge (Universiteit Groningen) en studenten van de masteropleiding Journalistiek van de Universiteit van Amsterdam uitvoer.

Dit onderzoek richt zich middels een uitgebreide serie van case studies op nieuwe ondernemingsvormen in de journalistiek en media. We werken daarbij ook samen met het MultipleJournalism.org project van Bregtje van der Haak (VPRO Tegenlicht). Voor de Van Markenlezing zal ik de eerste resultaten presenteren van case studies naar bijzondere journalistieke startups in Nederland, Frankrijk, Italië, Colombia, Brazilië, Iran en de Verenigde Staten.

Op basis van deze combinatie van projecten, nieuw onderzoeksmateriaal en laatste inzichten hoop ik iets zinnigs te kunnen zeggen over de overlevingsstrategie voor mensen (die zenden) in de journalistiek, media en communicatie in een samenleving waarin niemand meer luistert.

De lezing is open toegankelijk (ook al zit er een stevig prijskaartje aan vast), donderdag 12 februari 2015 van 15:00 uur tot 18:00 uur in De Nieuwe Energie te Leiden. De organisatie belooft vuurwerk; ik beloof kruit, lont en lucifers. 

Onafhankelijk Leven en Werken in Media

(c) piethermans.nl


We leven in media en hierdoor verdwijnen media uit ons bewustzijn. Media zijn voor ons als wat water is voor vissen.

Zoals Albert Einstein in 1936 schreef in een zelf-portret (en een uitspraak welke later werd toegeschreven aan de beroemde mediatheoreticus Marshall McLuhan): 
“Of what is significant in one’s own existence one is hardly aware [...] What does a fish know about the water in which he swims all his life?”
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat ons leven volledig bepaald wordt door media; ik wil juist uitdrukken dat, of we het nu leuk vinden of niet, elk aspect van ons leven zich afspeelt in media en dat media hiermee deel uitmaken van zowel de fysieke als emotionele architectuur en choreografie van ons spelen, leren, werken en liefhebben. In deze oratie wil ik vertellen hoe we in media leven, wat daarvan de gevolgen zijn en hoe de professionele journalist hier de centrale rol in kan spelen die we van de journalistiek in onze samenleving verwachten.

Bij wijze van inleiding kunnen we allereerst denken over de term ‘Martini media’ als basis voor het begrijpen van de manier waarop zowel consumenten als producenten tegenwoordig met media om gaan. Het concept verwijst naar de pakkende slogan van een beroemde Martini-reclamecampagne uit eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw: “Anytime anyplace anywhere”, gebaseerd op een hitsingle van de Zuidafrikaanse zanger Danny Williams.

In een geanimeerde toespraak tot de medewerkers van de British Broadcasting Corporation (BBC) in 2006 voorspelde algemeen directeur Mark Thompson een nieuwe media toekomst voor de samenleving in het algemeen en de publieke omroep in het bijzonder, een wereld volgens hem gebaseerd op het ‘Martini media’ principe: 
“meaning media that's available when and where you want it with content moving freely between different devices and platforms.”
Martini Media verwijst naar een wereld waarin media boodschappen in alle vrijheid heen en weer bewegen over allerlei platforms – van de televisie naar het internet, via een tijdschrift naar de radio, door middel van tekstberichtjes op je mobiel naar een videogame console. Dat heeft als gevolg, stelde Thompson, dat je als mediamaker niet alleen op al die platformen telkens weer een publiek moet zien te vinden voor je verhalen, maar dat dit publiek geen publiek meer is: het zijn je nieuwe medewerkers, je partners. Zij nemen een deel van het werk over door jouw boodschap door te sturen, aan te bevelen en van commentaar te voorzien. Of zelfs te remixen.

Thompson’s visie op de creatieve toekomst van de BBC verwijst naar iets wat inmiddels voor de meeste mediamakers en mediawetenschappers vast staat, maar desalniettemin nog steeds vele nieuwe vragen en problemen op roept: we leven niet meer met een paar controleerbare media die we zo nu en dan gebruiken om onszelf doelgericht te informeren of te vermaken – we leven in media die vrijelijk om ons heen dartelen en al onze informatie, opvattingen, ideeën en gedrag vastleggen, opslaan en daarmee omvatten.

Niet alleen de media zijn anytime anyplace anywhere – wij zijn dat zelf inmiddels ook. In onze media, die zich qua apparaten alleen maar lijken te vermenigvuldigen, zijn we ooggetuige van de meest intieme activiteiten van mensen om ons heen, net zo goed als dat we meekijken en mee kunnen doen met de Arabische lente of de verschrikkingen van slachtoffers van natuurrampen die via sociale media op zoek gaan naar familieleden en vrienden. We worden als het ware voortdurend heen en weer geslingerd tussen het consumeren van informatie en entertainment, het produceren van onszelf en ons eigen verhaal, en de deelname aan het leven van anderen in media. Dat is, op z’n zachtst gezegd, nogal een emotionele rollercoaster. Dat emotionele leven is, vreemd genoeg, lange tijd onontgonnen terrein geweest voor zowel de sociale als geesteswetenschappen.

Mijn Italiaanse collega Leopoldina Fortunati schreef in 2009 een schitterend essay, waarin ze beargumenteerde dat de meeste theorievorming over communicatie via media zonder ‘hart’ is: we maken ons als wetenschappers blijkbaar niet zo druk om emoties. Emoties komen pas achteraf. Ze houdt een vurig pleidooi om media en communicatie te bestuderen in termen van emoties.

Je zou kunnen zeggen dat we de rol van media in ons leven meer nadrukkelijk moeten zien in de context van wat Rene Descartes ooit in 1649 de ‘passies van de ziel’ noemde: verwondering, liefde, haat, verlangen, vreugde en droefheid.

Een van de onderzoeksprojecten van mijn leerstoel neemt daarom juist deze passies als uitgangspunt: het gaat om een boek dat ik samen met professor Fortunati schrijf, waarbij we een mediafilosofie uitwerken welke start met deze passies en eindigt bij media, in plaats van andersom. Onze werktitel is: “Theory With Heart.”

Een mooi voorbeeld van een goed begrip van media als zowel object als expressie van passie is de wetenschap, dat ruim twintig procent van onze bevolking niet oorspronkelijk uit ons land komt. De meesten van hen zijn volledig van media afhankelijk voor dagelijks contact met familie, met kinderen, geliefden en met het nieuws en de muziek van waar ze vandaan komen.

Twee Britse collega’s, Daniel Miller en Mirca Madianou, noemen media daarom ‘technologieën van de liefde’ omdat media een cruciale rol spelen bij het onderhouden, verstevigen en verdiepen van onze meest intieme banden. In plaats van ‘Martini media’ kiezen Miller en Madianou voor de term ‘polymedia’ en daarmee past hun werk in een reeks recente studies die proberen het van media doordrenkte leven met hernieuwd elan te conceptualiseren, waarbij een gezond respect voor ons vaak hartstochtelijke engagement met media centraal staat.

Wat betreft het gedrag van tieners op online sociale netwerken verwijst danah boyd naar dit soort media als ‘passion places’ ofwel ‘passieplekken’: plaatsen en omgevingen in media waarin we ons hart kunnen ophalen aan dingen, mensen en ideeën waar we op dit moment specifiek zin in hebben, waar we op dat moment bij willen horen. Passie is daarmee een leidend concept om te gebruiken als we echt iets willen begrijpen van ons leven in media.

We leven in media. We kijken naar onszelf, elkaar en de wereld als in media. En in die media zijn we ook heerlijk met onszelf bezig. Verreweg de meeste inhoud in de media – denk bijvoorbeeld aan de video’s op Youtube, de status updates in sociale media, de talloze Whatsapp’jes en SMS’jes die opeen dag voorbij komen – worden geproduceerd door media consumenten en niet door professionele mediamakers.

In ons leven in media maken we niet alleen media steeds meer zélf – we maken ons zelf steeds meer in media.

In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of theYear’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd scheppend ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, schuw en angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf en deze foto delen in media) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking dit jaar alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Onderzoek over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat de meeste mensen een enorme sociale druk ervaren om daar toch vooral er goed op te staan en er niet al te veel heftige emoties of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Deze gevoelde druk wordt gevoed door ouders, docenten, wetenschappers, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. In plaats van het samen vieren dat we zichtbaar zijn en blijven in media, verschuilen we ons achter het sluier van een min of meer opgeschoonde versie van ons zelf die niet meer ‘anders’ is voor anderen.

Dit lijkt een gemiste kans – want we kunnen bijna niet anders dan in media leven en onszelf daarin laten zien. Wat ik daarmee wil suggereren is dat we ons leven in media het beste in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen kunnen verklaren:
  • Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘post-materiële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu mensen in ontwikkelde landen over het algemeen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?
  • Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Brazilië: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.
Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven en hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze op ons reageert als we er iets in doen  en waarin we ons hoogsteigen verhaal altijd kwijt kunnen ten overstaande van een welwillend publiek.

De werkelijkheid wordt daarmee een virtuele werkelijkheid zoals een computerprogramma of video game die je naar eigen inzicht en behoefte kunt aanpassen. Een werkelijkheid die je als het ware kunt maken.

Deze verwachting zien we ook terug in de inhoud van de media zelf – zo domineert de maakbare nepwerkelijkheid van reality tv al jarenlang de televisieprogrammering wereldwijd en puilen onze zenders uit van in meerdere of mindere mate extreme ‘makeover’ programma’s waarin werkelijk elk aspect van het leven – familie, carrière, huis, huwelijk en lichaam – verbouwd wordt.

Een maakbaarheidsverwachting zien we ook terug in de hedendaagse obsessie van bedrijven en overheden met ‘big data’: de manier waarop alle facetten van de markt, samenleving en gemeenschap gereduceerd worden tot statistisch bewerkbare digitale dossiers.

Op individueel niveau komt deze verwachting terug in de vorm van calorieën- en stappentellers op onze mobieltjes, het getalsmatig bijhouden van sociale netwerken (zoals vrienden op Facebook en volgers op Twitter), rankings en ratings op sites zoals Bol, Iens en Marktplaats op basis waarvan we beslissen welke boeken te lezen, waar ons avondeten gaan halen en met welke spullen we ons huis inrichten, tot aan de door algoritmes bepaalde romantiek op online dating websites.

Ook in de offline wereld vindt een gestage kwantificering van zo’n beetje alle andere aspecten van onze deelname aan de samenleving plaats: puntenrijbewijzen, airmiles, rapportcijfers, kortingscoupons en bonuskaarten, salarisschalen, kredietscores, enzovoorts.

Het reduceren van de complexe werkelijkheid tot eentje die in media kwantificeerbaar en mede daardoor maakbaar lijkt komt zelfs terug in de verwachtingen die we van ons lichaam hebben: we deinzen steeds minder terug om technologie in te zetten voor het verrijken en verbouwen van ons lichaam in de verwachting dat we daardoor ‘beter’ worden.

Onlangs suggereerde Erasmus-hoogleraar Jos de Mul op het festival van de ‘G8 van de Filosofie’ daarbij dat we met z’n allen op weg zijn naar homo sapiens 3.0 en stelde daarbij een vraag die volledig in het teken staat van een maakbaarheidverwachting: 
“Worden wij de eerste soort op aarde die zijn eigen evolutionaire opvolger gaat scheppen?”
Zo gezien stelt het leven in media ons voor een prachtige paradox. Aan de ene kant wordt de wereld iets waarin we een creatieve rol kunnen spelen. De werkelijkheid is maakbaar – is open source zoals bij computersoftware die iedereen kan delen en aanpassen. Dat geeft ons een enorme ‘communicatiemacht’ (zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells het stelt).

Aan de andere kant deinzen we massaal voor die macht terug en kruipen we in onze schulp en redigeren we alle scherpe, ingewikkelde, moeilijke of anderszins onrustige randjes van wie we zijn en hoe we ons aan elkaar laten zien weg. In feite zijn we permanent bezig onszelf op te poetsen en te verkopen in een wereld die verdacht veel weg heeft van een gigantische supermarkt, waar wij de producten zijn.

Het is de uitdaging van het leven in media om een technologische infrastructuur niet los te zien van de emotionele inrichting van ons leven – we worden in media niet meer zoals machines (maar de verleiding is groot) en onze machines zijn niet anders dan wij (ook al lijkt dat zo).

Maar... dit is een lastige opdracht. Sterker nog, meestal is de toenemende mediatisering en virtualisering van de werkelijkheid nogal overdonderend, zeker in combinatie met een schier eindeloze keuzevrijheid en maakbaarheid. Filosoof, initiatiefnemer van het innovatieve journalistieke online tijdschrift De Correspondent en voormalig NRC Next hoofdredacteur Rob Wijnberg schreef hierover in februari 2014
“We ervaren de werkelijkheid als ‘virtueler’ naarmate hij optioneler is. Of, in gewoon Nederlands: als er een knop op zit. Het is die optionaliteit die onze 24-uurs nieuwsvoorziening zo’n bevreemdende ervaring maakt, die ons heen-en-weer slingert tussen betrokkenheid en desinteresse, tussen schok en schouderophalen, tussen activisme en cynisme. Wat daaraan te doen valt: werkelijk geen idee.”
Gelukkig weten de twee primaire disciplines die zich met media bezighouden – Mediastudies bij de Geesteswetenschappen en Communicatiewetenschap bij de Sociale Wetenschappen – heel goed wat we hieraan kunnen doen. Deze twee disciplines bieden ons een meer onafhankelijke positie in het medialeven - bij Communicatiewetenschap bijvoorbeeld door ons effectief te leren communiceren zodat we in media een rol van betekenis kunnen spelen. Bij Mediastudies doen we dat door diezelfde boodschappen kritisch te bekijken, respectvol te ontleden en daarmee onszelf te ontworstelen aan de illusie van controleerbare communicatie. Ook gebeurd dat door de media zelf te ontleden: via disciplines als digitale methoden doen we dat met de data op het internet en via de media archeologie doen we dat met de hardware van media zelf.  Gewapend met deze kennis is een leven in media zowel makkelijker als vanzelfsprekender en hebben we hopelijk wat minder de neiging door te slaan in het adverteren van ons zelf.

Mediastudies houdt zich relatief sinds kort expliciet bezig met onze passies. Daar komt een tweede lacune bij: ook de bestudering van hoe media gemaakt worden is nog betrekkelijk jong – in het verleden deden vooral collega’s bij sociologie en geschiedenis studies over de media als industrie - maar ook hierin komt de laatste jaren snel verandering.

De media als industriële sector eisen een steeds prominentere plaats in de samenleving op. Zowel in Nederland als daarbuiten zien we bijvoorbeeld dat overheden en het maatschappelijke veld steeds nadrukkelijker investeren in wat wel genoemd wordt de ‘creatieve industrie’, waarvan media zoals film, televisie, videogames, reclame, muziek en ook de journalistiek deel uitmaken. De creatieve industrie is inmiddels doorgedrongen tot de negen zogenaamde ‘topsectoren’ waar het economisch beleid van de Nederlandse overheid op gericht is.

Ook zijn er zorgen over deze dominante rol van de media als maatschappelijke speler. Zo spreken wetenschappers en politici met enige regelmaat over een doorgeslagen ‘medialogica’ in onze samenleving, waarbij zowel de landelijke als regionale politiek en de journalistiek zich steeds meer op elkaar richten en elkaars agenda volgen, waarbij de stem van (en het zicht op) de burger het laat afweten.

Hoe opwindend of zorgwekkend het succes van de media als industrie ook moge zijn, het zou toch voor media makers – zij, die beroepshalve films produceren, video games ontwikkelen, televisieprogramma’s samenstellen en het nieuws verslaan – een fantastische tijd moeten zijn. Hun wereld staat volledig in de schijnwerpers! Elk jaar besteden we met z’n allen meer tijd aan media dan het jaar daarvoor. De verkoopcijfers van HDTV’s, iPads, game consoles en smartphones stijgen nog altijd. We kijken smachtend uit naar de nieuwe seizoenen van Game of Thrones en Borgen, zitten aan het scherm gekluisterd voor De Wereld Draait Door, kunnen niet wachten op het verschijnen van Destiny (de nieuwe game van de makers van HALO), en de onthullingen over het NSA spionage-schandaal heeft de journalistiek wereldwijd op de kaart gezet als onmisbare partner in het bewust om gaan met onze informatie en onze rechten als burgers.

Toch lijkt niets minder waar. In de Verenigde Staten is tussen 1997 en 2007 een kwart van alle media professionals hun baan kwijtgeraakt. Specifiek wat betreft de journalistiek was het tekenend dat tussen 2007 en 2013 30 procent van alle dagbladjournalisten ontslagen werd. Ook in Nederland neemt het aantal werkloze journalisten zienderogen toe, zo blijkt bijvoorbeeld uit cijfers van het UWV.

De Amerikaanse econoom Richard Caves stelde ooit dat het meest eigenaardige karakter van de creatieve industrie is, dat het functioneert op basis van het “nobody knows” principe: onzekerheid over het eventuele marktsucces van het eindproduct – de film, de game, de krant. Die onzekerheid strekt zich vandaag de dag uit tot een veel fundamenteler niveau: niemand weet of hij na het huidige project nog wel werk heeft, waar het volgende inkomen vandaan gaat komen, of het werk wat ze nu doen goed of slecht is – en of dat iets uit maakt.

Knagende onzekerheid in de creatieve industrie vertaalt zich in bar slechte arbeidsomstandigheden: lage lonen en steeds vaker helemaal geen betaling voor werk, geen uitzicht op promotie of een anderszins min of meer voorspelbare loopbaanontwikkeling en leven in de wetenschap dat de weinige vaste banen permanent op de tocht staan – zoals recentelijk bij het verdwijnen van vijfhonderd banen bij uitgever Sanoma, een ongewoon agressief redactioneel verjongingsoffensief bij de regionale dagbladen van Wegener (de gemiddelde leeftijd op de redacties moet binnen drie jaar omlaag van 51 naar 43 jaar), gedwongen ontslagen en vertrekregelingen bij regionale omroepen en naar verwachting ruim duizend ontslagen over de hele linie bij de landelijke publieke omroep – en dit is slechts een kleine greep uit het ontslagnieuws over de Nederlandse media sinds ik in juni 2013 terugkeerde na tien jaar in Amerika gewoond en gewerkt te hebben.

Het is een wonderlijke paradox: de media als industrie spelen een steeds prominentere rol in onze samenleving, maar zij, die beroepshalve in de media werkzaam zijn delen niet in dit succes. Dat zou aanleiding kunnen zijn tot een reeks mismoedige bespiegelingen over de toekomst van media professionals in het algemeen en journalisten in het bijzonder. Nu ben ik, zoals ik ooit mocht opmerken bij mijn vorige oratie aan de Universiteit van Leiden in januari 2008 – aan welke werkplek en collega’s ik warme herinneringen heb – geen pessimist. Met Theo Maassen ben ik van mening dat pessimisme een win-win situatie is: of je hebt gelijk, of het valt mee. En daarmee is dit perspectief op de werkelijkheid intellectueel weinig stimulerend.

Laten we daarom eens fris kijken naar wat er precies aan de hand is in de beroepsgroep van journalisten, daar waar het gaat over hun positie op de arbeidsmarkt.

Allereerst een basale vraag: hoeveel professionele journalisten werken er in Nederland? De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is de grootste beroepsorganisatie in ons land en telt ongeveer 7400 leden. Een belangrijke aanvulling op dat bestand is een onderzoek van eind vorig jaar onder ruim zevenduizend zelfstandige journalisten, waar ik zijdelings bij betrokken mocht zijn. De combinatie van deze twee bestanden suggereert dat er op dit moment in de Nederlandse journalistiek ongeveer 16.000 journalisten werken, uitgaande van een organisatiegraad van 75 procent.

Uit eerder onderzoek door Liesbeth Hermans en Maurice Vergeer van de RadboudUniversiteit Nijmegen en Alexander Pleijter van Fontys Tilburg in 2010 blijkt dat ongeveer de helft van alle journalisten in Nederland werkt als freelancer. Vooral onder nieuwkomers in het vak, bijvoorbeeld bij journalisten jonger dan 35 jaar, werkt op dit moment nog maar een kwart in vast dienstverband. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist is op dit moment 50 jaar.

De NVJ is opgedeeld in verschillende secties, zoals Dagblad, Omroep en Internet. Van de dertien secties en werkgroepen die de NVJ telt is die van de Zelfstandigen met 2128 leden inmiddels de allergrootste.

Daar waar tot aan het begin van de jaren tachtig deeltijdfuncties en tot op zekere hoogte freelancerwerk nog vooral interessante ideeën waren (waar destijds een kleine minderheid van journalisten openlijk mee speelde), was in 2000 ongeveer een kwart van  alle journalisten in Nederland op deze manier werkzaam. In tien jaar tijd is hun aantal verdubbeld (zie voor meer cijfers mijn boek "Wat is journalistiek?" uit 2004).

Op de meeste redacties bij internet, omroep, dagbladen en tijdschriften zijn vaste contracten verleden tijd en krijgen jongeren een freelancercontract aangeboden voor een bepaalde tijd. Andere redacties werken met tijdelijke contracten via uitzendbureaus, waarmee bijvoorbeeld vakanties en zwangerschapsverloven worden opgevuld.

De grootste werkgevers voor Nederlandse journalisten zijn regionale dagbladen en de publieke omroep, samen goed voor bijna een derde van alle redactionele banen. Op de derde plaats van belangrijkste bronnen van inkomsten voor journalisten staat het werken als zelfstandig ondernemer.

In het najaar van 2013 lieten de NVJ, de Stichting Lira, de Fotografen Federatie en de Freelancers Associatie onderzoek uitvoeren onder hun in totaal ruim zevenduizend leden. Het werken als zelfstandige heeft bij twee derde van de ondervraagde journalisten de duidelijke voorkeur. Volgens de cijfers verzameld door Henk Vinken en Teunis IJdens van onderzoekbureau Pyrrhula zou slechts 5 procent eigenlijk het liefst in loondienst werken. De motivatie voor het freelance bestaan is overwegend positief: meer dan helft is freelancer of ZZP’er uit overtuiging en velen kiezen voor dit bestaan om meer balans tussen werk en privé te krijgen. Van de verschillende redenen om als freelancer of ZZP’er in de journalistiek te gaan werken worden verder prominent genoemd: vrijheid (15 procent), afwisseling en flexibiliteit (10 procent), passie en uitdaging (7%).

Dit beeld correspondeert met onderzoek onder alle zelfstandige ondernemers in Nederland. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2013 laten zien dat het totaal aantal eenmanszaken en zelfstandige ondernemingen ondanks de crisis nog steeds stijgt. Op dit moment is tien procent van de in Nederland werkzame bevolking zelfstandige zonder personeel en het CBS verwacht dat dit percentage de komende jaren zal verdubbelen.

Uit een enquête onder ZZP’ers uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in 2013 blijkt eveneens dat de primaire motivatie voor de meeste ZZP’ers is het eigen baas zijn. Slechts 15 procent zegt dat naast hun wens om eigen baas te worden ook een zekere noodzaak heeft meegespeeld. Dat percentage is hetzelfde onder journalistieke zelfstandigen.

Het is interessant om deze breed gedeelde behoefte om eigen baas te zijn de koppelen aan de maakbaarheidverwachting die we van ons leven in media hebben.

Vorig jaar gaf mijn collega Jeroen Smit zijn oratie in Groningen, waarvoor hij samen met Tamara Witschge een enquête deed onder een kleine zevenhonderd dagbladjournalisten. Uit hun studie wil ik graag twee resultaten delen.

Allereerst de blijkbaar gangbare opvatting, dat de kwaliteit van de journalistiek zal lijden door de toename van freelancende collega’s: driekwart van de dagbladjournalisten is het eens of zeer eens met de stelling:
“Als het merendeel van de krantenjournalisten als freelancer werkt, zal de kwaliteit van de krant eronder lijden.”
Om een beeld te schetsen van de situatie bij een van de prominente landelijke dagbladen in Nederland waar ik recentelijk onderzoek deed: daar werken zo’n driehonderd redacteuren in vaste of tijdelijke loondienst, welk werk wordt aangevuld met de bijdrage van ruim 1.600 freelancers en zelfstandigen.

Deze beoordeling heeft waarschijnlijk te maken met de perceptie, dat het werken als zelfstandige journalist gewoon moeilijker is: 61 procent is het eens of zeer eens met de stelling:
“Voor freelancers is het moeilijker onafhankelijke journalistiek te bedrijven dan voor journalisten in vaste dienst.”
Het zijn juist dit soort percepties die nader onderzoek behoeven. Onlangs was ik betrokken bij een uniek overleg. Samen met Rosa Garcia Lopez, secretaris van een aantal secties bij de NVJ, nodigden we een groot aantal journalistieke beroepsorganisaties en onderzoekers uit voor een kennismakingslunch. Onder de genodigden waren vertegenwoordigers van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten, Stichting Lira, de Fotografen Federatie, de Universiteiten van Nijmegen en Groningen en de Hogescholen van Tilburg en Zwolle, en de Vereniging van Online Journalisten Nederland.

Uit de vloeiende discussie over wat er allemaal leeft bij de achterban, onder journalisten en opleidingen journalistiek in Nederland, kwam als meest prangende kwestie naar voren de in toenemende mate dubbele, ‘hybride’ en zelfs ‘schizofrenie’ positie van de journalist in de huidige arbeidsmarkt: als journalist met een specifieke beroepseer enerzijds en als ondernemer anderzijds. Hoe combineer je journalistieke onafhankelijkheid met een commerciële houding? Dit geldt zeker niet alleen voor zelfstandigen, want ook redacteuren in loondienst worden tegenwoordig steeds meer geacht persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de marktresultaten van het nieuwsbedrijf.

De breed gevoelde spagaat tussen marktoriëntatie enerzijds en creatieve dan wel professionele onafhankelijkheid anderzijds is een overblijfsel van een tijd waarin journalisten zich niet druk konden of wilden maken over het feit dat zij een product zonder publiek leverden. Professionele identiteit in de media ontstaat juist door bewust, kritisch en autonoom in de voortdurende onderhandeling tussen commercie en creativiteit te staan. Het is deze positie van onafhankelijk werken in media waar ik voor sta bij onze masteropleiding Journalistiek en Media.

Deze ruwe schets van het journalistenbestand staat twee duidelijke conclusies toe, welke aansluiten bij trends op de internationale journalistieke arbeidsmarkt: er vind over de hele linie een gestage vergrijzing plaats onder journalisten in (vaste of tijdelijke) loondienst terwijl er tegelijkertijd sprake is van een versnellend proces van verzelfstandiging in de journalistiek als beroep. Het ligt daarbij niet in de lijn der verwachtingen dat de vrijgekomen arbeidsplaatsen door al dan niet vervroegd pensioen overgenomen gaan worden door jongere journalisten: de internationale trend wijst steevast op toenemende flexibilisering en contractvrijheid.

De studie naar de journalistiek en vooral een oprechte interesse in de toekomst van het beroep is daarmee steeds de bestudering van het werk, de opvattingen, ervaringen en visie van zelfstandig opererende journalisten.

Hier kan ik tot slot nog bij opmerken dat de studie naar de toekomst van de journalistiek met name een studie moet zijn van de rollen en ideeën van vrouwen in het beroep, aangezien zij veruit de meerderheid vormen van alle jonge journalisten, alle zelfstandige werkende journalisten beneden 35 jaar en van alle studenten journalistiek die Nederland rijk is.

Om deze reden verheug ik me op een grootschalig onderzoeksproject dat ik dit jaar startte samen met Vera Spaans en Klaske Tameling van de Stichting Vrouw en Media naar de ervaringen en visie van journalistes in ons land – het wordt een herhaling van een beroemd (of berucht) onderzoek en boek uit 1986: “Voor zover plaats aan de perstafel.”

Hoe onrustig en onzeker de positie van de zelfstandige journalistiek als beroep ook moge zijn, het is van cruciaal belang om deze precariteit niet uitsluitend toe te schrijven aan zelfstandigen en freelancers en daarmee net te doen alsof er een glasharde scheiding bestaat tussen zelfstandige journalisten enerzijds en redacteuren in loondienst anderzijds. Gezien alle ontslagen en de aanhoudende flexibilisering van contractvormen bij omroepen en uitgevers is de werkplek in vast of tijdelijk dienstverband net zo precair als die van de naar opdrachtgevers zoekende zelfstandige. Punt is, dat zowel freelancers als fulltimers precariteit beleven in hun dagelijkse werk. Nu worden zij nog door werkgevers tegen elkaar uitgespeeld en houden zij zelf dit schisma in stand door over en weer te grossieren in stigma’s, door bijvoorbeeld redacteuren in loondienst af te schilderen als vastgeroeste dinosaurussen en zelfstandigen te zien als mislukte journalisten die niet goed genoeg zijn voor een vaste plaats op de redactie.  

Wat nog ontbreekt is samenwerking op grote schaal, bijvoorbeeld zoals uitgedrukt in de open verzameling en uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat mist is een breed gedeeld gevoel dat we samen in hetzelfde bootje zitten en dat de journalistiek slechts zo goed is als haar meest kwetsbare beoefenaars. Journalistiek zou voor alle journalisten een ‘passieplek’ moeten zijn (zoals sociale media dat voor tieners zijn) ongeacht status, aanstelling of positie in de arbeidsmarkt dan wel beroepshiërarchie. Solidariteit met gelijken is eenvoudig; samenwerken met vreemden vergt oefening en inzet. Juist de samenwerking tussen verschillende soorten journalisten en daarnaast tussen journalisten en andere media makers (zoals computerprogrammeurs, designers en creatieve managers) is cruciaal voor journalisten om het beroep met behoud van alles wat het zo’n uitzonderlijke en belangrijke positie in de samenleving geeft veilig door de volgende eeuw te loodsen.

Hoe deze samenwerking vorm kan krijgen, zal zich moeten uitwijzen. Maar wat ik overal om me heen zie zijn de hoopvolle eerste contouren van projecten en bedrijfsvormen waarbij studenten, freelancers, ZZP’ers, ZMP’ers, redacteuren en andere mediamakers bij elkaar komen om gezamenlijk in te zetten op vernieuwing en innovatie. Dat gebeurt zowel op de hogescholen als op de universitaire opleidingen journalistiek in ons land, net zo goed als deze veranderingen plaats vinden op de redacties van het NOS Journaal en het NRC Handelsblad of bij journalistieke startups zoals De Correspondent.

Samenwerking gebeurt zowel op inhoudelijk vlak als op het niveau van nieuwsvermarkting zoals bij Blendle en eLinea. En dit gebeurt zowel binnenshuis bij grote uitgevers zoals bijvoorbeeld de Telegraaf Media Groep, waar Bart Brouwers eerder deze week de journalistieke vrijplaats TMG Startups lanceerde om creativiteit en nieuwe ideeën ruim baan te bieden, of bij Sanoma waar via een intern innovatieprogramma onlangs het freelancersplatform Hubly startte.

Ditzelfde gebeurt buitenshuis, zoals in het Nieuwsatelier hier in het centrum van Amsterdam waar startups Follow The Money, LocalFocus en tot voor kort NewPaper jonge talenten –waaronder ook onze studenten – onder hun hoede nemen zodat ze door kunnen groeien tot zelfstandig ondernemend journalist. Eerder deden Tamara Witschge en ik onderzoek in het Nieuwsatelier door iedereen daar op avondeten te trakteren. Het was een heerlijke avond, waar de discussie over passie voor de journalistiek oprecht hoopvol stemde voor de toekomst van het beroep. We willen het onderzoek van deze avond voort zetten en plannen een reeks studies naar nieuwe vormen van journalistiek, zowel binnen de bestaande nieuwsmedia als daarbuiten, welk project zal uitmonden in een boek met als werktitel “Beyond Journalism.”

Laat ik tot slot benadrukken dat goedkope, ongeorganiseerde en met elkaar concurrerende werkers de benzine zijn voor de motor van een economisch systeem dat zich in de regel niets van passie, noch van kwaliteitsjournalistiek aan trekt. Samenwerkende journalisten vanuit alle onderdelen van de arbeidsmarkt met hart voor de zaak en liefde voor het vak zijn daarentegen veel machtiger dan zij zelf denken – want de creatieve industrie, geregeerd door het “nobody knows” principe, is volledig van hen afhankelijk.

Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat ik noch in ons leven in media, noch in de precaire arbeidsmarkt voor journalisten een donkere toekomst zie voor ons, voor de media of voor de journalistiek. Ik zie juist bronnen van hoop, enthousiasme en plezier en dit zijn de passies die voor mij het uitgangspunt zijn bij het begrijpen, onderzoeken en onderwijzen van Journalistiek en Media.

(hieronder: link naar video van de oratie voor de uitgesproken tekst)



Voorpublicatie: Oratie 25 april 2014

Vrijdag 25 april 2014 geef ik mijn oratie aan de Universiteit van Amsterdam (om 16:00 uur 's middags in de Aula van de Lutherse Kerk op het Spui te Amsterdam). Hieronder een piepklein stukje uit deze rede, daar waar het gaat over de gevolgen van ons leven in media...


In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of the Year’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Niet alleen schoolkinderen, ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de enigszins twijfelachtige selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking van 2014 alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Al het onderzoek dat mij bekend is over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat we een grote druk ervaren om er daar toch vooral goed op te staan en er niet al te veel scherpe randjes of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Dit gevoel wordt gevoed door ouders, docenten, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. Of we het nu willen of niet, we worden de media ingetrokken en we moeten onszelf op de een of andere manier daarin verhouden. Wat ik wil suggereren is dat we ons individualisme in media in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen moeten zien.

Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘postmateriële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu de meeste mensen in ontwikkelde landen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?

Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Nederland: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.


Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven, hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare, bewerkbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze reageert als we er iets mee doen.

Video Interview over Leven, Werken en Doceren in Media

Course Outline Media Life

Preliminary announcement: please find below the course outline for my Media Life course for the Institute of Interdisciplinary Studies (IIS) of the University of Amsterdam.

This is an open course - free for all fulltime Dutch students - running from February until May 2014. Registration is done on an ongoing basis. Please check the IIS site and this blog for updates...
  • introduction
  • media (and life) defined
  • the convergence of humans and machines
  • society as a living archive at the end of forgetting
  • you are being watched, and live in public
  • “I know where I came from - but where did all you zombies come from?”
  • we are all together alone
  • love, sex and death in media (life)
  • living in media
  • our options (1): wage war on machines
  • our options (2): surrendering to a reality made in media, by media
  • our options (3): collaboratively shape mediated reality
  • our options (4): a Truman Show Delusion




Media Life: Open University Course in Amsterdam

In the Fall of 2014 The Institute for Interdisciplinary Studies hosts my Media Life course. The course is open to students from any level (Bachelor, Master, PhD) and is free for students and faculty/staff registered or working at all Dutch universities.

Beyond this, the course is also open to the public! The University of Amsterdam charges 70 Euros per study point (ECTS), and the course is ranked at six points (total cost: 420 Euros). As I have tooled the course to be of particular interest to media and communication professionals who want some new inspiration for engaging with digital culture, I am really hopeful folks working in the media - journalists, film and television makers and producers, game developers, advertising creatives, spokespeople (for companies, government agencies, and NGOs), marketing communicators, public relations officers and any other makers, producers and communicators to sign up!

Information on the course (including how to sign up and register) can be found on the site of the IIS. Class sessions are once a week on Wednesday evening in a comfortable venue close to Amsterdam Amstel station, easily accessible from anywhere. Language: English. For reading we will use my Media Life book (Polity Press, 2012).

More info and updates can be found on the course Facebook page and official Twitter channel. The content of the course is best represented by this awesome movie trailer designed and produced by Austin Guevara:

Media Life - Official Trailer [HD] from Austin Guevara on Vimeo.

Let me be clear: this is not a course rehashing the tired debate between public and private life online, about whether online video games are good or bad for your kids, or what is wrong with Facebook's privacy policies... This is a course intended to break through those debates, expose the assumptions, values and idea(l)s behind them, moving forward to discuss not what is or what should be, but what we can do and what can be done.

Finally: please share, forward, and recommend this course to your friends, colleagues, and family - the more the merrier! I promise it will be quite a ride...

Media Life Book Talks 2012

[LAST UPDATED: October 24, 2012] With Media Life coming out NOW all over the world in August 2012 (Europe) and September 2012 (US/ROW), the next year or two will be dedicated to two projects: taking the book on the road, and starting the work on a completely updated and revised second edition of Media Work (including brand new chapters on the music industry and independent artists), and finally getting down to writing the Beyond Journalism manuscript (that has been on my desk for quite some time now). I'm also preparing two other long-term book projects with some amazing colleagues...

Here are some book presentation dates for 2012-2013:

February 10-12: At the Winter College of Indiana University, Naples Grande Beach Resort - Naples, Florida (United States).

March 4-6: Guest at the Department of Communication Studies of Wilfrid Laurier University - Waterloo, Ontario (Canada).

April 1-3: Delivering the annual Pockrass Memorial Lecture at the College of Communications of Penn State University - College Park, Pennsylvania (United States). Video of slideshow available via YouTube.

April 18: Comments at the Symposium Sociale Media (NIFV & VDMMP) in Arnhem, The Netherlands. Video of this presentation available via YouTube.

April 19: Presentation at the Creative Labor in Chaotic Times: Implications for Journalists, Authors and Innovators Symposium at Stanford University - Palo Alto, California (United States). Video of this talk available at YouTube.

May 7: Workshop/seminar at the Future of Man and Society in a Virtual World honours course at Leiden University, The Netherlands.

May 14: Keynote at the International Conference on Media and Communication at the University of Porto, Portugal.

May 22: Lecture at the Engaging Technology: New Media, Politics and Practices of Commonization PhD course of the Wageningen School of Social Sciences, Wageningen University, The Netherlands. (moved to Spring 2013)

May 24-28: Polity Press will have advance copies of Media Life available at the annual conference of the International Communication Association in Phoenix, Arizona.

June 12: Public presentation of Media Life at the School voor Journalistiek in Utrecht, The Netherlands (from noon to 2pm).

June 14: Keynote at the Summer School for Journalists of the European University Institute in Florence, Italy.

June 19: Lecture (on my birthday...) at Indiana University's Mini University in Bloomington, Indiana.

June 26: panel presentation at the Citizen Science conference in Utrecht, The Netherlands (with among many excellent others Douglas Rushkoff).

and upcoming in the Fall:

August/September 2012: Media Life exhibition by Miek van Dongen at the Grunwald Gallery of Art of Indiana University in Bloomington, Indiana. Opening reception: August 24; artist talk: September 12, 6-8pm.

September 20: Media Life public lecture and research seminar "New Media, New Methods" at the University of Antwerp, Belgium.

September 27: debate on media and power, sponsored by student media magazine Xi at CREA (cultural student centre of the University of Amsterdam and the Hogeschool van Amsterdam), The Netherlands, 8-10pm.

October 3: keynote at the international conference on online journalism "Towards Neo-Journalism?" organized by ULC (Louvain) and FUNDP (Namur) in Brussels, Belgium.

November 3: joint book presentation with Nick Couldry at the first annual Media@IU symposium on media and social change in Bloomington, Indiana.

November 5: joint book presentation with Nick Couldry at the University of Illinois in Chicago.

November 29: two lectures and one seminar, hosted by the School of Communication Studies, the School of Media Arts & Studies, and the Scripps School of Journalism at Ohio University in Athens, Ohio.

forthcoming in 2013:

[preliminary announcement] scheduled book talks, keynotes and seminars at the 14th International Symposium on Online Journalism at the University of Texas at Austin in April; Södertörn University in Stockholm and the University of Gothenburg (Sweden) and the University of Oslo (Norway) in March; at the University of Haifa (Israel) in September. Hopefully I can add more date soon in Germany, Portugal, the UK, Holland, Australia, China, and the US.


Media Life: Expanded Table of Contents

Next week Last month, at the annual International Communication Association conference (this year in Phoenix, Arizona), my publisher Polity Press will have had a preview print copy of Media Life available - we are currently putting the final touches on artwork scans.

As the book is officially scheduled to come out (and be available in your bookstore) in the UK and Europe on July 20th (less than a month later in the US and the rest of the world), let me share an expanded table of contents here - featuring chapter titles, taglines, and all subheadings (with links to relevant sources of inspiration).

Overview: In Media
  • where who you are is what media are
Chapter One: Media Life
  • where we go beyond human-machine differences and focus on living a good media life
Caught in the grip of the immediate - Life in the media city - The digital and the physical - Anthropotechnologies, humachines, inforgs and the posthuman - Prosthetic gods - Divine beings in a post-metaphysical world

Chapter Two: Media Today
  • where media organize all aspects of our everyday lives and disappear
A media archaeology of artifacts, activities and arrangements - Feeling deeply at breakneck speed - Charismatic technologies of love - The unseen disappearance of invisible media

Chapter Three: What Media Do
  • where media record and store everything and we lose ourselves in media
Welcome to the unforgettable - Mindless Martini media - Yes we can (record, store, access and redact life)! - The permanently impermanent archive

Chapter Four: No Life Outside Media
Discipline, control and suspicion - O Big Brother, wherefore art thou? - Panopticism revisited - Reverse engineering the panopticon - Beyond the panopticon

Chapter Five: Society in Media
  • where we live in media forever
We're all fucking zombies - Everything (and everyone) zombie - You are not special - Aliens in mediaspace - Digital masters and femmes digitales - Everyone knows you're (not) a dog - Survival in the metaverse

Chapter Six: Together Alone
  • where we are closely connected to endless versions of ourselves
Try to remain visible - Systemworlds, placeworlds, wikiworlds, mediaworlds - The mediated lifeworld - The world is a map in the palm of your hand - Who am I and who are you?

Chapter Seven: In Media We Fit
  • where living in media provides social and reproductive success
"I am the one, Orgasmatron" - "Take control. Get a divorce" - Darwin among the machines - Media life as survival strategy - Avatar activism - Grooming at a distance - Living in the global mediascape

Chapter Eight: Life in Media
  • where you can see yourself live, and delusion is the way to keep it real
To picture any image of yourself to yourself - It's all about me - Keeping it real - The Truman Show delusion - "The best of all possible worlds" - The art of media life


Media Life Working Papers & Publications

[UPDATE: March 27, 2013] The manuscript for Media Life is finished (a snapshot of the page proofs is shown here) and the book was published in October 2012.

Several publications have documented this project, and it is my hope and planning this will continue in the future with ongoing research and collaborations with students and faculty around the world. Please contact me if you would like to get involved.

Below you will find references to these works, with direct links to author versions of papers, essays, and book chapters as archived online.

If you are more visually inclined - and really, who isn't - perhaps I can redirect you to a couple of clips available at Vimeo and YouTube of talks and video-slideshows based on the media life project:
Below are links to written content coming out of the media life project. Please contact me if you would like a PDF of one or more of these publications if you do not have access. I'll regularly post updates to this list, so here goes.



  • Mark Deuze (2012). Media Life. Cambridge: Polity Press.
  • Mark Deuze (2012). The unseen disappearance of invisible media: a response to Sebastian Kubitschko and Daniel Knapp. In: Media Culture & Society 34(3), pp.365-368.
  • Mark Deuze (2012). Quality of (Media) Life. Deuzeblog, April 30.
  • Deuze, Mark, Brown, Watson, Ibold, Hans, Lewis, Nicky (2012). Mobile Media Life. In: Pelle Snickars and Patrick Vonderau (Eds.), Moving Data: The iPhone and the Future of Media. New York: Columbia University Press.
  • Blank, Peter, Brown, Watson, Deuze, Mark, Ems, Lindsey, Lewis, Nicky, McWilliams, Jenna, Speers, Laura (2012). Participatory Culture and Media Life: Approaching Freedom. In: Henderson, Jennifer, Delwiche, Aaron (Eds.), Handbook of Participatory Cultures. London and New York: Routledge.
  • Mark Deuze (2012). Media Life is a Threat to Social Order. Culture Digitally, January 26.
  • Mark Deuze, Peter Blank, Laura Speers (2012). A Life As Lived In Media. In: Digital Humanities Quarterly 6(1).
  • Mark Deuze (2011). Survival of the Mediated. In: Journal of Cultural Science 3(2).
  • Mark Deuze (2011). Facebook Timeline, Google+ and Media Life. Deuzeblog, September 26.
  • Mark Deuze (2011). Media Life (2.0). In: Media Culture & Society 33(1), pp.137-148.
  • Mark Deuze (2011). Media Life and Protests in the Arab World. Deuzeblog, January 31.
  • Mark Deuze, Peter Blank, Laura Speers, (2010). Media Life. In: Papathanassopoulos, Stylianos (Ed.), Media Perspectives for the 21st Century, pp.181-195. London (etc.): Routledge. 
  • Mark Deuze, Peter Blank, Laura Speers (2010; in Portuguese). Vida midiática. In: Revista USP 86, pp.139-145. 
  • Mark Deuze (2010; in Dutch). Media maken: hoe een ringtone de wereld verandert. In: Segers, Katia, Bauwens, Joke (Eds.), Maak mij wat wijs, pp.169-177. Heverlee: Lannoo Campus.
  • Mark Deuze (2010; in Dutch). Mobiliteit en Leven in Media. Essay voor het rapport 'Internetlogica' van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
  • Mark Deuze (2009). Media industries, work and life. In: European Journal of Communication 24(4), pp.1-14. 
  • Mark Deuze, Peter Blank, Laura Speers (2008). Media Life (1.0). Unpublished working paper (first draft).
  • Mark Deuze (2008; in Dutch). Leven in Media. In: Omzien naar de Toekomst: Jaarboek ICT en Samenleving 2008|09, onder redactie van Valerie Frissen en Jop Esmeijer. Uitgave: Media Update Vakpublicaties, pp.67-84.



  • A Life Lived In Media in Digital Humanities Quarterly

    Just received note of the preview publication of the follow-up to our original working paper (of 2009) on the media life project, titled A Life Lived In Media and coauthored with Peter Blank (of BlankMediation in Chicago, US) and Laura Speers (of King's College in London, UK) in the excellent online open access journal Digital Humanities Quarterly (volume 6, issue 1).

    In this piece, we try to give more body to the media life hypothesis - that we do not live as much with, but increasingly (and inevitably) in media - by exploring how a life as lived in media gets expression through the kind of invisibility, selectivity,creativity, sociability, and reality engendered by what we do in media.

    Our abstract:
    Research since the early years of the 21st century consistently shows that through the years more of our time gets spent using media, that being concurrently exposed to media has become a foundational feature of everyday life, and that consuming media for most people increasingly takes place alongside producing media. Contemporary media devices, what people do with them, and how all of this fits into the organization of our everyday life disrupt and unsettle well-established views of the role media play in society. Instead of continuing to wrestle with a distinction between media and society, this contribution proposes we begin our thinking with a view of life not lived with media, but in media. The media life perspective starts from the realization that the whole of the world and our lived experience in it are framed by, mitigated through, and made immediate by (immersive, integrated, ubiquitous and pervasive) media.

    Please check it out, leave a comment (here or at the DHQ website), and let us know what you think! More papers from the media life project are listed here.

    Media (Life) Is A Threat To Social Order



    [remark: an updated and slightly expanded version of this comment is posted at the group weblog Culture Digitally, where you will find a lot of excellent posts and dialogues by colleagues and friends in new media studies]

    Media can reinforce and support agencies of socialization and agents of control - such as parents, educators, the state. At the same time, media can be viewed as potentially disrupting, undermining or otherwise threatening the established way of doing things in society. This fundamental premise - outlined most clearly in Denis McQuail's unparalleled work on mass communication theory - comes into play every time one tries to make sense of the lifeworld and the role media play in it.
    Nowhere is this more apparent than in the current twin developments of, on the one hand, global activism amplified and accelerated by the spread of cell phones, wireless internet access, and online social networking platforms (such as Facebook and Twitter), and on the other hand increasingly worlwide crackdowns by the political and economical establishment on just about everything people and their (social) media do: SOPA and PIPA in the United States, ACTA globally, the US Congress and the British government considering killing the internet (or, better yet, doing this temporarily thus turning internet into a zombie) under the guise of unspecified national emergencies, up to and including parents, priests, professors and presidents in supposedly 'free' societies openly telling you to censor yourself when self-expressing online.
    As our lives gradually, invisibly, shift from living with media - in which case there are indeed things that can be effectively switched 'off' (by pulling a plug or developing sophisticated media literacies) - to living in media, the established post-WWII social order awakens, starting to display its power. Whatever people are doing in media, it clearly has become a threat to the establishment - even when it involves people expressing their unbridled embrace of the commodification of their deepest intimacies through commercial platforms for the public exchange of private information.
    Let me express my optimist bias: the fact that governments and corporations are indeed openly attacking the freedom of (self-)expression worldwide is a hopeful sign. It suggests that whatever we are doing in media, matters. Let me paraphrase US President Barack Obama from his 2012 State of the Union speech: "anyone who tells you otherwise, anyone who tells you that [you should not be living in media], doesn’t know what they’re talking about. (Applause.)" 
    Living our lives in media opens social reality up for co-creation (like it has always been, but which has been made invisible in an anomalous age of mass communication). As one of my students recently remarked: the real question of a media life is: what would zombies do?

    Media Life (2012): Preface

    In 2012 my book Media Life came out. The excellent external reviews of the manuscript (courtesy of my publisher, Polity Press) all but asked to include a bit of a roadmap, as I have tended to let the argument emerge organically out of my writing (I sincerely had no idea where I was going with the narrative other than wanting to explore a life in, rather than with, media and information). Below the full preface (in its second draft) of the book, additionally functioning as the introduction to the courses I have developed around the media life project (variously titled as Living in the Information Age, Media Life, and Living Information) at the universities of Indiana, Helsinki, and Amsterdam.

    Updated version dated June 13, 2016. 

    Media Life - Preface: In Media
    You live in media. Who you are, what you do, and what all of this means to you does not exist outside of media. Media are to us as water is to fish. This does not mean life is determined by media - it just suggests that whether we like it or not, every aspect of our lives takes place in media.

    Part of this kind of life is coming to terms with a supersaturation of media messages and machines in households, workplaces, shopping malls, bars and restaurants, and all the other in-between spaces of today's world. Over the last few decades, the key categories of human aliveness and activity converged in a concurrent and continuous exposure to, use of, and immersion in media.

    It must be clear, that media are not just types of technology and chunks of content occupying the world around us - a view that considers media as external agents affecting us in a myriad of ways. If anything, today the uses and appropriations of media can be seen as fused with everything people do, everywhere people are, everyone people aspire to be. There is no external to media life - whatever we perceive as escape hatch, passage out, or potential delete key is just an illusion. In fact, we can only imagine a life outside of media.
    In terms of what media communicate it is tempting to point to governments, companies and corporations for pushing an unrelenting, ever-accelerating stream of content and experiences into our lives. However, most mediated communication comprises of work done by you and me: through our endless texts, chats, and e-mails, with our phone calls from anywhere at anytime, and through our online social networks that function as the living archives of social reality.

    With the majority of the world population owning a mobile phone, telecommunication networks spanning almost every inch of the globe, sales figures of any and all media devices growing steadily worldwide, dead media technologies and practices regularly resurrected, any and all media by default integrated into an always-on real-time live mode of being, an almost complete mediatization of society (link to PDF) seems a somewhat self-evident observation.
    A media life is much more than media hardware, software, and content - it is also everything we do with and in response to media: how we build and sustain relationships and family ties, how we derive cultural status and social currency from the kinds of media we use (the music we listen to, the shows we follow, the games we catch live), and the various ways we more or less deliberately manipulate time and space by checking our email on mobile devices, listen to audiobooks with noise-cancelling headphones, and record our private participation in public proceedings (weddings, concerts, the weekend soccer game) with networked devices that simultaneously immediatize and immortalize our lived experience as they mediatize it.

    As we merge our perception of ourselves and others with what can be mediated about us, media competencies, literacies and fitness become paramount to the human condition. Media benchmark our experience of the world, and how we make sense of our role in it. A media life reflects how media are both a necessary and unavoidable part of our existence and survival.

    It certainly seems there is more media in everyday life. Media are ubiquitous - they are everywhere - and pervasive - they cannot be switched off. Furthermore, our near-complete immersion in media constitutes the majority of time spent in waking life. Media consumption studies worldwide consistently show over the years how more of our time on any given day gets spent using media, and that being concurrently exposed to media has become a mundane mark of existence.

    The media life perspective recognizes one further quality of media: that they, as much as the human brain (or the cosmos), are indeterminate. Media are not finished, nor static - but plastic, and malleable. Media evolve. As hardware and software, they act upon each other next to their interactions with us. We emotionally invest ourselves into media as much as our media become an affective part of us. As platforms for communication media constitute as well as reproduce the world we live in.
    Throughout the Media Life book and the various courses I teach related to these themes, I use media interchangeably with information and communication technologies, and with machines more generally insofar relations with humanity and society are involved.

    Media, thus broadly conceived, are any (symbolical or technological) systems that enable, structure or amplify communication between people.

    Life, on the other hand, is not just about surviving - it is about living a live life, a life worth living, a form of liveness that goes beyond simply making it work from day to day.

    At the heart of the media life project is the question what a good, passionate, beautiful, and socially responsible media life looks like.

    A dichotomous reading of the mixing of media and life identifies and maps ways in which human beings and behaviors steer the development of media in an attempt to make sense of people's everyday life and what can be done about it. Such media-centrism and technological determinism often boils down to benevolent or malevolent mechanistic fascination with the machinery of media and the technique of technologies. It tends to obscure rather than unveil the interdependency of humanity and technology - as it keeps insisting on finding ways of making sense of the world outside of media, of attributing primacy of the social over the technological.

    In essence, media-centrism (and its attendant arguments about the real or perceived influences of media on ways of being alive) is a product of a live lived in media: it is a delusion we maintain in order to convince ourselves and each other that we exist not just next to, but in an intrinsically more central and indeed privileged relationship to our media. Maintaining an outside to media makes us, as human beings, feel special.

    As French philosopher Jean Baudrillard remarked in response to the way the Wachowski's used his work as inspiration for their The Matrix film franchise (in an interview with Le Nouvel Observateur, July 2004): "The Matrix is surely the kind of film about the matrix that the matrix would have been able to produce." Correspondingly, media-centrism and technological determinism can be considered to be the kind of theoretical stopgaps a media life perspective would produce in order to mask itself. The illusion that we can comprehensively control our media (for example by pulling the plug, pressing the 'off' switch on a remote control, by becoming 'mediawise' or developing sophisticated media literacies) in fact preserves media as the primary definer of our reality. If we let go of this deception - this dualist fallacy of domination of man over machine (or vice versa) - it may be possible to come to terms with the world we are a part of in ways that are less about effects, things and what happens, more about process, practice, and what can be done.
    The heart of the media life project is the question how we can understand ourselves and the world we live in if we accept, if only for a moment, that we do not live with, but in media.

    Media and information, to most people, belong to the realm of the unreal, or less real. What if this exclusive orientation to the otherness of (reality in) media acts as a crutch rather than a tool for living our lives more ethically and aesthetically? Instead of fusing the horizons of media and life, it seems as if we invest all our time in keeping them separate. By way of first step and chapter in the book (and the coursework I have developed around it), I therefore unpack this history of man-machine separation, while at the same time highlighting how throughout this discussion media life was always already firmly established in our sense-making practices of the world and our role in it.
    The second dilemma I faced, was how to bring media back into our awareness without simply stating that one needs to look more closely at media - which would maintain their alterity. By adopting an archaeological approach to media in conjunction with a social history of dominant media species - the television and the mobile phone - I suggest that the key to understanding media is not to emphasize their difference but their disappearance from our lives. This amounts to a paradox: the more media dematerialize, the more people seem to be talking about media and what they mean to us. From a media life point of view I engage this enigma by emphasizing how, through our apparent need for media in order to express anything meaningful about them, the intense discussions about the role of media in people's lives are symptomatic of the mediatization of both individuals and society.
    As we lose ourselves to technology, what happens next? The conflation of technology with technique, and of media with being mediated tends to be viewed with apprehension. Surely, the cold machines of media are alien to all that we consider as life? If so, an existence engulfed in media means we are perpetually caught in what has been aqueously described as a communicational 'bubble' filled with the 'foam' of media.

    "We swim in an ocean of media," a headline in The Christian Science Monitor (of 28 September 2005) reads in a report on people's media use. Splashing around in open water makes it hard to notice what is going on around you, on shore and elsewhere, let alone taking in the plights of other human beings. Such liquid lamentations pervade much of the otherwise prudent thinking on media and everyday life. I try to take up this challenge in chapter three by arguing that there is no necessary relationship between the technological and the social. The relations that do exist are clearly both structural - machines are always social as much as they are technical (paraphrasing Gilles Deleuze) - and highly dynamic - living in media is not the same for everyone.

    Just like human beings, media have both traits and states. In the everyday negotiation and symbiosis between media and life, it becomes possible to uncover these qualities and explore them to a fuller extent. One of the key qualities of our media is their uncanny capacity for recording and storing everything we do with them. As social media strategist Renny Gleeson (of advertising agency Wieden+Kennedy in Portland, Oregon) observes about the way people use mobile media in his TED talk of February 2009: "our reality right now is less interesting than the story we're going to tell about it later.
    A media life can be seen as living in an ultimate archive, a public library of (almost) everything, a personalized experience of all the information of the universe. At the same time, in media life the archive is alive, in that it is subject to constant intervention by yourself and others, that it always remains incomplete as much as it is endlessly comprehensive. In the absence of all-seeing librarians and neatly categorized compendiums, the only way we can make sense of ourselves and each other in media is by carefully, and continuously, checking each other out. This is the theme of the fourth chapter, as the age-old premise of a Big Brother-like surveillance society comes full circle in a media world of mundanely massive mutual monitoring, where everyone is (or can be expected to be) watching everyone else.

    If we live in media and information, we are in the process of co-creating a society particular to the media of our time that are always already remediations of earlier technologies and societies: never the same, always similar. In chapter five I address the constituent elements of a society in media by suggesting that it resembles a world after the zombie apocalypse. Like zombies, we lose our sense of ego and individuality as we are collectively lost in our technologies. Whether through watching the same or similar television shows regardless of where we are in the world, or simply by logging on to the global grid of the 'network of networks' that is internet, we are - again, much like zombies - irreducibly connected into a worldwide flow of data, information, techniques and technologies. Like zombies, we cannot seem to get enough of media - even though there does not seem to be a collective nor consensual agenda as to where we are going.

    As Sonia Livingstone suggests (link to PDF) regarding the motivation of a society in media: "[f]irst, the media mediate, entering into and shaping the mundane but ubiquitous relations among individuals and between individuals and society; and second, as a result, the media mediate, for better or for worse, more than ever before."

    Zombies are similarly driven - even the amputation of limbs does not tend to stop them - yet seemingly without creative impulse (other than feasting on our brains). Beyond the zombie metaphor, thinking about media zombies is instrumental to digging deeper, going beyond the surface of media and life: looking for ways in which we can theorize conjunctions of humanity and technology that highlight how a society in media is at once individual and interconnected as it is both embodied and virtual. This would hopefully open society up for the kind of plasticity and malleability of a world we are used to in media: whether by wielding a remote control or by re-arranging hardware, by clicking a mouse or by re-programming software, reality (in media) is open source.
    If our sense of the real is experienced in media, how can we think of media as elements of our lives that can help us to get closer to reality than ever before? This dilemma is at the heart of the sixth chapter, where I question the kinds of connections we have with each other and ourselves in media, and try to move beyond either postmodern or existentialist frames for what is (or may be) real.

    Our lifeworld - the world we experience most directly, instantly, and without reservation - is irreversibly mediated. It confronts us with endless versions of ourselves and everyone else. There certainly seems to be too much information available - to us as well as about us. Yet, as online social networks scholar danah boyd suggests, "in many situations, there is more to be gained by accepting the public default than by going out of one's way to keep things private. And here's where we see the shift. It used to take effort to be public. Today, it often takes effort to be private."
    In media life it is pertinent to explore how one can derive value from mediated oversharing and overexposure. Such value may not only be symbolic. The seventh chapter explores evolutionary readings of media life, showing how contemporary discourse about the skills and competences one needs to navigate a mediated lifeworld signposts multiple media literacies as survival values. The solution is not, as has been suggested as far back as in the original responses to Charles Darwin's "On The Origin Of Species" (1859), to wage war on machines. It is by becoming media we enhance our fitness for survival.

    In the eight and final chapter I tie all the elements of my exploration of life as lived in media together in the diagnosis of a 'Truman Show delusion' by American psychiatrists Joel and Ian Gold, who suggest that classical syndromes such as narcissism and paranoia in combination with pervasive information technologies in the context of a media culture where the boundaries between the physical and virtual world are blurring produce a new type of psychosis. What makes their analysis a fitting conclusion is the insight that this delusion, as diagnosed in patients and confirmed by colleagues elsewhere, can best be understood as an extreme rendering of what most people feel. In media life, the world can certainly sometimes seem like the television studio in the Truman Show movie (from 1998), with the significant difference that there is not exit.

    The question is not how to avoid or destroy the media in our lives, but what Truman Burbank could do if he decided to stay inside of his fully mediated living arrangements. For one, he would be able to see himself live - and, if need be, adapt and evolve accordingly. This evolutionary process necessarily involves an awareness of how we are interconnected (in media), and therefore requires a sense of responsibility towards ourselves and each other that necessarily moves beyond the real or perceived manifestations of our divine machines.
    Whether we like it or not, we are slowly but surely becoming information players and creators rather than simply those who are expected to work with the information that is given to us. We can indeed create art with life. In media, with information.


    Spreekbeurten in Nederland (September 2011)

    Eind september ben ik kort in Nederland voor twee openbare spreekbeurten: een naar aanleiding van mijn in mei 2012 te verschijnen boek "Media Life" (bij uitgever Polity Press) over ons leven in media, en een lezing als aftrap voor het werk aan een nieuw boek, eveneens uitgegeven door Polity Press (en vooralsnog op de rol voor 2014), met de titel "Beyond Journalism":

    Woensdag 21 september, in Villa De Vier Jaargetijden te Tilburg: symposium ‘Sociale media, de journalistiek en de beroepsethiek’ (met aansluitend afscheidsreceptie Huub Evers; Huub was nog mijn docent ethiek toen ik van 1988-1992 student op de Tilburgse journalistenopleiding was). Het symposium start om 14:45 uur en mijn bijdrage begint om ongeveer kwart over drie. Meer informatie bij Villamedia.

    Donderdag 22 september, in de Lawickse Allee 13 (LA13) van de Universiteit Wageningen in het kader van de Studium Generale. Mijn presentatie (een voorbeeld van eerder dit jaar is te zien op Slideshare) start om 20:00 uur. Dit is de eerste in een serie lezingen naar aanleiding van de documentaire "iPhone iPod I am" van IJsbrand van Veelen, waar ik een bijdrage aan mocht leveren.

    Media Life: Done

    Just want to share a brief moment of professional (and personal) joy: I just sent the first complete draft manuscript of Media Life to the publisher, Polity Press. Now it's waiting for the reviews... but I am really happy with how it turned out.

    Here is, by way of a teaser, the final sentences of the book:
    In his book "The Revolution Of Everyday Life" (1967), Belgian poet and philosopher Raoul Vaneigem writes:

    "the search for new forms of communication, far from being the preserve of painters and poets, is now part of a collective effort. In this way the old specialization of art has finally come to an end. There are no more artists because everyone is an artist. The work of art of the future will be the construction of a passionate life."

    In this book I insist to add media to such a life. The inevitable consequence of such a hopeful conclusion is that we have to come to terms with media like the people of Babel did with their all-encompassing Library, which is to say: we have to be able to let go of seeing media as influence machines, and start witnessing each other through them, in them.

    When we, like Truman Burbank, navigate our ocean of media to what we think will be the door leading beyond the studio, we will see what Patrick Bateman - the serial killer in Brett Easton Ellis' novel "American Psycho" (1991) - saw on the door of a place anywhere in the world (as it dawns on the reader that they will never ever know whether any of the horrific murders in the book really took place): "a sign and on the sign [...] are the words THIS IS NOT AN EXIT" (399).