Sexual Favors in Media Work

The disgusting case of Harvey Weinstein's decades long history of bullying, pestering, abusing and thereby controlling (young) women in the US film industry is, as the fabulous Emma Thompson and other media workers have testified to, the tip of the iceberg of sexual harassment and abuse of power by (old, white) men at the top of the pyramid of the media industries toward (young, male and female) workers trying to get a break. It is important to realize that this is not just an element of toxic masculinity - it a direct consequence of the way media work is managed and organized.

Ten years ago I wrote about this in my book Media Work on the ways in which media professionals 'make it work' in the games, news, advertising, film and television industries. Below is a snipped specific to this issue. Looking back, I realize I should have spent much more time and space to articulating the complexity of gender dynamics and power relationships across all these industries, which tend to be run and organized and financed by old white men yet at the bottom end overpopulated by eager and exploitable young men and (primarily) women, creating a perfect breeding ground for predators such as Weinstein and a culture of mutual dependency that makes people keep their mouth shut instead of speaking out and risking losing all chances for future employment.

Excerpt from Media Work:


Thomas Borcherding and Darren Filson suggest that the risky, project-based, extremely uncertain yet completely hit-driven nature of the business “creates an environment that can lead to exchanges of sexual favors of newcomers” (2000, p.26), hinting at the so-called ‘casting couch’ problem of alleged sexual exploitation of young men and women entering the movie industry. 

The authors however conclude that with the breakup of the large studio-system and the death of long-term contracts tying certain employees to these companies, their power to make or break the careers of newcomers has diminished. However, as there are many more people wanting to get in to the film and television business than that there are jobs available, tension runs high in finding, keeping and consolidating jobs and, ultimately, a career. 

Scattered evidence from recent lawsuits in the entertainment industry (such as a long-running case in the U.S. ending in February 2006 against the writers of the popular television series Friends), suggest that the courts are sympathetic to arguments from industry lawyers that because of the particular nature of media work a pervasive sexual atmosphere can be necessary for the creative process of producing adult entertainment in general, and comedy in particular.

Helen Blair is among those who warn against both an overtly romantic view of the glamorous nature of working in film and television, as well as against the notion that in these industries everything is unpredictable and uncertain. Blair(2001) considers the film and television industries to be in a state of “precarious stability.” 

Journalism, Media Life and The Entrepreneurial Society

Update [27.02.15]: A version of the English-language paper has been published in the Australian Journalism Review.

Update [18.11.14]: An English-language working paper version can be downloaded through ResearchGate as well as Academia; please send me your thoughts and comments!

Excited to announce the publication of a new essay on journalism, media life and the entrepreneurial society (in Portuguese). This essay is part of a special issue on the labor market of journalism of the Brazilian academic journal Parágrafo, edited by Rafael Grohmann and published by the FIAM-FAAM University in São Paulo.

It is the first of what I hope will be many more forthcoming works on linking the concepts of my earlier work (on media work and media life) to an appreciation of precarious life (and work) in a world that has made all of us into 'entrepreneurs': risk-takers without reliable reward structures, pattern-breakers without trustworhty guardians or mentors, people expected to perform and produce on the basis of less-than-vague expectations and living in the illusion of control that a quantified 'everything' entails... 

Link to the entire special issue: Parágrafo 2(2).
Link to the essay: "Ojornalismo, a vida na mídia e a sociedade empreendedor"

At the moment, I am rewriting this piece for a future publication in English; feel free to contact me for more information. This essay is part of a larger project titled "Beyond Journalism" (together with Tamara Witschge); the project, originally conceived in 2007, has been put on hold for a while - to work on the media life project - but is now back in full swing :-)

Onafhankelijk Leven en Werken in Media

(c) piethermans.nl


We leven in media en hierdoor verdwijnen media uit ons bewustzijn. Media zijn voor ons als wat water is voor vissen.

Zoals Albert Einstein in 1936 schreef in een zelf-portret (en een uitspraak welke later werd toegeschreven aan de beroemde mediatheoreticus Marshall McLuhan): 
“Of what is significant in one’s own existence one is hardly aware [...] What does a fish know about the water in which he swims all his life?”
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat ons leven volledig bepaald wordt door media; ik wil juist uitdrukken dat, of we het nu leuk vinden of niet, elk aspect van ons leven zich afspeelt in media en dat media hiermee deel uitmaken van zowel de fysieke als emotionele architectuur en choreografie van ons spelen, leren, werken en liefhebben. In deze oratie wil ik vertellen hoe we in media leven, wat daarvan de gevolgen zijn en hoe de professionele journalist hier de centrale rol in kan spelen die we van de journalistiek in onze samenleving verwachten.

Bij wijze van inleiding kunnen we allereerst denken over de term ‘Martini media’ als basis voor het begrijpen van de manier waarop zowel consumenten als producenten tegenwoordig met media om gaan. Het concept verwijst naar de pakkende slogan van een beroemde Martini-reclamecampagne uit eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw: “Anytime anyplace anywhere”, gebaseerd op een hitsingle van de Zuidafrikaanse zanger Danny Williams.

In een geanimeerde toespraak tot de medewerkers van de British Broadcasting Corporation (BBC) in 2006 voorspelde algemeen directeur Mark Thompson een nieuwe media toekomst voor de samenleving in het algemeen en de publieke omroep in het bijzonder, een wereld volgens hem gebaseerd op het ‘Martini media’ principe: 
“meaning media that's available when and where you want it with content moving freely between different devices and platforms.”
Martini Media verwijst naar een wereld waarin media boodschappen in alle vrijheid heen en weer bewegen over allerlei platforms – van de televisie naar het internet, via een tijdschrift naar de radio, door middel van tekstberichtjes op je mobiel naar een videogame console. Dat heeft als gevolg, stelde Thompson, dat je als mediamaker niet alleen op al die platformen telkens weer een publiek moet zien te vinden voor je verhalen, maar dat dit publiek geen publiek meer is: het zijn je nieuwe medewerkers, je partners. Zij nemen een deel van het werk over door jouw boodschap door te sturen, aan te bevelen en van commentaar te voorzien. Of zelfs te remixen.

Thompson’s visie op de creatieve toekomst van de BBC verwijst naar iets wat inmiddels voor de meeste mediamakers en mediawetenschappers vast staat, maar desalniettemin nog steeds vele nieuwe vragen en problemen op roept: we leven niet meer met een paar controleerbare media die we zo nu en dan gebruiken om onszelf doelgericht te informeren of te vermaken – we leven in media die vrijelijk om ons heen dartelen en al onze informatie, opvattingen, ideeën en gedrag vastleggen, opslaan en daarmee omvatten.

Niet alleen de media zijn anytime anyplace anywhere – wij zijn dat zelf inmiddels ook. In onze media, die zich qua apparaten alleen maar lijken te vermenigvuldigen, zijn we ooggetuige van de meest intieme activiteiten van mensen om ons heen, net zo goed als dat we meekijken en mee kunnen doen met de Arabische lente of de verschrikkingen van slachtoffers van natuurrampen die via sociale media op zoek gaan naar familieleden en vrienden. We worden als het ware voortdurend heen en weer geslingerd tussen het consumeren van informatie en entertainment, het produceren van onszelf en ons eigen verhaal, en de deelname aan het leven van anderen in media. Dat is, op z’n zachtst gezegd, nogal een emotionele rollercoaster. Dat emotionele leven is, vreemd genoeg, lange tijd onontgonnen terrein geweest voor zowel de sociale als geesteswetenschappen.

Mijn Italiaanse collega Leopoldina Fortunati schreef in 2009 een schitterend essay, waarin ze beargumenteerde dat de meeste theorievorming over communicatie via media zonder ‘hart’ is: we maken ons als wetenschappers blijkbaar niet zo druk om emoties. Emoties komen pas achteraf. Ze houdt een vurig pleidooi om media en communicatie te bestuderen in termen van emoties.

Je zou kunnen zeggen dat we de rol van media in ons leven meer nadrukkelijk moeten zien in de context van wat Rene Descartes ooit in 1649 de ‘passies van de ziel’ noemde: verwondering, liefde, haat, verlangen, vreugde en droefheid.

Een van de onderzoeksprojecten van mijn leerstoel neemt daarom juist deze passies als uitgangspunt: het gaat om een boek dat ik samen met professor Fortunati schrijf, waarbij we een mediafilosofie uitwerken welke start met deze passies en eindigt bij media, in plaats van andersom. Onze werktitel is: “Theory With Heart.”

Een mooi voorbeeld van een goed begrip van media als zowel object als expressie van passie is de wetenschap, dat ruim twintig procent van onze bevolking niet oorspronkelijk uit ons land komt. De meesten van hen zijn volledig van media afhankelijk voor dagelijks contact met familie, met kinderen, geliefden en met het nieuws en de muziek van waar ze vandaan komen.

Twee Britse collega’s, Daniel Miller en Mirca Madianou, noemen media daarom ‘technologieën van de liefde’ omdat media een cruciale rol spelen bij het onderhouden, verstevigen en verdiepen van onze meest intieme banden. In plaats van ‘Martini media’ kiezen Miller en Madianou voor de term ‘polymedia’ en daarmee past hun werk in een reeks recente studies die proberen het van media doordrenkte leven met hernieuwd elan te conceptualiseren, waarbij een gezond respect voor ons vaak hartstochtelijke engagement met media centraal staat.

Wat betreft het gedrag van tieners op online sociale netwerken verwijst danah boyd naar dit soort media als ‘passion places’ ofwel ‘passieplekken’: plaatsen en omgevingen in media waarin we ons hart kunnen ophalen aan dingen, mensen en ideeën waar we op dit moment specifiek zin in hebben, waar we op dat moment bij willen horen. Passie is daarmee een leidend concept om te gebruiken als we echt iets willen begrijpen van ons leven in media.

We leven in media. We kijken naar onszelf, elkaar en de wereld als in media. En in die media zijn we ook heerlijk met onszelf bezig. Verreweg de meeste inhoud in de media – denk bijvoorbeeld aan de video’s op Youtube, de status updates in sociale media, de talloze Whatsapp’jes en SMS’jes die opeen dag voorbij komen – worden geproduceerd door media consumenten en niet door professionele mediamakers.

In ons leven in media maken we niet alleen media steeds meer zélf – we maken ons zelf steeds meer in media.

In 2006 riep TIME magazine jou, mij, ons allemaal als individu uit als ‘Person of theYear’: blijkbaar hebben we, nu we in media leven, daadwerkelijk de controle over onszelf en de wereld waarin we leven. Ik weet niet hoe u voelt over de mate waarin u controle heeft over uw leven – werk, liefde, sociale problemen, het milieu, de rol die we als burger in de samenleving spelen – maar ik durf te stellen dat het niet voelt als de oppermacht die TIME destijds veronderstelde.

In plaats van dat we als individu zelfverzekerd scheppend ten opzichte van de werkelijkheid staan lijkt ons gedrag in media meer op een verkrampt, schuw en angstig digitaal narcisme – een vorm van fundamentele onzekerheid vermomd als zelfliefde. Vorig jaar was ‘Selfie’ (het op armlengte fotograferen van jezelf en deze foto delen in media) wereldwijd het woord van het jaar en ook in Nederland was ‘Selfie’ het officiële Van Dale Woord van het Jaar 2013.

Ook onze wereldleiders doen naar hartenlust mee aan deze trend, zie bijvoorbeeld de selfie van Barack Obama, David Cameron en Helle Thorning Schmidt tijdens de herdenkingsplechtigheid voor Nelson Mandela.

Inmiddels hebben we dit jaar al de ‘Selfie Olympics’ gehad (ter gelegenheid van de Winterspelen in Sotsji).

Ook brak de Oscaruitreiking dit jaar alle records met een selfie van presentatrice Ellen DeGeneres die op Twitter wereldwijd door 37 miljoen mensen werd gezien.

Maar delen we ons ‘zelf’ wel in media? In feite niet, want er is geen ‘zelf’ dat onafhankelijk bestaat van de relaties die ons vormen tot wie we nu denken te zijn. Los daarvan is het niet ons ‘zelf’ dat we maken met een selfie, maar een personage, een karakter dat min of meer voldoet aan de verwachtingen van de club, groep of gemeenschap waar we op dat moment bij willen of denken te horen.

Onderzoek over de manier waarop mensen zich emotioneel verhouden tot hun verschillende personages en profielen in media – zoals avatars in digitale games en profielen op sociale netwerksites – suggereert dat de meeste mensen een enorme sociale druk ervaren om daar toch vooral er goed op te staan en er niet al te veel heftige emoties of extreme opvattingen te uiten. Dit heeft deels te maken met de structuur van de media – op Facebook kunnen we bijvoorbeeld alleen maar iets ‘leuk’ vinden en op Twitter zijn er niet veel meer opties dan een tweet een ‘hartje’ mee te geven als je persoonlijke favoriet. In feite worden we allemaal emotioneel een bepaalde richting ingestuurd die weinig te maken heeft met hoe complex, rommelig en inconsistent ons gevoelsleven in elkaar zit.

Deze gevoelde druk wordt gevoed door ouders, docenten, wetenschappers, werkgevers en politici die niet nalaten mensen te waarschuwen niet al te zeer uit de band te springen in media.

Wat de manier waarop we over het algemeen met onszelf en elkaar in media omgaan het beste omschrijft is daarmee niet narcisme, maar eerder een vorm van collectieve zelfcensuur. In plaats van het samen vieren dat we zichtbaar zijn en blijven in media, verschuilen we ons achter het sluier van een min of meer opgeschoonde versie van ons zelf die niet meer ‘anders’ is voor anderen.

Dit lijkt een gemiste kans – want we kunnen bijna niet anders dan in media leven en onszelf daarin laten zien. Wat ik daarmee wil suggereren is dat we ons leven in media het beste in de context van twee sociaal-culturele ontwikkelingen kunnen verklaren:
  • Aan de ene kant de opkomst, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw, van ‘post-materiële’ waarden zoals individuele zelfexpressie en vrije keuze als voor de meeste mensen de centrale waarden in hun leven. Nu mensen in ontwikkelde landen over het algemeen een dak boven hun hoofd hebben, elke dag genoeg te eten hebben en daarnaast ook nog voor nageslacht kunnen zorgen verschuift ons waardesysteem naar onszelf: kunnen we wel ons verhaal kwijt? Worden we wel gezien zoals wie we werkelijk zijn?
  • Een tweede trend komt ook terug in onderzoek naar het veranderende waardesysteem van met name jongeren in landen zoals Australië, Engeland, de Verenigde Staten en Brazilië: een grote meerderheid denkt tegenwoordig dat zij daadwerkelijk een verschil kunnen maken in de wereld.
Ik stel voor dat de manier waarop we in media leven en hoe media ons daarin op individueel niveau uitdagen en aanspreken, dit breed gedeelde gevoel aanjaagt – de idee van een maakbare werkelijkheid waarvan we verwachten dat deze op ons reageert als we er iets in doen  en waarin we ons hoogsteigen verhaal altijd kwijt kunnen ten overstaande van een welwillend publiek.

De werkelijkheid wordt daarmee een virtuele werkelijkheid zoals een computerprogramma of video game die je naar eigen inzicht en behoefte kunt aanpassen. Een werkelijkheid die je als het ware kunt maken.

Deze verwachting zien we ook terug in de inhoud van de media zelf – zo domineert de maakbare nepwerkelijkheid van reality tv al jarenlang de televisieprogrammering wereldwijd en puilen onze zenders uit van in meerdere of mindere mate extreme ‘makeover’ programma’s waarin werkelijk elk aspect van het leven – familie, carrière, huis, huwelijk en lichaam – verbouwd wordt.

Een maakbaarheidsverwachting zien we ook terug in de hedendaagse obsessie van bedrijven en overheden met ‘big data’: de manier waarop alle facetten van de markt, samenleving en gemeenschap gereduceerd worden tot statistisch bewerkbare digitale dossiers.

Op individueel niveau komt deze verwachting terug in de vorm van calorieën- en stappentellers op onze mobieltjes, het getalsmatig bijhouden van sociale netwerken (zoals vrienden op Facebook en volgers op Twitter), rankings en ratings op sites zoals Bol, Iens en Marktplaats op basis waarvan we beslissen welke boeken te lezen, waar ons avondeten gaan halen en met welke spullen we ons huis inrichten, tot aan de door algoritmes bepaalde romantiek op online dating websites.

Ook in de offline wereld vindt een gestage kwantificering van zo’n beetje alle andere aspecten van onze deelname aan de samenleving plaats: puntenrijbewijzen, airmiles, rapportcijfers, kortingscoupons en bonuskaarten, salarisschalen, kredietscores, enzovoorts.

Het reduceren van de complexe werkelijkheid tot eentje die in media kwantificeerbaar en mede daardoor maakbaar lijkt komt zelfs terug in de verwachtingen die we van ons lichaam hebben: we deinzen steeds minder terug om technologie in te zetten voor het verrijken en verbouwen van ons lichaam in de verwachting dat we daardoor ‘beter’ worden.

Onlangs suggereerde Erasmus-hoogleraar Jos de Mul op het festival van de ‘G8 van de Filosofie’ daarbij dat we met z’n allen op weg zijn naar homo sapiens 3.0 en stelde daarbij een vraag die volledig in het teken staat van een maakbaarheidverwachting: 
“Worden wij de eerste soort op aarde die zijn eigen evolutionaire opvolger gaat scheppen?”
Zo gezien stelt het leven in media ons voor een prachtige paradox. Aan de ene kant wordt de wereld iets waarin we een creatieve rol kunnen spelen. De werkelijkheid is maakbaar – is open source zoals bij computersoftware die iedereen kan delen en aanpassen. Dat geeft ons een enorme ‘communicatiemacht’ (zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells het stelt).

Aan de andere kant deinzen we massaal voor die macht terug en kruipen we in onze schulp en redigeren we alle scherpe, ingewikkelde, moeilijke of anderszins onrustige randjes van wie we zijn en hoe we ons aan elkaar laten zien weg. In feite zijn we permanent bezig onszelf op te poetsen en te verkopen in een wereld die verdacht veel weg heeft van een gigantische supermarkt, waar wij de producten zijn.

Het is de uitdaging van het leven in media om een technologische infrastructuur niet los te zien van de emotionele inrichting van ons leven – we worden in media niet meer zoals machines (maar de verleiding is groot) en onze machines zijn niet anders dan wij (ook al lijkt dat zo).

Maar... dit is een lastige opdracht. Sterker nog, meestal is de toenemende mediatisering en virtualisering van de werkelijkheid nogal overdonderend, zeker in combinatie met een schier eindeloze keuzevrijheid en maakbaarheid. Filosoof, initiatiefnemer van het innovatieve journalistieke online tijdschrift De Correspondent en voormalig NRC Next hoofdredacteur Rob Wijnberg schreef hierover in februari 2014
“We ervaren de werkelijkheid als ‘virtueler’ naarmate hij optioneler is. Of, in gewoon Nederlands: als er een knop op zit. Het is die optionaliteit die onze 24-uurs nieuwsvoorziening zo’n bevreemdende ervaring maakt, die ons heen-en-weer slingert tussen betrokkenheid en desinteresse, tussen schok en schouderophalen, tussen activisme en cynisme. Wat daaraan te doen valt: werkelijk geen idee.”
Gelukkig weten de twee primaire disciplines die zich met media bezighouden – Mediastudies bij de Geesteswetenschappen en Communicatiewetenschap bij de Sociale Wetenschappen – heel goed wat we hieraan kunnen doen. Deze twee disciplines bieden ons een meer onafhankelijke positie in het medialeven - bij Communicatiewetenschap bijvoorbeeld door ons effectief te leren communiceren zodat we in media een rol van betekenis kunnen spelen. Bij Mediastudies doen we dat door diezelfde boodschappen kritisch te bekijken, respectvol te ontleden en daarmee onszelf te ontworstelen aan de illusie van controleerbare communicatie. Ook gebeurd dat door de media zelf te ontleden: via disciplines als digitale methoden doen we dat met de data op het internet en via de media archeologie doen we dat met de hardware van media zelf.  Gewapend met deze kennis is een leven in media zowel makkelijker als vanzelfsprekender en hebben we hopelijk wat minder de neiging door te slaan in het adverteren van ons zelf.

Mediastudies houdt zich relatief sinds kort expliciet bezig met onze passies. Daar komt een tweede lacune bij: ook de bestudering van hoe media gemaakt worden is nog betrekkelijk jong – in het verleden deden vooral collega’s bij sociologie en geschiedenis studies over de media als industrie - maar ook hierin komt de laatste jaren snel verandering.

De media als industriële sector eisen een steeds prominentere plaats in de samenleving op. Zowel in Nederland als daarbuiten zien we bijvoorbeeld dat overheden en het maatschappelijke veld steeds nadrukkelijker investeren in wat wel genoemd wordt de ‘creatieve industrie’, waarvan media zoals film, televisie, videogames, reclame, muziek en ook de journalistiek deel uitmaken. De creatieve industrie is inmiddels doorgedrongen tot de negen zogenaamde ‘topsectoren’ waar het economisch beleid van de Nederlandse overheid op gericht is.

Ook zijn er zorgen over deze dominante rol van de media als maatschappelijke speler. Zo spreken wetenschappers en politici met enige regelmaat over een doorgeslagen ‘medialogica’ in onze samenleving, waarbij zowel de landelijke als regionale politiek en de journalistiek zich steeds meer op elkaar richten en elkaars agenda volgen, waarbij de stem van (en het zicht op) de burger het laat afweten.

Hoe opwindend of zorgwekkend het succes van de media als industrie ook moge zijn, het zou toch voor media makers – zij, die beroepshalve films produceren, video games ontwikkelen, televisieprogramma’s samenstellen en het nieuws verslaan – een fantastische tijd moeten zijn. Hun wereld staat volledig in de schijnwerpers! Elk jaar besteden we met z’n allen meer tijd aan media dan het jaar daarvoor. De verkoopcijfers van HDTV’s, iPads, game consoles en smartphones stijgen nog altijd. We kijken smachtend uit naar de nieuwe seizoenen van Game of Thrones en Borgen, zitten aan het scherm gekluisterd voor De Wereld Draait Door, kunnen niet wachten op het verschijnen van Destiny (de nieuwe game van de makers van HALO), en de onthullingen over het NSA spionage-schandaal heeft de journalistiek wereldwijd op de kaart gezet als onmisbare partner in het bewust om gaan met onze informatie en onze rechten als burgers.

Toch lijkt niets minder waar. In de Verenigde Staten is tussen 1997 en 2007 een kwart van alle media professionals hun baan kwijtgeraakt. Specifiek wat betreft de journalistiek was het tekenend dat tussen 2007 en 2013 30 procent van alle dagbladjournalisten ontslagen werd. Ook in Nederland neemt het aantal werkloze journalisten zienderogen toe, zo blijkt bijvoorbeeld uit cijfers van het UWV.

De Amerikaanse econoom Richard Caves stelde ooit dat het meest eigenaardige karakter van de creatieve industrie is, dat het functioneert op basis van het “nobody knows” principe: onzekerheid over het eventuele marktsucces van het eindproduct – de film, de game, de krant. Die onzekerheid strekt zich vandaag de dag uit tot een veel fundamenteler niveau: niemand weet of hij na het huidige project nog wel werk heeft, waar het volgende inkomen vandaan gaat komen, of het werk wat ze nu doen goed of slecht is – en of dat iets uit maakt.

Knagende onzekerheid in de creatieve industrie vertaalt zich in bar slechte arbeidsomstandigheden: lage lonen en steeds vaker helemaal geen betaling voor werk, geen uitzicht op promotie of een anderszins min of meer voorspelbare loopbaanontwikkeling en leven in de wetenschap dat de weinige vaste banen permanent op de tocht staan – zoals recentelijk bij het verdwijnen van vijfhonderd banen bij uitgever Sanoma, een ongewoon agressief redactioneel verjongingsoffensief bij de regionale dagbladen van Wegener (de gemiddelde leeftijd op de redacties moet binnen drie jaar omlaag van 51 naar 43 jaar), gedwongen ontslagen en vertrekregelingen bij regionale omroepen en naar verwachting ruim duizend ontslagen over de hele linie bij de landelijke publieke omroep – en dit is slechts een kleine greep uit het ontslagnieuws over de Nederlandse media sinds ik in juni 2013 terugkeerde na tien jaar in Amerika gewoond en gewerkt te hebben.

Het is een wonderlijke paradox: de media als industrie spelen een steeds prominentere rol in onze samenleving, maar zij, die beroepshalve in de media werkzaam zijn delen niet in dit succes. Dat zou aanleiding kunnen zijn tot een reeks mismoedige bespiegelingen over de toekomst van media professionals in het algemeen en journalisten in het bijzonder. Nu ben ik, zoals ik ooit mocht opmerken bij mijn vorige oratie aan de Universiteit van Leiden in januari 2008 – aan welke werkplek en collega’s ik warme herinneringen heb – geen pessimist. Met Theo Maassen ben ik van mening dat pessimisme een win-win situatie is: of je hebt gelijk, of het valt mee. En daarmee is dit perspectief op de werkelijkheid intellectueel weinig stimulerend.

Laten we daarom eens fris kijken naar wat er precies aan de hand is in de beroepsgroep van journalisten, daar waar het gaat over hun positie op de arbeidsmarkt.

Allereerst een basale vraag: hoeveel professionele journalisten werken er in Nederland? De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) is de grootste beroepsorganisatie in ons land en telt ongeveer 7400 leden. Een belangrijke aanvulling op dat bestand is een onderzoek van eind vorig jaar onder ruim zevenduizend zelfstandige journalisten, waar ik zijdelings bij betrokken mocht zijn. De combinatie van deze twee bestanden suggereert dat er op dit moment in de Nederlandse journalistiek ongeveer 16.000 journalisten werken, uitgaande van een organisatiegraad van 75 procent.

Uit eerder onderzoek door Liesbeth Hermans en Maurice Vergeer van de RadboudUniversiteit Nijmegen en Alexander Pleijter van Fontys Tilburg in 2010 blijkt dat ongeveer de helft van alle journalisten in Nederland werkt als freelancer. Vooral onder nieuwkomers in het vak, bijvoorbeeld bij journalisten jonger dan 35 jaar, werkt op dit moment nog maar een kwart in vast dienstverband. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse journalist is op dit moment 50 jaar.

De NVJ is opgedeeld in verschillende secties, zoals Dagblad, Omroep en Internet. Van de dertien secties en werkgroepen die de NVJ telt is die van de Zelfstandigen met 2128 leden inmiddels de allergrootste.

Daar waar tot aan het begin van de jaren tachtig deeltijdfuncties en tot op zekere hoogte freelancerwerk nog vooral interessante ideeën waren (waar destijds een kleine minderheid van journalisten openlijk mee speelde), was in 2000 ongeveer een kwart van  alle journalisten in Nederland op deze manier werkzaam. In tien jaar tijd is hun aantal verdubbeld (zie voor meer cijfers mijn boek "Wat is journalistiek?" uit 2004).

Op de meeste redacties bij internet, omroep, dagbladen en tijdschriften zijn vaste contracten verleden tijd en krijgen jongeren een freelancercontract aangeboden voor een bepaalde tijd. Andere redacties werken met tijdelijke contracten via uitzendbureaus, waarmee bijvoorbeeld vakanties en zwangerschapsverloven worden opgevuld.

De grootste werkgevers voor Nederlandse journalisten zijn regionale dagbladen en de publieke omroep, samen goed voor bijna een derde van alle redactionele banen. Op de derde plaats van belangrijkste bronnen van inkomsten voor journalisten staat het werken als zelfstandig ondernemer.

In het najaar van 2013 lieten de NVJ, de Stichting Lira, de Fotografen Federatie en de Freelancers Associatie onderzoek uitvoeren onder hun in totaal ruim zevenduizend leden. Het werken als zelfstandige heeft bij twee derde van de ondervraagde journalisten de duidelijke voorkeur. Volgens de cijfers verzameld door Henk Vinken en Teunis IJdens van onderzoekbureau Pyrrhula zou slechts 5 procent eigenlijk het liefst in loondienst werken. De motivatie voor het freelance bestaan is overwegend positief: meer dan helft is freelancer of ZZP’er uit overtuiging en velen kiezen voor dit bestaan om meer balans tussen werk en privé te krijgen. Van de verschillende redenen om als freelancer of ZZP’er in de journalistiek te gaan werken worden verder prominent genoemd: vrijheid (15 procent), afwisseling en flexibiliteit (10 procent), passie en uitdaging (7%).

Dit beeld correspondeert met onderzoek onder alle zelfstandige ondernemers in Nederland. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2013 laten zien dat het totaal aantal eenmanszaken en zelfstandige ondernemingen ondanks de crisis nog steeds stijgt. Op dit moment is tien procent van de in Nederland werkzame bevolking zelfstandige zonder personeel en het CBS verwacht dat dit percentage de komende jaren zal verdubbelen.

Uit een enquête onder ZZP’ers uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) in 2013 blijkt eveneens dat de primaire motivatie voor de meeste ZZP’ers is het eigen baas zijn. Slechts 15 procent zegt dat naast hun wens om eigen baas te worden ook een zekere noodzaak heeft meegespeeld. Dat percentage is hetzelfde onder journalistieke zelfstandigen.

Het is interessant om deze breed gedeelde behoefte om eigen baas te zijn de koppelen aan de maakbaarheidverwachting die we van ons leven in media hebben.

Vorig jaar gaf mijn collega Jeroen Smit zijn oratie in Groningen, waarvoor hij samen met Tamara Witschge een enquête deed onder een kleine zevenhonderd dagbladjournalisten. Uit hun studie wil ik graag twee resultaten delen.

Allereerst de blijkbaar gangbare opvatting, dat de kwaliteit van de journalistiek zal lijden door de toename van freelancende collega’s: driekwart van de dagbladjournalisten is het eens of zeer eens met de stelling:
“Als het merendeel van de krantenjournalisten als freelancer werkt, zal de kwaliteit van de krant eronder lijden.”
Om een beeld te schetsen van de situatie bij een van de prominente landelijke dagbladen in Nederland waar ik recentelijk onderzoek deed: daar werken zo’n driehonderd redacteuren in vaste of tijdelijke loondienst, welk werk wordt aangevuld met de bijdrage van ruim 1.600 freelancers en zelfstandigen.

Deze beoordeling heeft waarschijnlijk te maken met de perceptie, dat het werken als zelfstandige journalist gewoon moeilijker is: 61 procent is het eens of zeer eens met de stelling:
“Voor freelancers is het moeilijker onafhankelijke journalistiek te bedrijven dan voor journalisten in vaste dienst.”
Het zijn juist dit soort percepties die nader onderzoek behoeven. Onlangs was ik betrokken bij een uniek overleg. Samen met Rosa Garcia Lopez, secretaris van een aantal secties bij de NVJ, nodigden we een groot aantal journalistieke beroepsorganisaties en onderzoekers uit voor een kennismakingslunch. Onder de genodigden waren vertegenwoordigers van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten, Stichting Lira, de Fotografen Federatie, de Universiteiten van Nijmegen en Groningen en de Hogescholen van Tilburg en Zwolle, en de Vereniging van Online Journalisten Nederland.

Uit de vloeiende discussie over wat er allemaal leeft bij de achterban, onder journalisten en opleidingen journalistiek in Nederland, kwam als meest prangende kwestie naar voren de in toenemende mate dubbele, ‘hybride’ en zelfs ‘schizofrenie’ positie van de journalist in de huidige arbeidsmarkt: als journalist met een specifieke beroepseer enerzijds en als ondernemer anderzijds. Hoe combineer je journalistieke onafhankelijkheid met een commerciële houding? Dit geldt zeker niet alleen voor zelfstandigen, want ook redacteuren in loondienst worden tegenwoordig steeds meer geacht persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de marktresultaten van het nieuwsbedrijf.

De breed gevoelde spagaat tussen marktoriëntatie enerzijds en creatieve dan wel professionele onafhankelijkheid anderzijds is een overblijfsel van een tijd waarin journalisten zich niet druk konden of wilden maken over het feit dat zij een product zonder publiek leverden. Professionele identiteit in de media ontstaat juist door bewust, kritisch en autonoom in de voortdurende onderhandeling tussen commercie en creativiteit te staan. Het is deze positie van onafhankelijk werken in media waar ik voor sta bij onze masteropleiding Journalistiek en Media.

Deze ruwe schets van het journalistenbestand staat twee duidelijke conclusies toe, welke aansluiten bij trends op de internationale journalistieke arbeidsmarkt: er vind over de hele linie een gestage vergrijzing plaats onder journalisten in (vaste of tijdelijke) loondienst terwijl er tegelijkertijd sprake is van een versnellend proces van verzelfstandiging in de journalistiek als beroep. Het ligt daarbij niet in de lijn der verwachtingen dat de vrijgekomen arbeidsplaatsen door al dan niet vervroegd pensioen overgenomen gaan worden door jongere journalisten: de internationale trend wijst steevast op toenemende flexibilisering en contractvrijheid.

De studie naar de journalistiek en vooral een oprechte interesse in de toekomst van het beroep is daarmee steeds de bestudering van het werk, de opvattingen, ervaringen en visie van zelfstandig opererende journalisten.

Hier kan ik tot slot nog bij opmerken dat de studie naar de toekomst van de journalistiek met name een studie moet zijn van de rollen en ideeën van vrouwen in het beroep, aangezien zij veruit de meerderheid vormen van alle jonge journalisten, alle zelfstandige werkende journalisten beneden 35 jaar en van alle studenten journalistiek die Nederland rijk is.

Om deze reden verheug ik me op een grootschalig onderzoeksproject dat ik dit jaar startte samen met Vera Spaans en Klaske Tameling van de Stichting Vrouw en Media naar de ervaringen en visie van journalistes in ons land – het wordt een herhaling van een beroemd (of berucht) onderzoek en boek uit 1986: “Voor zover plaats aan de perstafel.”

Hoe onrustig en onzeker de positie van de zelfstandige journalistiek als beroep ook moge zijn, het is van cruciaal belang om deze precariteit niet uitsluitend toe te schrijven aan zelfstandigen en freelancers en daarmee net te doen alsof er een glasharde scheiding bestaat tussen zelfstandige journalisten enerzijds en redacteuren in loondienst anderzijds. Gezien alle ontslagen en de aanhoudende flexibilisering van contractvormen bij omroepen en uitgevers is de werkplek in vast of tijdelijk dienstverband net zo precair als die van de naar opdrachtgevers zoekende zelfstandige. Punt is, dat zowel freelancers als fulltimers precariteit beleven in hun dagelijkse werk. Nu worden zij nog door werkgevers tegen elkaar uitgespeeld en houden zij zelf dit schisma in stand door over en weer te grossieren in stigma’s, door bijvoorbeeld redacteuren in loondienst af te schilderen als vastgeroeste dinosaurussen en zelfstandigen te zien als mislukte journalisten die niet goed genoeg zijn voor een vaste plaats op de redactie.  

Wat nog ontbreekt is samenwerking op grote schaal, bijvoorbeeld zoals uitgedrukt in de open verzameling en uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat mist is een breed gedeeld gevoel dat we samen in hetzelfde bootje zitten en dat de journalistiek slechts zo goed is als haar meest kwetsbare beoefenaars. Journalistiek zou voor alle journalisten een ‘passieplek’ moeten zijn (zoals sociale media dat voor tieners zijn) ongeacht status, aanstelling of positie in de arbeidsmarkt dan wel beroepshiërarchie. Solidariteit met gelijken is eenvoudig; samenwerken met vreemden vergt oefening en inzet. Juist de samenwerking tussen verschillende soorten journalisten en daarnaast tussen journalisten en andere media makers (zoals computerprogrammeurs, designers en creatieve managers) is cruciaal voor journalisten om het beroep met behoud van alles wat het zo’n uitzonderlijke en belangrijke positie in de samenleving geeft veilig door de volgende eeuw te loodsen.

Hoe deze samenwerking vorm kan krijgen, zal zich moeten uitwijzen. Maar wat ik overal om me heen zie zijn de hoopvolle eerste contouren van projecten en bedrijfsvormen waarbij studenten, freelancers, ZZP’ers, ZMP’ers, redacteuren en andere mediamakers bij elkaar komen om gezamenlijk in te zetten op vernieuwing en innovatie. Dat gebeurt zowel op de hogescholen als op de universitaire opleidingen journalistiek in ons land, net zo goed als deze veranderingen plaats vinden op de redacties van het NOS Journaal en het NRC Handelsblad of bij journalistieke startups zoals De Correspondent.

Samenwerking gebeurt zowel op inhoudelijk vlak als op het niveau van nieuwsvermarkting zoals bij Blendle en eLinea. En dit gebeurt zowel binnenshuis bij grote uitgevers zoals bijvoorbeeld de Telegraaf Media Groep, waar Bart Brouwers eerder deze week de journalistieke vrijplaats TMG Startups lanceerde om creativiteit en nieuwe ideeën ruim baan te bieden, of bij Sanoma waar via een intern innovatieprogramma onlangs het freelancersplatform Hubly startte.

Ditzelfde gebeurt buitenshuis, zoals in het Nieuwsatelier hier in het centrum van Amsterdam waar startups Follow The Money, LocalFocus en tot voor kort NewPaper jonge talenten –waaronder ook onze studenten – onder hun hoede nemen zodat ze door kunnen groeien tot zelfstandig ondernemend journalist. Eerder deden Tamara Witschge en ik onderzoek in het Nieuwsatelier door iedereen daar op avondeten te trakteren. Het was een heerlijke avond, waar de discussie over passie voor de journalistiek oprecht hoopvol stemde voor de toekomst van het beroep. We willen het onderzoek van deze avond voort zetten en plannen een reeks studies naar nieuwe vormen van journalistiek, zowel binnen de bestaande nieuwsmedia als daarbuiten, welk project zal uitmonden in een boek met als werktitel “Beyond Journalism.”

Laat ik tot slot benadrukken dat goedkope, ongeorganiseerde en met elkaar concurrerende werkers de benzine zijn voor de motor van een economisch systeem dat zich in de regel niets van passie, noch van kwaliteitsjournalistiek aan trekt. Samenwerkende journalisten vanuit alle onderdelen van de arbeidsmarkt met hart voor de zaak en liefde voor het vak zijn daarentegen veel machtiger dan zij zelf denken – want de creatieve industrie, geregeerd door het “nobody knows” principe, is volledig van hen afhankelijk.

Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat ik noch in ons leven in media, noch in de precaire arbeidsmarkt voor journalisten een donkere toekomst zie voor ons, voor de media of voor de journalistiek. Ik zie juist bronnen van hoop, enthousiasme en plezier en dit zijn de passies die voor mij het uitgangspunt zijn bij het begrijpen, onderzoeken en onderwijzen van Journalistiek en Media.

(hieronder: link naar video van de oratie voor de uitgesproken tekst)



On The Road 2014

[last updated: February 5, 2014] As always, if you are around these places and times, please do not hesitate to drop by and say hello. Please note these dates are tentative and will get updated as soon as possible.

Check this previous post for PDF versions of (more or less recently published) work that informs many of these presentations, workshops, seminars and guest lectures.

Speaking dates in 2014 (with first some final dates in 2013):

December 12: Talking about media life at the ZEMKI research seminar of the University of Bremen, Germany (from 6-8pm).

December 17: Talking about managing media work at the Hogeschool van Amsterdam, The Netherlands.


January 23-24: On beyond journalism at the Rethinking Journalism II conference of the University of Groningen, The Netherlands.


January 27-31: Seminar on media life as part of the Media and Global Communication program at the University of Helsinki, Finland.


January 28: Guest lecture on media life at Tampere University, Finland.


February 5 - May 7: Every Wednesday evening a lecture on media life for the Institute for Interdisciplinary Studies of the University of Amsterdam, The Netherlands.

March 11: workshop on beyond journalism for the Dutch Publishers Association in Amsterdam, The Netherlands.

March 13: talk on beyond journalism for the annual ROOS conference of regional broadcasting organizations at hotel De Heerlickheijd in Ermelo, The Netherlands.

March 14: workshop "The Future of Journalistic Work" at the Reuters Institute for the Study of Journalism, Oxford University, UK. [postponed]

March 17: guest lecture on media life and beyond journalism at the Erasmus University, Rotterdam, The Netherlands.

March 21: talk on media life at the Labyrinth congress at Leiden University, The Netherlands.

April 25: inaugural lecture (part of my installment as Professor of Media Studies at the University of Amsterdam) in the Aula of the Oude Lutherse Kerk in Amsterdam, The Netherlands.

May 1-2: talk on beyond journalism at the International Summit on Reconstruction of Journalism in 
New York.

May 8: keynote on beyond journalism at the CIR
COM conference of the European Assocation of Regional Television in Cavtat, Croatia.

May 18-20: talk on media life (and zombies) at the "Oh Man Oh Machine" conference of Tel-Aviv University, Israel.

June 5-6: talk on media work at the "Affective Capitalism" symposium of the University of Turku, Finland.

June 26-27: keynote on media work at the 13th International Conference on Research in Advertising (ICORIA) of the European Advertisting Academy in Amsterdam, The Netherlands.

[to be confirmed] August: keynote at the 5º Simpósio de Ciberjornalismo, Brazil.

Managing Media Work Wins Award

Very pleased to report that my edited volume, "Managing Media Work" (published in 2010 by Sage), is the recipient of the 2011 Robert Picard Book Award of the Media Management and Economics Division of the Assocation for Education in Journalism and Mass Communication (AEJMC).

The award was presented at the 2011 AEJMC convention in St. Louis (USA), where contributing author Bozena Mierzejewska accepted the plaque in the name of all authors involved.

Obviously I'm thrilled and honored, and would like to thank the exceptional colleagues who contributed original work to the volume (listed in the order of appearance in the book):

Brian Steward, Bozena Mierzejewska, Chris Bilton, Lucy Küng, Terry Flew, Philip Napoli, Toby Miller, Jane Singer, Leopoldina Fortunati, Pablo J. Boczkowski, Tim Marjoribanks, Keith Randle, Alisa Perren, Charles Davis, Susan Christopherson, Liz McFall, Sean Nixon, Hackley Chris, Amy Rungpaka Tiwsakul, Marina Vujnovic, Dean Kruckeberg, Aphra Kerr, Eric Harvey, Rosalind Gill, Annet Aris, Geert Lovink, and Ned Rossiter.

Please note: an extensive review of the book (unrelated to the juried award) will appear in a forthcoming issue of the International Journal of Media Mangement.

Fall 2010 Talks

As I am writing (currently mid-way through chapter 5 of Media Life), there is not much going on in terms of traveling this Fall.

LAST UPDATED: Tuesday, October 19 (2010).

I will be able to pop in for a couple of talks related to either the Media Life project or the recently published Managing Media Work book. I'll update this list as soon as more information becomes available.

Monday, 20 September
- Two guest lectures and a brownbag lunch presentation at the School of Communication of Loyola University in Chicago, US.

Monday 11 October
- Keynote at the school's opening event at the Escola de Comunicação, Artes e Tecnologias da Informação in Lisbon, Portugal, starting at 7pm.

Wednesday 13 October
- public lecture on Media Life for the Studium Generale program at the Technische Universiteit Eindhoven, The Netherlands.

Thursday 14 October
- presentation on internet & citizenship at the Burger Bewust open conference at De Doelen in Rotterdam, The Netherlands (from 11.30am-12.30pm).

Monday 18 October
- presentation on Managing Media Work (with Michael Opgenhaffen and Leen d'Haenens) at Het Permanent Opleidingsplatform Journalistiek (K.U. Leuven, Lessius, H.U.B.) in Leuven, Belgium (from 7p.m. onwards).

Tuesday 19 October
- lecture on Managing Media Work for Journalistiek en Nieuwe Media at Leiden University, Leiden, The Netherlands (from 5-7 p.m. in room B 031 in the Kamerlingh Onnes Gebouw). Remark: Presentation together with Jaap Stronks.

Friday November 12
- (with Mike Lang and Parker Weidner) presenting on extreme metal and media life in my Department's public T600 speaker series in Bloomington, Indiana, US.

If you are around, drop by and say hi!

Managing Media Work is out!

My new, edited, book, titled Managing Media Work (published worldwide by Sage), is out - the first copy arrived in the mail today (see picture)... Amazing chapters by 27 terrific scholars in the fields of management, business, journalism, media and cultural studies.

I hope you will give it a chance - please let me know if you plan to assign it to courses and/or have graduate students work with it, and if you are a student and (are forced to) read the book, it would be great to hear from you.

Reviews of Media Work

Since my last book, Media Work, was published in September 2007 (with Polity Press), it has been reviewed by six scholarly journals, one (UK) newspaper, and several weblogs.

The most recent review has appeared in the March 2010 issue of the Work, Employment & Society journal. It is a wonderful piece, written by Claudia Catacchio (University of Cambridge). At a later date I hope to be able to reproduce the review here, but for now I would like to cite the final paragraph, as these comments truly reflect what I hoped people would pick up from the book:
"There are very few training programmes, academic or otherwise, that can adequately prepare people for work in the convergence culture described by Deuze, making his book all the more valuable."

Managing Media Work

The new year is off to a great start: I am extremely happy to report that the manuscript of Managing Media Work was sent to the publisher, Sage, today.

[UPDATE: 28 Feburary 2010] According to the Sage website, the book is scheduled for publication in July 2010 (Paperback ISBN: 9781412971249, list price: US $39.95; see also on Amazon).

To me, Managing Media Work is a logical extension and follow-up to Media Work (Polity Press, 2007). In a way, the preface to this edited volume contains the method section that I ommitted from Media Work...

The Managing Media Work volume comprises original work by 27 international scholars in the fields of media management, media production, and media policy studies.

Given the increasingly global, networked, and unpredictable nature of the media industry, and the growing complexities of media work, the challenge to the future of the creative industries seems to be a uniquely managerial one.

The authors in Managing Media Work address in detail how media management can and should prepare itself for the future. Management is seen here not just in traditional terms - as in designing business models, contemplating finance and accounting mechanisms, structuring strategic partnerships - but more so in strictly human terms: the management of talent (both yours and that of others), and the management of your individual career in the media and creative industries.

Contributing authors are (listed chronologically): Brian Steward, Bozena Mierzejewska, Chris Bilton, Lucy Küng, Terry Flew, Philip Napoli, Toby Miller, Jane Singer, Leopoldina Fortunati, Pablo Boczkowski, Tim Marjoribanks, Keith Randle, Alisa Perren, Charles Davis, Susan Christopherson, Liz McFall, Sean Nixon, Chris Hackley, Amy Tiwsakul, Marina Vujnovic, Dean Kruckeberg, Aphra Kerr, Eric Harvey, Rosalind Gill, Annet Aris, Geert Lovink, and Ned Rossiter.

By way of introducing the volume, and to give a pre-publication preview of the awesome work that all these people have done, the book's preface, table of contents, and introductory chapter (that I co-authored with Brian Steward) can be downloaded from IU ScholarWorks.

Please feel free to contact me for more information, and for syllabi and course materials related to the book (in case you are considering adopting the book for a class).

Looking for MA, MS, and PhD candidates

It is getting close to the deadline for applying to our graduate program here at Indiana University. If you are a non-US student, the deadline is December 1 (for US students its January 15).

Of course, our Department is always looking for excellent new people to work with on projects varying from the design and production of virtual worlds, working with faculty and students in a state of the art psychophysiology research lab, or for example studying the content and reception of audio, visual, and written information in the context of political communication (such as elections). And that is just the tip of the iceberg...

Beyond all of that, I am always looking for motivated and fun people to work with on my own projects, particularly regarding the ongoing investigation of our lives lived in, rather than with media, as well as projects involving the challenges of managing media companies and careers.

If you are concerned about cost, please note the following quote regarding funding from our graduate program website:
In the Department of Telecommunications, successful applicants to the PhD program may expect guaranteed funding support as a Student Academic Appointee for three years. This will cover the costs of tuition as well as pay a stipend for living costs. Typical positions include Associate Instructor or Research Assistant.

Applicants to MS and MA programs may receive up to two years of guaranteed funding support as a Student Academic Appointee. The decision is based on merit and available department resources.

Consider this is a call-out for students interested in pursuing a MS, MA or PhD in the media arts and sciences! Please forward this to anyone you think may be interested in studying and living in beautiful southern Indiana...

Editing Journal Special Issues

During the last three years, I have had the privilege to work together with some of the most amazing minds in the field of media production, management, and work studies: Henry Jenkins (USC), John Banks (QUT), and Tim Marjoribanks (Melbourne). Together with these friends I guest co-edited special issues of what I consider to be among the most inspiring and diverse academic journals in our field:

- Convergence (volume 14/1 of 2008, on convergence culture with Henry);
- International Journal of Cultural Studies (volume 12/5 of 2009, on co-creative labor with John); and
- Journalism (volume 10/5 of 2009 on newswork, with Tim).

If you are interested and active in research, teaching, or taking courses related to media work, labor, production, management, and industries, I hope and suggest you check these special issues out. They feature some of the best scholars in these fields, both upcoming talent and well-established stars. I want to use this blogpost to record my sincere thanks and deep appreciation for the work of Henry, Tim, and John. It has been a tremendous experience editing these journals (which in turn also inspired me to edit a book-length volume, on which you can expect some more info soon (working title: "Managing Media Work"), as its full manuscript has just been sent to the publisher...

The Media Organizations Group Blog

In the context of courses I teach at Indiana University on what work in the media and creative industries is all about, graduate students and I have started a group blog, titled Media Organizations @ IU, where we will post news items, commentary, analyses, and debates on all things related to working in the media. We hope you will check us out there, bookmark us, leave comments, and include us in your RSS feeds!

Just Out: Guest-Edited Special Journal Issue on CoCreative Labour

My friend and colleague at QUT, John Banks, and I worked on this special for the last two years or so, and we are very excited how it turned out. I hope you check one or more of the papers out! Please let me know if you need one of the PDF's, I'm sure we can help.

International Journal of Cultural Studies Table of Contents for SPECIAL ISSUE: CO-CREATIVE LABOUR: 1 September 2009; Vol. 12, No. 5.

Table of Contents Alert

Co-creative labour
John Banks and Mark Deuze

Amateur experts: International fan labour in Swedish independent music
Nancy K. Baym and Robert Burnett

America Online volunteers: Lessons from an early co-production community
Hector Postigo

Misfortunes, memories and sunsets: Non-professional images in Dutch news media
Mervi Pantti and Piet Bakker

Working for the text: Fan labor and the New Organization
R.M. Milner

The mediation is the message: Italian regionalization of US TV series as co-creational work
Luca Barra

All for love: The Corn fandom, prosumers, and the Chinese way of creating a superstar
Ling Yang

Media Work Book Review (6)

As I blogged earlier this week, it has been a fantastic ride with my last book, Media Work (Polity Press), especially in terms of the feedback I've been getting. The latest issue of The Information Society contains yet another (by my count 6th) scholarly review piece on the book - after earlier ones in the International Journal of Media Management, the European Journal of Communication, New Media & Society, Ecquid Novi:African Journalism Studies, and Journalism & Mass Communication Quarterly.

The review in The Information Society was done by Greg Downey of the School of Journalism and Mass Communication, University of Wisconsin, Madison (US). Greg is an expert in the field of (the historical analysis of) information labor, and his work and teaching - check out his excellent information society course materials - are a source of inspiration for me. His review of the book is critical, but overall I am pleased with the comments he makes.

Greg Downey particularly laments my lack of historical grounding - which is true, and as a historian by way of my graduate training I should know better - and the rather limited use I make of my empirical material (in-depth interviews with 600+ media professionals in the US, The Netherlands, South Africa, and New Zealand), or my theoretical framework (particularly Zygmunt Bauman's concept of liquid modernity). Again, I have no qualms nor excuses here.

Other than that, I'm thrilled that he described the book and my writing style alternately as "lively", "readable", "useful", "effective", and generally part of what he calls an "important niche", whereas he considers Media Work especially powerful when read next to his own work, citing his 2004 edited volume (with Aad Blok), Uncovering labour in information revolutions, 1750–2000 (published by Cambridge University Press). I must admit I did not know that book, which is my bad.

Overall I must admit that one thing bugs me about this book review - something which I have noticed a bit too often in the responses of scholars in more or less established (read: older) fields of study to work that is explicitly done or located in the realm of new media and digital culture (which Polity's title for the book series, Digital Media And Society, alludes to): a tendency to dismiss many of not all of the work, theorizing, and claimsmaking done in new media studies as intrinsically overemphasizing the "new". Although this is a valuable critique, it is also a bit too easy. As Greg and other historians know, nothing is ever really new, as everything is caught up in micro, meso, and macro flows of history. To claim that someone is not articulating the history his or her argument enough (simply by stating that whatever he or she signals today has been signaled one way or another before), is something that can be pretty much stated about almost any scholarly work.

Furthermore (and I may be mistaken), I do not think I am actually stating anywhere in the book that whatever I found to be happening in media work today is exclusive or unique to the situation right now, but I do argue that the historical categories we have used to this day to explain things in (media) sociology and social theory are perhaps different, less useful, or run the risk of turning our field into a (as Giddens and Beck among others argue) "shell" and "zombie" sociology. Considering Greg's valuable thoughts and comments, I should do a much better job exploring and articulating such notions.

Some highlights from the (copyright-protected) review:

Media Work, by Mark Deuze. Cambridge, UK: Polity Press, 2007. 278 pp. $69.95 cloth/$22.95 paper. ISBN 978-07456-3924-6 (cloth), 978-07456-3925-3
(paper). Reviewed by Greg Downey, School of Journalism and Mass Communication and School of Library and Information Studies, University of Wisconsin, Madison, Wisconsin, USA


"Mark Deuze’s Media Work is a useful but limited attempt to situate and synthesize recent literature on what it means to be a creative professional in four cross-cutting industries: advertising, journalism, screen entertainment, and video games. This lively and readable account demonstrates that the study of new media through the lens of labor—both the increasingly contingent labor of media professionals and the increasingly interactive labor of their fragmented audiences—is an important and vibrant area of interdisciplinary scholarship, sitting at the intersection of communication studies, labor studies, technology studies, and cultural studies.

Although Deuze falls short of his goal to present a rich global ethnography of these industries, the anecdotal firsthand data that his students and colleagues have collected does add flavor and perspective to his narrative. And while a lack of theoretical breadth and a frustratingly shortsighted view of media history will limit the usefulness of his book for most graduate students and media scholars, Media Work would make a provocative and productive text in any undergraduate course on mass communication, cultural theory, or new media technology.

[...]

In his very brief conclusion, Deuze seems to reject wholesale a century of media sociology, stating that “It is tempting to analyze this kind of media life in terms of the boundaries and parameters that have well-established meanings such as social institutions (the family, the company, the state), and corresponding conceptual categories (culture, economy, creativity). However, the overview of the lives and identities of people professionally employed as media practitioners if anything suggests that these analytical devices are not particularly helpful if we want to make sense of media work—and thus of the problems and solutions people in overdeveloped capitalist democracies increasingly face on a day to day basis” (p. 233). But if the category of “media work”—or, more broadly, “knowledge work” or “information work”—is worth defining and analyzing, it is precisely because such a concept must be productively used together with those “well-established” analytical categories that Deuze derides as “not particularly helpful.” Arguing that these categories might be more “fluid”—interpenetrating, impermanent, contingent, or just changing historically—is not the same as accepting that these categories are useless.

[...]

As a snapshot of present-day working conditions and recent interdisciplinary scholarship around the question of professional media work, Deuze’s short and readable volume fills an important niche. But in the end, the broadest conclusion Deuze is able to make is that “a structural sense of constant change and permanent revolution is the strongest guide or predictor of the human condition in the digital age” (p. 235). Rather than always seeing historical discontinuity around digital networked infrastructures, perhaps we must admit that “constant change,” especially when it comes to practices of cultural creation, knowledge production, and information circulation, has been a hallmark—if not the hallmark—of what has been called “modernity” for a very long time indeed."

Coming Soon: Special Issue on "Newswork"

After two years of exciting work with friend and colleague Tim Marjoribanks (University of Melbourne), our special issue on "Newswork" of the journal Journalism Theory Practice & Criticism is coming out soon; I just got the page proofs this week. As a sneak preview, please find the table of contents below.

By the way: the authors' version of the introductory essay Tim and I wrote for the special issue (on the changing conditions of work and labor in the global news industry) is available for download at IU Scholarworks. It features a broad discussion of the changes and challenges facing journalists in terms of labor, working conditions, and management, as well as a brief summary of all the wonderful articles that are featured in this special issue.

Journalism Volume 10 Number 5 October 2009

Contents

INTRODUCTION

Newswork
Mark Deuze and Timothy Marjoribanks 555

ARTICLES

Between tradition and change: A review of recent research on online news production
Eugenia Mitchelstein and Pablo J. Boczkowski 562

Compressed dimensions in digital media occupations: Journalists in transformation
Amy Schmitz Weiss and Vanessa de Macedo Higgins Joyce 587

An actor-network perspective on changing work practices: Communication technologies as actants in newswork
Ursula Plesner 604

Token responses to gendered newsrooms: Factors in the career-related decisions of female newspaper sports journalists
Marie Hardin and Erin Whiteside 627

The performative journalist: Job satisfaction, temporary workers and American television news
Kathleen M. Ryan 647

Structure, agency, and change in an American newsroom
David M. Ryfe 665

Watchdog or witness? The emerging forms and practices of videojournalism
Sue Wallace 684

The shaping of an online feature journalist
Steen Steensen 702

Changing journalistic practices in Eastern Europe: The cases of the Czech Republic, Hungary and Slovakia
Monika Metyková and Lenka Waschková Císarová 720

Media Work Book Review (5)

My last book, Media Work (Polity Press), is now out for almost two years. As far as I can tell, about 2,000 copies have been sold, roughly half of which in the US. Beyond all of that, it is really cool to see it get noticed and picked up for review in several scholarly journals: the International Journal of Media Management, The Information Society (forthcoming issue), the European Journal of Communication (as a booknote), New Media & Society, and Ecquid Novi:African Journalism Studies.

Most of these reviews I reproduced on this blog - find them here.

I just came across one more review in a scholarly journal - Journalism & Mass Communication Quarterly, Spring 2008 issue (volume 85, issue 1, pages 212-213). Although most reviews of the book have been complimentary, and all reviews - also those that have been more critical - have been respectfully written, the one in JQ by Ohio University's Professor Emeritus Guido H. Stempel III is the odd one out. Unfortunately, the journal is not online, so I'll reproduce the review below.

It is safe to say I do not agree with just about every point Stempel makes - except for his final conclusion about the book, which is excellent: "The issues discussed in this book are important, but Media Work represents only a starting point for the conversation" (admittedly, I would prefer to replace "but" with "and", while deleting "only").

Media Work. Mark Deuze. Cambridge, UK: Polity Press, 2007. 278 pp. $64.95 hbk. $22.95 pbk. Reviewed by Guido Stempel III in Journalism Quarterly.
"This book bills itself as a "primer" on working in the information age, based on interviews with media professionals in the United States, the Netherlands, South Africa, and New Zealand.

The author, an assistant professor of telecommunications at Indiana University and a professor of journalism and new media at Leiden University, deals with the impact of digital age technologies on the people who work for media and for media organizations.

He divides media into four categories—advertising, public relations, and marketing communications; journalism; film and television; and games. Each is the subject of a chapter, which is appropriate because work differs so much from one to another.

For journalism faculty, the chapter on journalism will be a good deal more useful than the others. Those teaching advertising and public relations also will find the chapter dealing with those areas helpful.

The chapter on film and television deals only with entertainment, not with television news. The chapter on games deals primarily with games themselves, not how they fit into the configuration of the mass media environment.

The main thesis of the book is that media work will become individualized — that full-time freelancers will replace media companies. The worker will go from job to job rather than working continuously for the same organization, Deuze predicts. Then the author deals with the impact of this on the individual and on family life. Yet I feel the author underestimates how individualized newswork is already and therefore overestimates how much of a change this will be.

What the author does not deal with very much is the implication of all this for news. Where will the news come from? Might the Associated Press become the model for news coverage? If the Internet is the main medium for news and information, what kind of news will we have? How will a freelancer covering the mayor of Indianapolis differ from the reporter from the Indianapolis Star, representing that established institution, covering the mayor? Will freelancers maintain the ethical standards that media institutions maintain, or might they perhaps maintain higher ethical standards? There is also the question of how news will be paid for. Bloggers and Web sites use information gathered and paid for by media organizations. If those organizations seek to exist who will pay for the news?

The issues discussed in this book are important, but Media Work represents only a starting point for the conversation."

The End of Newspapers

(This post also appears on Polity Press' Digital Media and Society blog)

European and North American newspapers have been in decline for decades. Slowly but surely, all indicators of a more or less healthy product - circulation, audience penetration, advertising effectiveness, credibility and trust - have been eroding to the point where, today, they are in freefall. None of this is surprising given the historical trend, but it still features in feverish debates online and offline as to what the future of democracy is without newspapers.

The link between newspapers and democracy is tenuous, and also rather uninspiring as a basis for debate - as one can find similar discussions in the professional and academic literature in the 1920s (economic depression, general distrust of media as vehicles for wartime propaganda, rise of radio as a mass medium), the 1980s (TV news trumps print news, increased media concentration, decline of political and other forms of civic participation), and the early 1990s.

What seems to be lacking from the current debate - about the end of an era for local newspapers in the UK, or the demise of one or more national newspapers in The Netherlands, and the shutting down of at least 10 or more prestigious newspapers in the US - is a critical awareness of the workforce restructuring of journalism that runs parallel to this process. This process shifts the economy from one based on the production of commodities (such as news) at specific places (as in the office buildings of news organizations) using the skills of specific employees. It is perhaps useful to interpret the demise of newspapers as an important step towards the liquefaction of all these categories.

Economists for years have been predicting or advocating the emergence of a global weightless economy, where ideas are the primary form of capital (rather than, say, machines). Such a weightless economy centered on information and communications technology (ICT), the Internet, and (copyright-protected, trademarked) intellectual assets, in turn produced by immaterial labor. Immaterial labor produces the informational and cultural content of a commodity, which content is valued on the basis of impermanent, unstable, and generally unpredictable categories: creative norms, user preferences, consumer taste, seasonal fashions, and so on.

I would argue that another element defining the "weight" of a weightless economy - next to factories and machines - are people, as in: employees. People that are owned - and taken responsibility for through contracts and other formal social arrangements - by companies. The majority of journalists in countries all over the world has always been employed by newspapers. The newsroom sizes of newspapers can run into the hundreds of reporters and editors, whereas broadcast and online teams tend to be just a fraction of this.

Another difference has been that newspaper staffers generally have had the most stable kind of employment arrangements, often working in fulltime, open-ended contractual capacity. This compared to their colleagues in online, magazine, and broadcast news, which operations are more often than not staffed with contingent workers (parttime, temporary, freelance) in "atypical" or otherwise casualized labor conditions - often even working without a contract. Interestingly, in these areas of the profession the gender balance tends to be almost neutral, whereas in newspapers men dominate the workforce in countries such as The Netherlands, the UK, Germany, Australia, and the US - often by a margin of up to 80%.

At the heart of the demise of newspapers and the restructuring of a global weightless economy is the permanent uprooting and letting go of the majority of employed, contractual workforce in the news industry, and the overall casualization of labor.

Journalism is losing weight. Its weight is its workforce, and with that the remaining labor protections that still governed the profession. That is the real tragedy of the end of newspapers.

My Research and Teaching

A bunch of us (colleagues at Indiana University) started a series of online video introductions to what we do in our teaching and research. Partly for fun, partly to get our work out there in a personalized way, partly in the hopes of attracting a wide and global range of undergraduate and graduate student applicants to our program.

Below is my (way too long and overly self-important) intro, and I hope you'll check out the work of my awesome colleagues and friends - videos collected and produced by Jim Krause. See links to better quality video at our departments' website here: my 2 cents, Lee Sheldon, Rob Potter, Norbert Herber, and Julia Fox.

Even More Media Work Reviews

Excited to learn of two more academic journals publishing reviews of my Media Work book: the International Journal of Media Management (appearing in issue 11/1), and The Information Society (this after earlier scholarly reviews or booknotes in the European Journal of Communication, New Media & Society and Ecquid Novi).

The review in the International Journal of Media Management is extensive, and the editor has asked me not to copy and paste the whole thing on my blog. Fair enough, but I cannot resist at least quoting a concluding comment by the reviewer, as I am very pleased with it, and indeed have been hoping this is what people would get from the book:

"In sum, Deuze’s book makes at least three significant contributions to the analyses of the interactions between media, technology, and work. First, he is able to clearly trace the transformative impacts of technology across key sectors of the media, showing both their unique features but also the ways in which processes and practices are converging. In this regard, his argument makes a clearly stated case for the need to explore how global macro processes interact with national and local microlevel practices in our analyses of the media industry. These interactions have a significant impact on how media professionals understand and experience their work.

Second, his book shows that media now goes well beyond traditional understandings of the media as being the domain of experts who provide information and entertainment to the masses. Deuze’s analysis clearly shows how the distinctions that have marked much media practice and analysis are being transformed very rapidly, with pre-existing understandings and practices coming under severe threat and challenge. For example, for media workers in journalism, old hierarchies between producer and consumer are increasingly irrelevant as audiences are now content producers, as well as content consumers.

Third, Deuze’s book makes a convincing case that if we are to understand contemporary society, we must analyse the media. Crucially, in one form or another, we are all part of the media now."

Especially the third point is important to me, as it provides the lead-in for my next/current book project (next to an edited volume on media management), titled Media Life, which should be finished by Fall 2010...

The Media Logic of Media Work

The inaugural issue of the new open-access academic Journal of Media Sociology just came out, featuring some excellent work that I warmly recommend to be checked out. I'm excited to have a piece included in this opening issue, titled "The Media Logic of Media Work", which is a hopefully more or less coherent take on my recent book, Media Work (Polity Press, 2007). The abstract is cut and pasted below, the journal can be downloaded in its entirety for free at the Marquette publishers' website (Link to PDF).

Title
The Media Logic of Media Work

Abstract

Culture creation is quickly becoming the core industrial (and individual) activity in the globally emerging cultural economy. This process gets amplified through the increasing conglomeration of media corporations, as well as the widespread diffusion of information and communication technologies. This paper combines insights from research on (professional and amateur) media production from disciplines as varied as institutional sociology, organizational psychology, cultural economy, management, media studies and economic geography to present a review of trends, developments and values co-determining media work. The concept of media logic is used as a mapping tool, articulating contemporary institutional, technological, organizational, and cultural trends as they co-determine media work. This hermeneutic analysis identifies principal components of workstyles in the media production industries across disciplines and genres, including journalism, advertising, film and television, and digital game development.

Link to PDF